Rekenen wiskunde 1.4 M&M
Les 1
Bij het meetonderwijs gaat het vooral om de getalsmatige kant waarmee de ruimte en de
bijbehorende verschijnselen, zoals lengte, oppervlakte en gewicht worden beschreven, geordend en
bewerkt. Meetonderwijs: het gaat vooral om de getalsmatige kant waarmee de ruimte en de
bijbehorende verschijnselen zoals lengte oppervlakte en gewicht wordt beschreven.
Meetkundeonderwijs daarentegen heeft als voornaamste doel het ruimtelijk voorstellings- en
redeneervermogen te ontwikkelen.
Meten en meetgetallen zijn overal
Meetgetallen geven het resultaat van een meting aan
Welke grootheden geven de meetgetallen aan?
Hoe leid je kinderen binnen in de wereld van meetgetallen als zij nog geen getalbegrip hebben?
Ontluikend maatbesef: kinderen verwerven inzicht in de verschillende grootheden en worden zich
bewust van het eigene van elke grootheid. Ze leren doorzien welke grootheid in welke situatie aan de
orde is en ontwikkelen begrip in het organiseren van de meethandeling.
Cognitief conflict: 30 tennisballen en 1 baksteen. Kinderen kijken ernaar en zien dat er veel meer
pingpong ballen zijn. Ze denken dan ook dat deze zwaarder is.
Meten is het afpassen van een maat of het toekennen van een waarde
Hoe leid je kinderen binnen in de wereld van meetgetallen zij nog geen getalbegrip hebben?
- Groot: lang, dik, zwaar
Leerlijn meten ob
- Vergelijken en ordenen
- Afpassen met een maat
- Standaardmaten en meetreferenteis
- Aflezen van een meetinstrument (hanteren)
Lengte, inhoud, oppervlakte, gewicht en tijd
Vergelijken:
Direct vergelijken:
- Bijvoorbeeld bij lengte, het rechtstreeks tegen elkaar plaatsen van voorwerpen, welke is
hoger?
- Bijvoorbeeld inhoud, waar kan meer in?
- Direct vergelijken met lengte, oppervlakte, gewicht.
Vergelijken en ordenen:
- Wie is het grootst?
- Wie heeft de langste drop?
- Wie heeft de meeste limonade?
- Wie heeft de grootste voeten?
- Wie heeft de hoogste toren?
- Wie heeft de meeste kersen?
Ordenen:
Meer dan twee voorwerpen direct met elkaar vergelijken. Drie vormen:
, Sorteren: op grond van overeenkomst. Soort bij soort onderscheiden, ordening aanbrengen van een
bepaalde soort van iets.
Bijv. speelgoed moet worden opgeruimd in verschillende manden – grote blokken, kleine blokken
Classificeren: op basis van kenmerk (rond, vierkant) ordening aanbrengen op basis van tot welke
klasse iets behoort. Er wordt gekeken naar een of meerdere eigenschappen die overeenkomstig zijn.
Seriëren: op grond van een eigenschap (lengte, inhoud). Ordenen op grond van een eigenschap op
basis van rangorde (rekenbegrippen)
Meten begint in de onderbouw 1/2
Klokkijken – meten
Bouwen van een plattegrond – meetkunde
Maatbeker – meten
Snelheid – meten
Balans – meten
Schaduw onderzoek – meetkunde
Knippen – meetkunde
Les 2
Samenstellen: hoeveel champignons zijn even zwaar als drie tomaten?
Lengte is een voorbeeld van: grootheid
Referentie maat – dat je weet dat een meter een liniaal bord is
Natuurlijke maat – aantal bomen. Een natuurlijke maat gebruiken om via afpassen en tellen tot een
getal te komen
Er wordt een getal toegekend aan de meting: kwantificeren
Bij het meetonderwijs gaat het vooral om de getalsmatige kant waarmee de ruimte en de
bijbehorende verschijnselen, zoals lengte, oppervlakte en gewicht worden beschreven, geordend en
bewerkt.
De el: een oude lengtemaat, de naam kot van de ellepijp
Meetkunde onderwijs daarentegen heeft als voornaamste doel het ruimtelijk voorstelling en
redeneervermogen te ontwikkelen.
Kwalitatief meten: (begrippen) er zijn veel mensen er hangt geen waarde aan
Kwantitatief meten: (cijfers) ik ben 1,87 meter
Afpassen van maat:
- Er wordt een getal toegekend aan de meting kwantificeren
- Afpassen met een natuurlijke maat
Vb:
Hoeveel scheppen?
Hoeveel handjes?
Hoeveel bekers?
Hoeveel stappen?
Allerlei maten om mee af te passen:
Les 1
Bij het meetonderwijs gaat het vooral om de getalsmatige kant waarmee de ruimte en de
bijbehorende verschijnselen, zoals lengte, oppervlakte en gewicht worden beschreven, geordend en
bewerkt. Meetonderwijs: het gaat vooral om de getalsmatige kant waarmee de ruimte en de
bijbehorende verschijnselen zoals lengte oppervlakte en gewicht wordt beschreven.
Meetkundeonderwijs daarentegen heeft als voornaamste doel het ruimtelijk voorstellings- en
redeneervermogen te ontwikkelen.
Meten en meetgetallen zijn overal
Meetgetallen geven het resultaat van een meting aan
Welke grootheden geven de meetgetallen aan?
Hoe leid je kinderen binnen in de wereld van meetgetallen als zij nog geen getalbegrip hebben?
Ontluikend maatbesef: kinderen verwerven inzicht in de verschillende grootheden en worden zich
bewust van het eigene van elke grootheid. Ze leren doorzien welke grootheid in welke situatie aan de
orde is en ontwikkelen begrip in het organiseren van de meethandeling.
Cognitief conflict: 30 tennisballen en 1 baksteen. Kinderen kijken ernaar en zien dat er veel meer
pingpong ballen zijn. Ze denken dan ook dat deze zwaarder is.
Meten is het afpassen van een maat of het toekennen van een waarde
Hoe leid je kinderen binnen in de wereld van meetgetallen zij nog geen getalbegrip hebben?
- Groot: lang, dik, zwaar
Leerlijn meten ob
- Vergelijken en ordenen
- Afpassen met een maat
- Standaardmaten en meetreferenteis
- Aflezen van een meetinstrument (hanteren)
Lengte, inhoud, oppervlakte, gewicht en tijd
Vergelijken:
Direct vergelijken:
- Bijvoorbeeld bij lengte, het rechtstreeks tegen elkaar plaatsen van voorwerpen, welke is
hoger?
- Bijvoorbeeld inhoud, waar kan meer in?
- Direct vergelijken met lengte, oppervlakte, gewicht.
Vergelijken en ordenen:
- Wie is het grootst?
- Wie heeft de langste drop?
- Wie heeft de meeste limonade?
- Wie heeft de grootste voeten?
- Wie heeft de hoogste toren?
- Wie heeft de meeste kersen?
Ordenen:
Meer dan twee voorwerpen direct met elkaar vergelijken. Drie vormen:
, Sorteren: op grond van overeenkomst. Soort bij soort onderscheiden, ordening aanbrengen van een
bepaalde soort van iets.
Bijv. speelgoed moet worden opgeruimd in verschillende manden – grote blokken, kleine blokken
Classificeren: op basis van kenmerk (rond, vierkant) ordening aanbrengen op basis van tot welke
klasse iets behoort. Er wordt gekeken naar een of meerdere eigenschappen die overeenkomstig zijn.
Seriëren: op grond van een eigenschap (lengte, inhoud). Ordenen op grond van een eigenschap op
basis van rangorde (rekenbegrippen)
Meten begint in de onderbouw 1/2
Klokkijken – meten
Bouwen van een plattegrond – meetkunde
Maatbeker – meten
Snelheid – meten
Balans – meten
Schaduw onderzoek – meetkunde
Knippen – meetkunde
Les 2
Samenstellen: hoeveel champignons zijn even zwaar als drie tomaten?
Lengte is een voorbeeld van: grootheid
Referentie maat – dat je weet dat een meter een liniaal bord is
Natuurlijke maat – aantal bomen. Een natuurlijke maat gebruiken om via afpassen en tellen tot een
getal te komen
Er wordt een getal toegekend aan de meting: kwantificeren
Bij het meetonderwijs gaat het vooral om de getalsmatige kant waarmee de ruimte en de
bijbehorende verschijnselen, zoals lengte, oppervlakte en gewicht worden beschreven, geordend en
bewerkt.
De el: een oude lengtemaat, de naam kot van de ellepijp
Meetkunde onderwijs daarentegen heeft als voornaamste doel het ruimtelijk voorstelling en
redeneervermogen te ontwikkelen.
Kwalitatief meten: (begrippen) er zijn veel mensen er hangt geen waarde aan
Kwantitatief meten: (cijfers) ik ben 1,87 meter
Afpassen van maat:
- Er wordt een getal toegekend aan de meting kwantificeren
- Afpassen met een natuurlijke maat
Vb:
Hoeveel scheppen?
Hoeveel handjes?
Hoeveel bekers?
Hoeveel stappen?
Allerlei maten om mee af te passen: