Week 1
Hoofdstuk 1
o Ontwikkelingspsychologie = brede, multidisciplinaire wetenschappelijke discipline met als
doel ontwikkeling te beschrijven, verklaren en te optimaliseren
o Ontwikkeling = de ordelijke, systematische voortgang en verandering over de life-span op
fysieke, biologische en/of psychologische gebieden als gevolg van biologische rijping en/of
leren
- 5 psychologische gebieden
1. Lichamelijk
2. Cognitief
3. Metacognitief
4. Sociaal
5. Emotioneel
- Ontwikkeling is een (dis)continu en cumulatief proces dat holistisch en zeer plastisch is
en sterk wordt beïnvloed door persoons- en omgevingsfactoren maar ook door de
historische en culturele context waarin het plaatsvindt
o Continu -> in elke leeftijdscategorie is er nog verandering, met als laatste
verandering de dood
o Cumulatief -> de verandering hopen elkaar op en hebben invloed op elkaar
o Holistisch -> kijkt naar de mens als fysiek, cognitief en sociaal persoon, waarbij
verandering binnen een component wordt aangestuurd door veranderingen in
een ander component
o Plastisch -> de bekwaamheid om te veranderen in reactie op positieve of
negatieve life-events
o Historische context -> historische gebeurtenissen hebben invloed op de
ontwikkeling, zoals oorlog of het ontstaan van het internet
o Culturele context -> er is geen beeld van ontwikkeling die accuraat is voor alle
culturen
- Verschillende fasen van ontwikkeling, zowel prenataal, perinataal en postnataal
Wat hoort ook bij ontwikkeling?
o Normatieve leeftijd gerelateerde invloeden -> biologische en omgevingsfactoren die horen bij
een bepaalde leeftijdsgroep (bv. puberteit of pensioen)
o Normatieve geschiedenis gerelateerde invloeden -> invloeden die horen bij een bepaalde
generatie of cohort, zoals technologische revoluties of klimaatcrisis
- Cohort = leeftijdsgenoten die zijn blootgesteld aan dezelfde omgevings- of historische
factoren
o Niet-normatieve life-events -> invloeden die grote impact kunnen hebben maar relatief uniek
zijn voor een individu, zoals de loterij winnen
o Twee belangrijke onderliggende processen in de ontwikkeling:
- Maturation/rijping = de biologische ontwikkeling van een individu gebaseerd op de
species en persoonlijke genetica
o Begint in de baarmoeder
o 1e jaar -> ga je lopen
o 11-15 jaar -> seksuele rijping
o Overlijden
, - Learning/leren = ervaringen zorgen voor permanenten veranderingen in onze gevoelens,
gedachtes en gedrag
Ontwikkelingsonderzoek; 3 doelen
o Beschrijven -> hoe veranderen mensen
- Normatieve ontwikkeling: typische patroon van ontwikkeling
- Ideografische ontwikkeling: individuele verschillen in verandering
o Uitleggen -> waarom hebben sommige mensen een ander patroon
- Beschrijven makkelijker dan uitleggen
o Optimaliseren -> ontwikkeling optimaliseren door toe te passen wat te hebben geleerd
- Kan pas na beschrijven en uitleggen
Onderzoeksstrategieën
o Wetenschappelijke methode -> gebruik van objectieve data, valide en betrouwbare
methoden om de levensvatbaarheid van theorieën of hypothesen te bepalen
- Valide = er wordt gemeten wat er moet worden gemeten
- Betrouwbaarheid = consistente informatie in de loop van tijd en door de jaren heen ->
levert dezelfde resultaten bij herhaalde metingen
- Objectief = iedereen die de data bekijkt komt tot dezelfde conclusie
Moet repliceerbaar zijn -> het onderzoek moet na te doen zijn
o Dataverzameling wordt gedaan aan de hand van:
- Zelfrapportage (vragenlijsten, interviews, dagboeken)
- Klinische methodes (dezelfde startvraag, maar respons van kind bepaalt de volgende
vraag)
- Observationele methoden (lab- of natuurlijke omgeving, in gestructureerde of
ongestructureerde vorm)
o Natuurlijk omgeving = observeren in hun gewone, dagelijkse omgeving
Mogelijk invloed van observator = gedragingen veranderen doordat er
iemand meekijkt
o Gestructureerd = in een setting worden geplaatst die mogelijk het gedrag opwekt
(en stiekem worden geobserveerd)
- Casestudies (n = 1)
- Etnografische methode (onderzoeker probeert te begrijpen door te leven met)
- Psychofysiologische methoden (meten van fysiologische processen en aspecten van
kinderen hun fysieke, cognitieve, sociale en emotionele gedrag; hersenactiviteit, hart,
e.d.)
- Time-sampling (gedrag wordt alleen opgenomen in specifieke, voorbestemde periodes)
o Research designs om factoren te onderzoeken
- Correlationeel design -> geen interventie, geen manipulatie, geen oorzaak specificeren
voor gevonden verbanden > informatie verzamelen om te onderzoeken of twee (of meer)
variabelen betekenisvol gerelateerd zijn
- Experimenteel design -> oorzaak-gevolg/effect relaties, manipulatie > onderzoek
manipuleert iets in de situatie en onderzoekt wat het effect is
o Onafhankelijke variabele -> het aspect in de situatie die manipuleert
o Afhankelijke variabele -> het aspect dat gemeten wordt in de situatie
o Confounding variabele -> een factor die niet gemeten wordt maar de samenhang
tussen 2 variabelen verklaart
o Experimental control -> stappen die ondernomen worden om bv. een confouning
variabele te voorkomen