3 fundamentele ideeën (geschiedenis)
1. Lichamelijke oorzaak van gedrag
- We bestaan uit een hoop cellen
- We hebben gevoelens, gedachten, emoties en bewustzijn> komt uit hersenactiviteit.
- Hoe is dit te verenigen?
Voor de 18e eeuw waren filosofie en religie sterk verbonden
Kerk: mensen bestaan uit twee entiteiten = mens bestaat uit:
1. Lichaam – materieel:
2. Ziel – immaterieel:
Dit concept noem je dualisme
Het materiële lichaam zou wetenschappelijk kunnen worden onderzocht, maar de ziel niet.
Dit mocht je niet ontkennen, maar toen René Descartes (1596-1650)
- Mening: honden hebben geen ziel, maar kunnen ook ademen, lopen, eten, spelen.
à Dus blijkbaar hebben we ziel alleen nodig voor puur menselijke handelingen, zoals
denken, taal, enz.
Hoe kan de denkende ziel reageren op het lichaam?
Pijnappelklier= Plaats van interactie tussen lichaam en ziel, hier beïnvloed de ziel het lichaam.
Dit beperkte dualisme van René heet cartesiaans dualisme en dit lijkt aantrekkelijk want:
- Het biedt ruimte voor wat we weten over zintuigen, zenuwstelsel
- Het biedt ruimte voor ons gevoel dat ‘er meer is’
Maar:
- Biedt maar zeer beperkte verklaringen
- Hoe kan een immaterieel iets interacteren met een materieel iets?
- Het plaatst onderwerpen buiten de wetenschap.
Thomas Hobbes (1588-1678)
- Mening: Alles is materieel, de ziel is een betekenisloos concept.
- à Dit wordt materialisme genoemd
- Alle menselijke gedragingen kunnen worden gezien als het resultaat van fysieke
processen (met name in de hersenen
- Dit wordt door de meeste neuropsychologen tegenwoordig gelooft
Paul Broca: Beetje starter cognitieve neurowetenschapen
- Ontdekt: Schade aan verschillende gebieden van de hersenen leidt tot verschillende
beperkingen in het gedrag.
- Gebied van Broca: bij schade aan dit gebied wordt allen spraak (avarsie) beperkt, geen
andere vaardigheden.
2. De rol van ervaringen.
Empirisme= Kennis en cognitie komen voort uit zintuigelijke ervaringen.
- Mens wordt geboren als tabula rasa: onbeschreven blad.
- Gedachten zijn niet het product van een ziel of vrije wil, maar een direct gevolg van
blootstelling aan de omgeving.
- Concepten nabij in plaats of tijd worden geassocieerd: association by cotiguity
, tegenovergesteld: Nativisme
- Er moet een mechanisme zijn voor waarneming, bewerking, opslag etc.
Immanuel Kant: twee vormen van kennis
1. A priori: aangeboren, leermechanismen, concepten als tijd en geluid
2. A posteriori: aangeleerd, ervaring
3. Rol van natuurlijke selectie.
= Proces waarbij organismen met gunstige eigenschappen meer overlevingskans hebben en zich
beter kunnen voortplanten waardoor deze eigenschappen worden doorgegeven aan de volgende
generatie.
- Hoe komen deze mechanismen tot stand, en waarom zijn ze er?
- Charles Darwin: soorten evolueren over generaties
Organismen verschillen in fitness door mutatieà grotere overlevingskans, die meer nageslacht
produceren geven hun genotype door.
The scope of psychologie, 8 perspectieven
Van waaruit alles verklaard kan worden
1. Evolutionaire psychologie en voortplanten
Voorbeeld. Kienden van 4-8 vaak zeer kieskeurig in voedselkeuze
2. Gedragsgenetica.
- Hoe groot is de bijdrage van de genen (erfelijke factoren) aan de variabiliteit van een
eigenschap?
3. Neurowetenschap/bio psychologie
- Welke delen van het zenuwstelsel betrokken bij welk gedrag
4. Ontwikkelingspsychologie
- Gedragsverandering met leeftijd (en onderliggende processen)
5. Leerpsychologie
- Verandering van gedrag door ervaring
6. Cognitieve psychologie
- Gedrag verklaren vanuit mentale processen (denken, overtuigingen, herinneringen;
bewust en onbewust).
7. Sociale psychologie
- Gedrag verklaren vanuit invloed van sociale omgeving: sociale druk.
8. Culturele psychologie
- Gedrag verklaren vanuit de cultuur waarin je leeft.