Paragrafen:
- 1.2
- 2.1, 2.2
- 3.4, 3.5
- 5.7
- 6.1 t/m 6.8
- 9.3.1.5, 9.3.1.6, 9.3.2.2
- 10.7, 10.8
- 11.2.3, 11.2.4, 11.6.1
Paragraaf 1.2 (blz. 15 t/m 18)
De pedagogische opdracht voor school, spitst in 3 aspecten:
1. De taak van de school is om leerlingen voor te bereiden op het leven in de
democratische samenleving.
2. Relatie tussen onderwijs en levensbeschouwing.
3. De manier waarop volwassenen en kinderen in school met elkaar omgaan.
Paragraaf 2.1, 2.2 (blz 77 t/m 100)
Sociaal-culturele achtergrond: Ieder kind heeft zijn eigen leefwereld en brengt zijn eigen
ervaringen daaruit mee.
Om de beginsituatie te bepalen, heb je behalve onderzoekende houding ook kennis nodig
van het volgende:
- Situatie op school en In de groep.
- Leefwereld van de kinderen.
- Interesses en de belevingswereld van kinderen.
- De ontwikkeling van het kind.
Er is geen algemene beginsituatie. Je moet bijvoorbeeld rekening houden. Bij de
voorbereiding van je onderwijsactiviteiten, dat niet elk kind hetzelfde is. Doe je dit niet, dan
zal een gedeelte van de groep geen interesse meer hebben of de opdracht niet begrijpen.
Potentiële beginsituatie: Leraren verwachten een bepaalde beginsituatie.
Actuele beginsituatie: er is vastgesteld wat het kind kan.
Een realistische doelstelling moet aansluiten bij de vastgestelde beginsituatie en duidelijk
maken wat jij van belang vindt om kinderen te leren.
, Bij een activerende aanpak is de rol van de leraar niet lesgever, maar ook begeleider van
leerprocessen.
Verschillen tussen sociale milieus komen tot uitdrukking In de taal, samenstelling van
gezinnen, betrokkenheid van ouders, bij school, enzovoort.
Een sociaal culturele omgeving bestaat uit:
1. Etnische verschillen Gaat om het behoren tot een bepaalde bevolkingsgroep.
2. Sociale verschillen Gaat om het behoren tot een bepaalde maatschappelijke
groepering.
3. Culturele verschillen Scholen hebben verschillende culturen die tot uitdrukking
komen in normen en waarden.
Functioneel opvoeden: Nadruk ligt op de vanzelfsprekende dagelijkse omgang met
kinderen.
Intentioneel opvoeden: Sprake van doelgericht en sturend optreden en reflectie op de
opvoeding.
Onbewuste onbedoelde leerprocessen is het verborgen leerplan.
Distintietheorie: Iemands culturele smaak is geen persoonlijke voorkeur, maar in veel
gevallen een uiting van de groep waartoe hij behoort.
Hechting is belangrijk proces voor het zelfbeeld en zelfvertrouwen van het kind. Dit zorgt
voor een duurzame, effectieve band tussen jonge kind en de primaire verzorger.
Meningen over relatie tussen de sociale omgeving en succes op school zijn verschillend:
a. Oorzaak ligt bij de erfelijke aanleg.
b. Oorzaak ligt vooral In het onvermogen van de school.
c. Oorzaak ligt thuis.
d. Nature versus nurture.
Animisme: Kind geeft ziel aan levenloze dingen.
Altruïsme: Je kunt afleiden dat je egocentrisme niet als etiket moet hanteren, maar moet
beschouwen als een manier van kijken, denken en handelen.
Vanaf 5/6 jaar treden er lichamelijke veranderingen op. Al komt de realistische beleving aan
bod en wordt constructiemateriaal interessanter.
Van 8 tot 12 jaar staat de realiteit centraal. Ze willen verdiepen, sociale relaties nemen toe
en concreetheid is belangrijk. Ook komen de kinderen tot bepaalde hoogte van abstract
redeneren.
Sekserolgedrag: Er wordt verwacht dat meiden zich anders gedragen dan jongens.
Geslachtsconstanatie: Vanaf 6 jaar weet de jongens dat ze mannen worden en meisjes
vrouwen.