Liquiditeit: de mate waarin een onderneming aan de kortlopende betalingsverplichtingen kan
voldoen.
Verschillende ratio’s om de liquiditeit uit te rekenen:
Current ratio: vlottende activa / kort vreemd vermogen. Norm = 1,5 of hoger
Quick ratio: vlottende activa – voorraden / kort vreemd vermogen. Norm = 1 of hoger
Solvabiliteit: de mate waarin een onderneming op het moment van faillissement aan haar
betalingsverplichting kan voldoen.
Aan de hand van de volgende ratio’s kunnen we iets zggen over de solvabiliteit
Debt ratio: vreemd vermogen / totaal vermogen. Norm = 0,7 of minder
Rentedekkingsfactor/ICR (interest coverage ratio): bedrijfsresultaat voor rente en
belastingen (EBIT) / intrestlasten. Norm = 2 – 5
De norm van de ICR hangt af van de sector en het risicoprofiel, maar er zijn algemene
richtlijnen:
- ICR minder als 1,5: zeer risicovol; bedrijf heeft moeite om rente te betalen
- ICR tussen 2 en 3: acceptabel maar kwetsbaar; er is enige buffer maar niet veel
- ICR meer als 3: gezond; bedrijf kan rente goed betalen, lage kans op
betalingsproblemen
- ICR meer als 5: zeer solide; sterke financiële positie
Rentabiliteit: de verhouding tussen winst en vermogen
‐ Hoe rendabel ben je? Hoeveel winst maak je voor elke geïnvesteerde euro?
‐ Hierbij kijk je naar de resultatenreking (winst/resultaat) en de balans (vermogen)
In de praktijk maken we onderscheid in:
‐ De prestaties van de organisatie in de vorm van de rentabiliteit op het totaal geïnvesteerde
vermogen (RTV), en
‐ De opbrengst voor de vermogensverschaffers in de vorm van:
- hoeveel rente moet aan de verschaffers van het vreemde vermogen worden betaald
(RVV), en
- wat blijft er uiteindelijk over voor de eigenaars (REV)
Rentabiliteitsformules:
Rentabiliteit totaal vermogen: bedrijfsresultaat of bedrijfswinst / gemiddeld geïnvesteerd
totaal vermogen x 100. Norm = meer als of gelijk aan 8%
Rentabiliteit eigen vermogen: nettowinst (voor of na belasting) / gemiddeld geïnvesteerd
eigen vermogen x 100. Norm = 10% – 20%
Rentabiliteit vreemd vermogen: interestlasten / gemiddeld geïnvesteerd vreemd vermogen x
100. Norm = minder als 5%
Gemiddeld kredittermijn: hoe lang duurt het voordat jouw klanten (debiteuren) jouw betalen?
Gemiddeld krediettermijn: gemiddeld debiteurensaldo (debiteuren begin van het jaar en eind
van het jaar bij elkaar optellen en delen door 2) / omzet op rekening x 365 dagen. Norm < 1
en 2 maanden (minder als of tussen 1 of 2 maanden)
Effectiviteit/efficiency, omloopsnelheid: hoeveel keer per jaar verkoop je je voorraad
Geeft aan hoeveel tijd het gemiddeld duurt voordat het gehele geïvesteerde vermogen via de omzet
weer is omgezet in geld. Hoe hoger de omloopsnelheid, hoe hoger de efficiëntie van je totale
vermogen. Een hoge omloopsnelheid geeft dus aan dat er meer vermogen beschikbaar is wat je kunt
investeren.
, Omloopsnelheid van het totale vermogen: omzet / gemiddeld totaal vermogen. Norm = 1,5
– 2,5
Hoe vaak wordt de voorraad volledig verkocht? Wat bedraagd de omloopsnelheid en omlooptijd van
de voorraad?
Omloopsnelheid voorraad: kostprijs van de omzet / gemiddelde voorraad.
Omlooptijd voorraad: gemiddelde voorraad / kostprijs van de omzet x 365 dagen.
Voor allebei de formules geld dat de norm verschilt per sector:
Hefboomeffect: door gebruik te maken van vreemd vermogen kan dit leiden tot extra rendement op
het eigen vermogen. Dit is het geval wanneer de RVV < RTV, dan is er sprake van een positieve
hefboomwerking.
Hefboomformule: REV = RTV + (RTV – IVV (interstlasten)) x VV / EV x 100%
Let op de volgorde van uitrekenen!:
Machtsverheffen, Vermenigvuldigen, Delen, Worteltrekken, Optellen, Aftrekken.
Ezelsbruggetje: Meneer Van Dalen Wacht Op Antwoord.
Conclusie: Als je gebruik maakt van vreemd vermogen dan kun je als eigenaar je eigen rendement
verhogen als jouw bedrijfsprestatie (RTV) hoger is dan wat je moet betalen (RVV).
Maar als de rente die je moet betalen over de schulden hoger is dan jij kunt verdienen met de
onderneming, dan hou je per saldo minder over.
We noemen dit verschijnsel: het financiële hefboomeffect.