Paragraaf 1.
- Referentiekader: het geheel van kennis, ideeën, ervaringen en
overtuigingen waaruit iemand denkt en handelt.
• Maakt hoe je naar de wereld kijkt.
• Iemands kijk op de wereld kan verschillen op basis van
ervaringen.
KC Identiteit: het beeld dat iemand van zichzelf heeft, dat zij uitdraagt
en andere voorhoudt en dat zij kenmerkend en blijvend beschouwt voor
haar eigen persoon. Het is afgeleid van haar perceptie over de groep(en)
waar zij wel of juist ook niet deel van uitmaakt.
- De definitie van identiteit bestaat uit drie aspecten: persoonlijk,
sociaal en collectief.
Drie aspecten van identiteit:
- Persoonlijke identiteit: beeld dat iemand van zichzelf heeft,
zelfbeeld.
• Het is de vraag op, wie ben ik? Hoe zien andere mij?’
• Bij het opgroeien en ouder worden spelen belangrijke anderen
een belangrijke rol in de ontwikkeling van iemands zelfbeeld.
• Hoe je jezelf uitdraagt bepaalt mede hoe anderen over jou
denken. Je draagt een eigenschap dus uit → anderen nemen
dat waar en vormen een menig over jou.
• Je vraagt jezelf af; hoe zien anderen mij → vorm je ook beeld
van jezelf.
- Sociale identiteit: beeld dat iemand heeft van zichzelf in bepaalde
groepen en categorieën waar zij deel uitmaakt.
• het is de vraag op; bij wie hoor ik?
• de sociale identiteit kan de persoonlijke identiteit versterken.
• door te laten zien dat je onderdeel bent van een groep kunnen
mensen hun sociale identiteit uitdragen.
- Collectieve identiteit: gaat om het beeld van een groep.
• antwoord op; welke beelden bestaan er van groep?
• kan een groep zijn waar je deel van uitmaakt of niet.
• Je kunt zelf hockeyen en een beeld van hockeyers hebben, maar
mensen die niet hockeyen kunnen ook een beeld van hockeyers
hebben.
,- Externe collectieve identiteit: beeld van een groep die als blijvend en
kenmerkend voor die groep wordt beschouwd.
→ mensen hebben verwachtingen over het gedrag van anderen met een
bepaalde identiteit. Ook van landen.
De vorming van identiteit:
- Je identiteit wordt tijdens je opvoeding gevormd door omgang met
andere mensen.
- Eerste stap is je naam, later gaan ook vrienden en media een
belangrijke rol spelen.
- Door omgang met anderen wordt het beeld dat iemand van zichzelf
heeft bepaald door de groepen waar zij toe behoort en waar zij
zichzelf bij vindt horen.
➔ Identiteit kan daarom worden gezien als ‘kruispunt’ van
zelfbeeld en groepsbinding. Een voorbeeld hiervan is gender.
- Het besef van genderidentiteit leidt zowel tot ontwikkeling
zelfbeeld als tot ontwikkeling gevoel groepslidmaatschap. →
stimuleert identificatie.
Spanningen bij identiteit:
- Beelden en verwachtingen van iemands identiteit kunnen ook tot
spanningen leiden.
- Zo verwachten we vaak dat het voor artsen normaal is om een
gezonde levensstijl te hebben. Een arts die rookt, zal dit misschien
stiekem doen i.p.v. openlijk bij collega’s. Er is dan spanning tussen
de sociale identiteit en persoonlijke identiteit van de arts.
- Een voorbeeld van de spanningen tussen persoonlijke identiteit en
externe collectieve identiteit is wanneer iemand bij een bepaald
groep hoort, maar die groep een slechte naam krijgt → kan leiden
tot loyaliteitsconflict: wil jij nog wel met die groep geassocieerd
worden?
- Ook kan het zijn dat groepen eisen dat mensen hun persoonlijke
identiteit opgeven en dat alleen de identiteit van de groep mag
gelden. Dit zie je vaak bij: sektarische groepen, criminele bendes en
terreurgroepen.
- Verandering van identiteit kan ook spanningen oproepen, dat zie je
bv bij immigranten. In het ontvangende land worden vaak externe
collectieve identiteiten aan de nieuwkomers toegekend. → Deze
identiteiten kunnen negatief en stigmatiserend zijn, er kunnen
slechte dingen worden gezegd over nieuwkomers.
- Deze externe collectieve identiteit kan ook het effect zijn van
sterke wij-zij-gevoelens. Mensen zoeken dan een groep om zich
tegen af te zetten om hun eigen identiteit te versterken.
, - Wanneer van nieuwkomers in een land wordt verwacht dat zij zich
volledig aanpassen, botsen de collectieve, sociale en persoonlijke
identiteit.
➔ Nieuwkomers moeten bv hun warden en normen achterlaten.
- De externe collectieve identiteit die wij aan iemand koppelen kan
gevolgen hebben voor de positie die iemand in de maatschappij
heeft.
➔ Bv: beeld van bepaalde migrantengroep, dat ze niet bereid zijn
om te werken. Zo kan de collectieve identiteit sociale
ongelijkheid versterken en in stand houden.
Verandering van identiteit:
- Soms veranderd identiteit tijdens een mensen leven, als je later
terugkijkt op een fase in je leven kan je daar heel anders over
denken dan toen. Je identiteit is dan dus weer veranderd.
- Verandering kan ook optreden wanneer iemand een baan, partner of
kinderen krijgt. Niet alleen is de eerdere sociale identiteit dan
minder nuttig, ook minder belangrijk geworden.
- We zien in moderne samenlevingen een verschuiving van het belang
van sociale naar persoonlijke identiteit. Ieder individu moet zijn
eigen individuele wil, voorkeur en persoonlijkheid ontwikkelen.
- Ook sociale identiteiten moeten zo persoonlijk en authentiek
mogelijk vorm krijgen.
- Wie je bent wordt mede beïnvloed door wie je denkt dat je mag zijn
volgens anderen.
➔ Heeft weer te maken met je referentiekader.
Paragraaf 2.
KC Socialisatie: het proces van overdracht en verwerving van cultuur van
groepen en de samenleving waar mensen toe behoren. Het proces bestaat
uit opvoeding, opleiding en andere vormen van omgang met anderen.
Elementen van socialisatie:
- Socialisatie bestaat uit twee delen:
• Proces van overdracht: mensen brengen de cultuur van een
groep/samenleving over aan nieuwkomers.
➢ Mensen proberen anderen zich te laten gedragen zoals
van hen verwacht wordt in die groep/samenleving.
➢ Socialisatoren: de mensen/groepen mensen die een
cultuur overdragen.
• Proces van verwerving: maken mensen zich met cultuur van
groep/samenleving eigen.
➢ Mensen nemen de waarden en normen die ergens bij
horen over en internaliseren ze.
→internaliseren: een cultuur eigen maken.
, - Effect internaliseren: mensen leven volgens de cultuur van een
groep zonder dat ze zich hier heel bewust van zijn of controle nodig
hebben.
- Het verwerven van cultuur vindt in diverse levensfasen plaats.
- Socialisatie is dus net zo goed een proces dat voor behoud van
cultuur zorgt als dat het voor verandering van cultuur leidt.
Informeel:
- Socialisatie verloopt echter vaak ook op vanzelfsprekende/
informele manier door contact met anderen.
- We hebben vaak de neiging gedrag te imiteren en over te nemen
van mensen op wie we denken te lijken of op wie we willen lijken.
Rituelen:
- Rituelen zijn nuttig voor het overdragen en verwerven van cultuur.
- Een ritueel bestaat uit handelingen die regelmatig terugkeren en
die een bepaalde betekenis hebben voor een persoon/groep.
- Een ritueel geeft structuur aan gedrag waardoor het aanleren ervan
eenvoudiger wordt.
- Voorbeelden: begroeting, teamvergaderingen, (NL) feestdagen.
Nature – nurture:
- Nature: aangeboren eigenschappen.
• Biologische factoren, genetische, aangeboren → gaat over
verklaring van eigenschappen en gedrag gebaseerd op nature.
- Nurture: aangeleerd gedrag.
• Omgevingsfactoren, maatschappelijke oorzaken, sociale
interactie → gaat om verklaring van eigenschappen en gedrag
gebaseerd op nurture.
Nature-nurture-debat:
- De vraag of eigenschappen van mensen meer worden bepaald door
natuur of cultuur.
- Complex samenspel van: erfelijke aanleg, menselijke biologie,
omgevingsfactoren.
Paragraaf 3.
KC Cultuur: het geheel van voorstellingen, uitdrukkingsvormen,
opvattingen, waarden en normen die mensen als lid van
groep/samenleving hebben verworven.
Cultuurelementen:
- Wat mensen in hun hoofd meedragen:
• Waarden: idealen, zoals gelijkheid, vrijheid en veiligheid.
• Opvattingen: ideeën, wat je vindt, je gedachten over iets.
• Voorstellingen: beelden, ideeën, verhalen die mensen hebben
over een gebeurtenis.