Hoofdstuk 3
3.1
Je kunt inkomen uitgeven of sparen. Het verplaatsen van het
moment van de tijd waarop je je geld besteedt = ruilen over de
tijd.
3.2
Sparen is het niet uitgeven van een deel van het inkomen. Het
gespaarde geld zet je op een spaarrekening bij een bank, dan
vergoedt de bank vervolgens de rente over het geld. Waarom?
1. Je kan met het geld er op dat moment niets van kopen
2. De bank kan jou genoeg geld uitlenen aan mensen die nu juist
wel iets willen kopen, maar niet genoeg geld daarvoor hebben
3. De prijzen van de goederen en diensten die je koopt in de
loop van de tijd stijgen inflatie
Rente wordt alleen berekend over het bedrag dat op de rekening
staat, als je het bedrag aanpast, krijg je alleen rente over
het aantal maanden wat het op de rekening staat.
Als je je spaargeld op een rekening laat staan en je neemt de
rente die de bank er op het einde van het jaar bijschrijft niet
op, dan krijg je het volgende jaar naast de rente over het
oorspronkelijke bedrag ook weer rente op de rente
samengestelde interest
Formule rente:
Eindwaarden na n perioden = beginwaarde x (1+i)n
Procenten gebruikt voor veranderingen in grootheden die in
absolute grootte sterkt van elkaar verschillen, maar je toch
met elkaar kan vergelijken. Procentuele veranderingen
relatieve veranderingen
Gebruik van procentpunt om absolute verschil aan te geven
tussen waarden in procenten.
3.3
Je kunt geld lenen. Maar met dat geld kun je dan eerder kopen
wat je wil. Later betaal je het geld in gedeelten terug, zo
spreid je de betaling over een langere periode.
- Het terugbetalen van een lening noemen we aflossen.
- Je moet bij een winkel of bank rente betalen over je
geleende bedrag
- Er zijn voorwaarden voordat je een lening kunt afsluiten
op financieel gebied