a. Activiteiten ontwikkelen om marginale groepen te emanciperen.
b. Erop af gaan om met gemarginaliseerde groepen te spreken.
c. Armoede en sociale ongelijkheid bestrijden.
2. Wat bedoelen radicaal sociaal werkers met de utopie van de vrije markt?
a. Dat de vrije markt een groot goed is voor de kwaliteit van het sociaal werk.
b. Dat de vrije markt een bedreiging is voor de kwaliteit van het sociaal werk.
c. Dat het sociaal werk een utopie is geworden sinds de invoering van de vrije markt.
3. Als basisschool leraren staken en vragen om meer loon dan is dat een voorbeeld van?
a. Kritisch sociaal werk.
b. Beleid beïnvloeding
c. Radicaal sociaal werk
4. Wat wordt bedoeld met neoliberale consensus in het sociaal werk?
a. Dat sociaal werkers het eens zijn met het liberale marktdenken.
b. Een gedachtegang dat marktwerking in de zorg leidt tot kwalitatief betere zorg.
c. Dat sociaal werkers te veel consensus zoeken en te weinig kritisch zijn.
5. Bij het structureel sociaal werk heeft een trapsgewijze ontwikkeling plaatsgevonden die
het huidige verdelingsmechanismen in de samenleving ter discussie stelt.
Zet die ontwikkelen in de juiste volgorde:
a. Van kritisch sociaal werk, naar radicaal sociaal werk, naar beleid beïnvloeding.
b. Van radicaal sociaal werk, naar kritisch sociaal werk naar beleid beïnvloeding.
c. Van beleid beïnvloeding, naar kritisch sociaal werk naar radicaal sociaal werk.
6. Achter beleidsmaatregelen schuilt een ideologie. Esping-Anderson maakt onderscheid
tussen drie welvaart ideologieën.
Welke noemt hij niet?
a. Populisme
b. Conservatisme
c. Socialisme