Sociale psychologie (SP)= De studie van de manieren waarop gedachten, gevoelens, en gedragingen van
mensen worden beïnvloed door de (daadwerkelijke/voorgestelde) aanwezigheid van andere mensen.
Sociale invloed op iemand en hoe hierop wordt gereageerd.
Resultaat van relatie tussen mentale toestand en sociale situatie
Focust op waarom en individu
mentale interpretaties van de sociale wereld.
kijkt naar het individu in een sociale context, vooral naar construals
individuen binnen groepen.
Sociale beïnvloeding= De effecten van woorden, handelingen of zelfs aanwezigheid van anderen op een
persoon, de invloed van de directe omgeving op het individu.
construals= de manier waarop een individu de wereld om zich heen waarneemt, begrijpt en interpreteert
Sociale psychologie stromingen
1. Behaviorisme= bestuderen van observeerbaar gedrag i.p.v. de geest.
- Gedrag is een reactie op externe stimuli en elk gedrag is aangeleerd door conditionering.
2. Gestalt psychologie= het denken, voelen en doen van mensen wordt sterk beïnvloed door de situatie.
- Kurt Lewin
- Verschillende mensen reageerden verschillend op dezelfde situatie.
- nadruk construals
- naïef realisme= Men gelooft dat de manier waarom hij zelf de situatie interpreteert de enige juiste is.
De mens geleid door=
1. De nood op zich goed te voelen
2. De nood om accuraat te zijn en goede inschattingen te maken.
Soms botst deze met elkaar, bijv gemeen tegen iemand anders en ziet dit in.
Mens heeft behoefte hoog houden self-esteem, de zelfwaarde.
Sociale cognitie= de manier waarop mensen sociale informatie selecteren, interpreteren en herinneren om
keuzes te maken.
Omgeving beïnvloedt de gedachten, gevoelens en gedragingen van mensen
bijv. Je zelfvertrouwen in je academische vaardigheden wordt sterk beïnvloed door je omgeving.
Fundamentele attributiefout= iemands gedrag toeschrijven aan diegenens persoonlijkheid in plaats van
omgeving. ze is asociaal en ongezellig i.p.v. ze heeft net heel slecht nieuws gekregen.
Sociale interpretatie= De mens construeert eigen sociale realiteit (constructs), vaak interpretatie in termen van
persoonseigenschappen.
Antropomorfisme= niet menselijke actoren zien als menselijk, zoals het bedanken van AI.
Twee manier van informatie verwerken=
Gecontroleerd of automatisch
- Systemisch vs. heuristisch
- centraal vs. perifeer
- rationalistisch vs. experimenteel
- Systeem 1(lui) vs. systeem 2( wel overwogen)
Wanneer welk systeem ?
Het willen, hoe graag je iets wil
Het kunnen, genoeg cognitieve capaciteit of informatie
Schema’s en vuistregels
Hoofdstuk 13 vooroordelen, stereotypen en discriminatie
,13.1 vooroordelen
Vooroordeel= negatieve attitude naar mensen uit een afwijkende groep, puur gebaseerd op dat lidmaatschaap.
Elk vooroordeel heeft 3 componenten:
1. Cognitief = wat je denkt/je kennis – stereotypen
sociale categorisatie: heel snel onderscheid tussen gezichten van ingroup en outgroup.
2. Emotioneel = wat je voelt - vooroordelen
3. Gedrag = wat je doet - discriminatie
Het brein is geprogrammeerd om omgevingsstimuli te categoriseren om zo het leven te vergemakkelijken.
Stereotype= een generalisatie over een groep mensen waarin bepaalde eigenschappen aan alle leden van de
groep worden toegekend, geen rekening tussen werkelijke variatie. (cognitief vooroordeel)
Vooroordelen en bijhorende stereotypen dragen bij aan discriminatie = een onrechtvaardige negatieve of
schadelijke actie tegen een lid van een groep, alleen door dat lidmaatschap (gedrag vooroordeel)
- Illusoire correlatie= een verband tussen twee kenmerken die in werkelijkheid slechts zwak met elkaar
samenhangen kleinere groepen vallen meer op en hun gedrag wordt herinnert idee dat bepaalde
gedragingen vaker voorkomen bij deze groepen dan in werkelijkheid zo is.
Voorbeeld discriminatie= seksisme
Zachtaardig seksisme: positief stereotype vrouwen zijn aardiger
Vijandig seksisme: negatief stereotype vrouwen zijn minderwaardig.
13.2 ontdekken verborgen vooroordelen
Onderdrukt vooroordeel is wanneer mensen bewust zijn dat ze een vooroordeel hebben, maar het expres niet
uiten om verschillende redenen.
Bij een leugendetector vertellen ze het vaak wel, omdat ze denken dat hun echte gevoelens niet meer
kunnen verbergen.
Twee soorten vooroordelen
Expliciete= bewuste, openlijke oordelen die iemand toegeeft of makkelijk benoemt. Deze kunnen
onderdrukt worden, maar is er alsnog bewust van.
Impliciete= onbewuste associaties en vooroordelen die vaak buiten de bewuste controle liggen.
Mensen hebben niet door, want de vooroordelen komen voort uit automatische denkpatronen
gebaseerd op ervaringen, culturele invloeden of stereotypes shooterbias is impliciet.
Leugendetector en soorten vooroordelen
Onderdrukte expliciete vooroordelen: Deze komen vaker aan het licht.
(onderdrukte) Impliciete vooroordelen: worden subtieler gemeten, bijv. Impliciete Associatie Test
De IAT meet door te kijken hoe snel mensen concepten met positieve of negatieve woorden
associëren. Door snelle keuzes te vragen tussen combinaties van woorden en beelden.
de reactietijden geeft inzicht in de automatische associaties die mensen toch onbewust hebben.
13.3 de effecten van vooroordelen op het slachtoffer
Self-fulfilling prophecy (zelfvervullende voorspelling) = dat een verwachting over een groep ertoe kan leiden
dat mensen zich zo gedragen dat die verwachting uiteindelijk uitkomt.
Kan ontstaan door beide partijen=
wanneer leden van de meerderheidsgroep onbewust gedrag vertonen dat een stereotype bevestigt
door bijvoorbeeld minder kansen te bieden aan bepaalde groepen.
wanneer slachtsoffers van vooroordelen door de voortdurende blootstelling aan negatieve verwachting
zich minder zelfverzekerd gaan gedragen waardoor het vooroordeel waar wordt.
Voorbeeld is pygmalion-effect= waarbij de verwachtingen van leraren de prestaties van leerlingen positief of
negatief beïnvloeden. Ze hebben onbewust bepaalde verwachtingen van specifieke leerlingen.
Hogere verwachting zorgen voor betere prestaties.
Bedreiging van sociale identiteit= angst/bezorgdheid die mensen ervaren wanneer een negatief stereotyp over
hun sociale groep wordt geactiveerd of wanneer ze het gevoel hebben dat ze beoordeeld worden op basis van
, hun identiteit. Kan invloed hebben op gedrag en prestaties, want stress kan hen afleiden of onzeker maken.
Voorbeeld.
studenten van kleur gaan zich zorgen maken over het bevestigen van bestaande stereotypen gaan zich daar
druk over maken/stress wat onbewust leidt tot slechtere prestaties bestaande verschillen tussen groepen
in bijv. academische prestaties blijven voortbestaan.
13.4 oorzaken van vooroordelen
oorzaken factoren voor het ontwikkelen vooroordelen=
De sociale identiteit van een persoon vormt de basis om te oordelen: deel van het zelfbeeld is
gebaseerd op de identificatie met een groep, beroep, geloof, ect.
Etnocentrisme= het geloof dat iemands eigen etnische groep, natie of religie veel beter is dan de rest.
Mensen vormen een ingroup bias, waarbij leden van de ingroup> outgroup.
Slachtofferbeschuldiging= mensen hebben de neiging het slachtoffer van discriminatie
verantwoordelijk te houden voor het discriminerend gedrag van de ander.
Dit komt voort uit het geloof in een “rechtvaardige wereld” (belief in a just world): waarin mensen denken
dat iedereen krijgt wat je verdient. Dit helpt om ongemakkelijke gevoelens te vermijden, maar leidt dat men
slachtoffers onterecht de schuld geeft. bij verkrachting, de vraag: wat had ze aan?
Concurrentie, zoals beschreven in de realistische conflicttheorie= wanneer groepen moeten strijden
om banen, geld of status ontstaan spanningen. Deze rivaliteit versterkt negatieve houdingen tegenover
de andere groep, waardoor vooroordelen+discriminatie toenemen. Elke groep zorgt voor eigen
belangen.
Sociale categorisatie gebeurt binnen milliseconden, dit zorgt voor intergroup spanning.
Als mensen worden ingedeeld in groepen, vinden mensen hun eigen groep beter en worden ze daartoe
aangetrokken, terwijl dit op niks is gebaseerd. Soms zelfs spanning, vaak als er iets te winnen valt.
Mensen opdelen in hokjes begrippen=
Outgroup derogation (kleinering)= negatiever denken over andere groepen.
De studenten uit de andere werkgroep zijn dommer dan wij.
Ingroup favoritism= positiever denken over mensen in de eigen groep.
Onze werkgroep is veel leuker, socialer, beter.
Outgroup homogeniteit= iedereen uit de andere groep is hetzelfde.
De studenten uit de andere werkgroep zijn allemaal saai
Ingroup heterogeniteit= iedereen uit de eigen groep is anders.
De studenten uit onze werkgroep hebben allemaal verschillende hobby’s en passies.
Microagressie= sommige vooroordelen die uit subtiele gedragingen komen
Institutionele discriminatie= discriminerend gedrag tegen een minderheid op basis van kenmerken.
Discriminerend gedrag wordt vaak verstrekt door normatieve conformiteit= mensen passen hun gedrag aan
aan de groep zodat ze erbij horen. Ze doen het nogmaals, want eerste keer werd er niks over gezegd.
Cognitieve dissonantie= het ongemak dat ontstaat wanneer iemand tegenstrijdige overtuigingen heeft.
13.5 verminderen van vooroordelen
Verminderen van vooroordelen is moeilijk, want mensen hebben het zelf vaak niet door.
Verschillende meningen
1. John Bargh: pessimistisch, weinig vertrouwen in oplossing vooroordelen:
processen gaan automatisch en zijn oncontroleerbaar
2. Trish Devine: optimistischer: Vertrouwen in verminderen vooroordelen:
activatie van vooroordelen gaat automatisch, maar het gebruik hiervan is controleerbaar.
bewustzijn van vooroordelen kan discriminerend gedrag voorkomen=