Frans
Grammatica
Regelmatige werkwoorden
A. tegenwoordige tijd (présent)
B. voltooid deelwoord (passé composé)
C. verleden tijd (imparfait)
D. toekomende tijd (futur)
E. verleden toekomende tijd (futur du passé / conditionnel)
F. extra opmerkingen (avoir, être, aller en wederkerende werkwoorden)
H. Baak 19-20
A. De tegenwoordige tijd (le présent)
, De tegenwoordige tijd van de werkwoorden die eindigen op –er:
parler spreken De tegenwoordige tijd van werkwoorden op –er wordt gevormd
je parle ik spreek door achter de stam de volgende uitgangen toe te voegen: -e, -es,
tu parles jij spreekt -e, -ons, -ez, -ent
il parle hij spreekt
nous parlons wij spreken Je vindt de stam door –er van de infinitief (= hele werkwoord)
vous parlez jullie spreken weg te halen
ils parlent zij spreken
De tegenwoordige tijd van de werkwoorden die eindigen op –ir
finir eindigen De tegenwoordige tijd van werkwoorden op –ir wordt gevormd
je finis ik eindig door achter de stam de volgende uitgangen toe te voegen: -is,
tu finis jij eindigt -is, -it, -issons, -issez, -issent
il finit hij eindigt
nous finissons wij eindigen Je vindt de stam door –ir van de infinitief weg te halen
vous finissez jullie eindigen
ils finissent zij eindigen
De tegenwoordige tijd van de werkwoorden die eindigen op –re
vendre verkopen De tegenwoordige tijd van werkwoorden op –re wordt gevormd
je vends ik verkoop door achter de stam de volgende uitgangen toe te voegen: -s, -s,
tu vends jij verkoopt --, -ons, -ez. -ent
il vend hij verkoopt
nous vendons wij verkopen Je vindt de stam door –re van de infinitief weg te halen
vous vendez jullie verkopen
ils vendent zij verkopen
oefening 1
Vertaal het werkwoord en zet het werkwoord in de tegenwoordig tijd:
1. donner = ………. nous donnons
2. choisir = ………. vous ………….
3. regarder = ………. tu ………….
4. rougir = blozen elles …………
5. chanter = ………. ils ………….
6. pâlir = bleek worden tu ………….
7. gagner = ………. tu ………….
8. trahir = bedriegen elles …………..
9. monter = instappen, stijgen elle …………..
10. grandir = groeien nous …………..
11. habiter = ………… j’ …………..
12. parler = ………… je …………..
15. finir = ………… elle ……………
17. écouter = ………… nous ……………..
18. danser = ………… vous ……………..
2
Grammatica
Regelmatige werkwoorden
A. tegenwoordige tijd (présent)
B. voltooid deelwoord (passé composé)
C. verleden tijd (imparfait)
D. toekomende tijd (futur)
E. verleden toekomende tijd (futur du passé / conditionnel)
F. extra opmerkingen (avoir, être, aller en wederkerende werkwoorden)
H. Baak 19-20
A. De tegenwoordige tijd (le présent)
, De tegenwoordige tijd van de werkwoorden die eindigen op –er:
parler spreken De tegenwoordige tijd van werkwoorden op –er wordt gevormd
je parle ik spreek door achter de stam de volgende uitgangen toe te voegen: -e, -es,
tu parles jij spreekt -e, -ons, -ez, -ent
il parle hij spreekt
nous parlons wij spreken Je vindt de stam door –er van de infinitief (= hele werkwoord)
vous parlez jullie spreken weg te halen
ils parlent zij spreken
De tegenwoordige tijd van de werkwoorden die eindigen op –ir
finir eindigen De tegenwoordige tijd van werkwoorden op –ir wordt gevormd
je finis ik eindig door achter de stam de volgende uitgangen toe te voegen: -is,
tu finis jij eindigt -is, -it, -issons, -issez, -issent
il finit hij eindigt
nous finissons wij eindigen Je vindt de stam door –ir van de infinitief weg te halen
vous finissez jullie eindigen
ils finissent zij eindigen
De tegenwoordige tijd van de werkwoorden die eindigen op –re
vendre verkopen De tegenwoordige tijd van werkwoorden op –re wordt gevormd
je vends ik verkoop door achter de stam de volgende uitgangen toe te voegen: -s, -s,
tu vends jij verkoopt --, -ons, -ez. -ent
il vend hij verkoopt
nous vendons wij verkopen Je vindt de stam door –re van de infinitief weg te halen
vous vendez jullie verkopen
ils vendent zij verkopen
oefening 1
Vertaal het werkwoord en zet het werkwoord in de tegenwoordig tijd:
1. donner = ………. nous donnons
2. choisir = ………. vous ………….
3. regarder = ………. tu ………….
4. rougir = blozen elles …………
5. chanter = ………. ils ………….
6. pâlir = bleek worden tu ………….
7. gagner = ………. tu ………….
8. trahir = bedriegen elles …………..
9. monter = instappen, stijgen elle …………..
10. grandir = groeien nous …………..
11. habiter = ………… j’ …………..
12. parler = ………… je …………..
15. finir = ………… elle ……………
17. écouter = ………… nous ……………..
18. danser = ………… vous ……………..
2