Week 1 – Marktevenwicht en efficiëntie
Eerste fundamentele stelling van de welvaartseconomie (FTWE)
De toewijzing van commodities in een concurrerend evenwicht is Pareto efficiënt.
- Falen van de Eerste Fundamentele Stelling van de Welvaartseconomie: overheidsingrijpen
kunnen helpen om marktfalen te corrigeren en daarmee tot efficiëntere allocatie te komen
1. First FTWE faalt, als de markt faalt.
a. Kan komen door imperfecte concurrentie, asymmetrische informatie, aanwezigheid
van externaliteiten, slecht gedefinieerde property rights of imperfecte rationaliteit
van individuen
Als de voorwaarden voor de eerste stelling niet voldoen, kunnen overheidsingrijpen wenselijk zijn om
de Pareto-efficiëntie te herstellen:
1. Onvolmaakte concurrentie kan antitrustregulering vereisen
2. Onvolledige of asymmetrische informatie kan een verplichte verzekering vereisen
3. Externaliteiten kunnen interventie vereisen (Pigouviaanse belastingen/subsidies, voorziening
van openbaar goed, cap and trade)
4. Slecht gedefinieerde eigendomsrechten vereisen een efficiënt rechtssysteem
5. Begrensde rationaliteit kan overheidsingrijpen vereisen om individuen te helpen 'juiste'
beslissingen te nemen
Tweede fundamentele stelling van de welvaartseconomie (FTWE)
Elke Pareto-efficiënte toewijzing kan worden bereikt door herverdeling door middel van
geïndividualiseerde lump-sum belastingen, d.w.z. niet-verstorende belastingen die zijn gebaseerd op
de exogene kenmerken van individuen (endowments) en niet op gedrag.
- Falen van de tweede fundamentele stelling van de welvaartseconomie: verstorend
overheidsbeleid is nodig om de gewenste mate van inkomensgelijkheid te bereiken
Waarom niet toepasbaar in de prakrijk; wat betekent dit voor de redistributie van de overheid?
Volgens de tweede fundamentele stelling van de welvaartseconomie zou de overheid een Pareto-
efficiënte allocatie van middelen kunnen bereiken door op de juiste wijze geïndividualiseerde
lumpsum belastingen en overdrachten in te stellen.
In werkelijkheid kan de overheid de exogene kenmerken van individuen niet observeren en kan ze
daarom geen geïndividualiseerde forfaitaire belastingen instellen. De implicatie is dat als de overheid
wil herverdelen van rijk naar arm, ze een beroep moet doen op verstorende belastingen, zoals
inkomstenbelastingen. Dit leidt tot een afweging tussen rechtvaardigheid en efficiëntie.
1. Second FTWE faalt, omdat in de praktijk de overheid niet de belangrijke/benodigde
informatie heeft om individuele lump sum taxes te maken.
a. Overheid kan geen exogene karakteristieken observeren en kan ze daardoor geen
belastingen daarop instellen.
b. Daardoor moet de overheid vertrouwen op belastingen die gebruik maken van
‘observable’ endogene karakteristieken zoals inkomen to affect the allocation of
resources.
- als MRS > MRT kan het nut worden verhoogd door minder te produceren;
- Als MRS < MRT, kan het nut worden vergroot door meer te produceren
, Week 2 – Tax Incidence
Inkomenseffect: een hoger nettoloon verhoogt het besteedbaar inkomen, waardoor de consumptie
van zowel grondstoffen als vrije tijd toeneemt ⇒ een lager arbeidsaanbod
Substitutie-effect: een hoger nettoloon verhoogt ook de prijs van vrije tijd ten opzichte van
grondstoffen, wat leidt tot een substitutie-effect weg van vrije tijd en in de richting van goederen ⇒
een hoger arbeidsaanbod
• Het inkomenseffect meet het effect van een hoger besteedbaar inkomen – voor een bepaald
loon na belastingen.
• Het substitutie-effect meet het effect van een stijging van het nettoloon – voor een bepaald
nutsniveau (= een gegeven indifferentiecurve). Het substitutie-effect wordt daarom ook wel
een gecompenseerd effect genoemd.
• Hogere werknemersbelastingen worden gedeeltelijk verschoven naar werkgevers door een
hoger loontarief vóór belastingen
o intuïtief: een hogere werknemersbelasting vermindert het arbeidsaanbod, waardoor
de lonen stijgen
• Hogere werkgeversbelastingen worden gedeeltelijk verschoven naar werknemers door een
lager loon vóór belastingen
o intuïtief: een hogere werkgeversbelasting vermindert de vraag naar arbeid, waardoor
de lonen dalen
• Perfect elastische vraag ed → ∞ ⇒ belastingdruk volledig aan de aanbodzijde (werknemers)
• Perfect elastisch aanbod es → ∞ ⇒ belastingdruk volledig aan de vraagzijde (werkgevers)
• Volkomen inelastische vraag ed = 0 ⇒ belastingdruk volledig aan de vraagzijde (werkgevers)
• Perfect inelastisch aanbod es = 0 ⇒ belastingdruk volledig aan de aanbodzijde (werknemers)
➔ Een arbeidsbelasting die door werkgevers wordt betaald, is gelijk aan een
arbeidsinkomstenbelasting die door werknemers wordt betaald
• Als één kant van de markt volkomen elastisch is, weten we dat die kant geen enkel deel van
de belastingdruk kan dragen.
• Is een kant volkomen inelastisch, dan draagt het de gehele belastingdruk.
• Gevraagd: wat wordt gemeten met de uncompensated net-wage elasticity of labor supply;
𝑑𝑙 𝑤
o = 𝑒 𝑠 = 𝑑𝑤 𝑙
o Percentage increase in labor supply in response to a one-percent increase in the net
wage.
o Uncompensated → account for both substitution and income effects
• Efficiëntie kosten worden bepaald door de compensated elasticity, niet de uncompensated.
o Reden is dat inkomenseffecten voortkomen uit elke transactie van werkende naar de
overheid. Maakt niet uit hiervoor of het komt uit verstorende of niet verstorende
belastingen. Dus zijn inkomenseffecten irrelevant voor de efficiëntie kosten van
belastingen.
• Hoe groter de compensated elasticity, hoe meer verstorend de income tax is en dus hoe
groter de marginal costs van de income tax.
Eerste fundamentele stelling van de welvaartseconomie (FTWE)
De toewijzing van commodities in een concurrerend evenwicht is Pareto efficiënt.
- Falen van de Eerste Fundamentele Stelling van de Welvaartseconomie: overheidsingrijpen
kunnen helpen om marktfalen te corrigeren en daarmee tot efficiëntere allocatie te komen
1. First FTWE faalt, als de markt faalt.
a. Kan komen door imperfecte concurrentie, asymmetrische informatie, aanwezigheid
van externaliteiten, slecht gedefinieerde property rights of imperfecte rationaliteit
van individuen
Als de voorwaarden voor de eerste stelling niet voldoen, kunnen overheidsingrijpen wenselijk zijn om
de Pareto-efficiëntie te herstellen:
1. Onvolmaakte concurrentie kan antitrustregulering vereisen
2. Onvolledige of asymmetrische informatie kan een verplichte verzekering vereisen
3. Externaliteiten kunnen interventie vereisen (Pigouviaanse belastingen/subsidies, voorziening
van openbaar goed, cap and trade)
4. Slecht gedefinieerde eigendomsrechten vereisen een efficiënt rechtssysteem
5. Begrensde rationaliteit kan overheidsingrijpen vereisen om individuen te helpen 'juiste'
beslissingen te nemen
Tweede fundamentele stelling van de welvaartseconomie (FTWE)
Elke Pareto-efficiënte toewijzing kan worden bereikt door herverdeling door middel van
geïndividualiseerde lump-sum belastingen, d.w.z. niet-verstorende belastingen die zijn gebaseerd op
de exogene kenmerken van individuen (endowments) en niet op gedrag.
- Falen van de tweede fundamentele stelling van de welvaartseconomie: verstorend
overheidsbeleid is nodig om de gewenste mate van inkomensgelijkheid te bereiken
Waarom niet toepasbaar in de prakrijk; wat betekent dit voor de redistributie van de overheid?
Volgens de tweede fundamentele stelling van de welvaartseconomie zou de overheid een Pareto-
efficiënte allocatie van middelen kunnen bereiken door op de juiste wijze geïndividualiseerde
lumpsum belastingen en overdrachten in te stellen.
In werkelijkheid kan de overheid de exogene kenmerken van individuen niet observeren en kan ze
daarom geen geïndividualiseerde forfaitaire belastingen instellen. De implicatie is dat als de overheid
wil herverdelen van rijk naar arm, ze een beroep moet doen op verstorende belastingen, zoals
inkomstenbelastingen. Dit leidt tot een afweging tussen rechtvaardigheid en efficiëntie.
1. Second FTWE faalt, omdat in de praktijk de overheid niet de belangrijke/benodigde
informatie heeft om individuele lump sum taxes te maken.
a. Overheid kan geen exogene karakteristieken observeren en kan ze daardoor geen
belastingen daarop instellen.
b. Daardoor moet de overheid vertrouwen op belastingen die gebruik maken van
‘observable’ endogene karakteristieken zoals inkomen to affect the allocation of
resources.
- als MRS > MRT kan het nut worden verhoogd door minder te produceren;
- Als MRS < MRT, kan het nut worden vergroot door meer te produceren
, Week 2 – Tax Incidence
Inkomenseffect: een hoger nettoloon verhoogt het besteedbaar inkomen, waardoor de consumptie
van zowel grondstoffen als vrije tijd toeneemt ⇒ een lager arbeidsaanbod
Substitutie-effect: een hoger nettoloon verhoogt ook de prijs van vrije tijd ten opzichte van
grondstoffen, wat leidt tot een substitutie-effect weg van vrije tijd en in de richting van goederen ⇒
een hoger arbeidsaanbod
• Het inkomenseffect meet het effect van een hoger besteedbaar inkomen – voor een bepaald
loon na belastingen.
• Het substitutie-effect meet het effect van een stijging van het nettoloon – voor een bepaald
nutsniveau (= een gegeven indifferentiecurve). Het substitutie-effect wordt daarom ook wel
een gecompenseerd effect genoemd.
• Hogere werknemersbelastingen worden gedeeltelijk verschoven naar werkgevers door een
hoger loontarief vóór belastingen
o intuïtief: een hogere werknemersbelasting vermindert het arbeidsaanbod, waardoor
de lonen stijgen
• Hogere werkgeversbelastingen worden gedeeltelijk verschoven naar werknemers door een
lager loon vóór belastingen
o intuïtief: een hogere werkgeversbelasting vermindert de vraag naar arbeid, waardoor
de lonen dalen
• Perfect elastische vraag ed → ∞ ⇒ belastingdruk volledig aan de aanbodzijde (werknemers)
• Perfect elastisch aanbod es → ∞ ⇒ belastingdruk volledig aan de vraagzijde (werkgevers)
• Volkomen inelastische vraag ed = 0 ⇒ belastingdruk volledig aan de vraagzijde (werkgevers)
• Perfect inelastisch aanbod es = 0 ⇒ belastingdruk volledig aan de aanbodzijde (werknemers)
➔ Een arbeidsbelasting die door werkgevers wordt betaald, is gelijk aan een
arbeidsinkomstenbelasting die door werknemers wordt betaald
• Als één kant van de markt volkomen elastisch is, weten we dat die kant geen enkel deel van
de belastingdruk kan dragen.
• Is een kant volkomen inelastisch, dan draagt het de gehele belastingdruk.
• Gevraagd: wat wordt gemeten met de uncompensated net-wage elasticity of labor supply;
𝑑𝑙 𝑤
o = 𝑒 𝑠 = 𝑑𝑤 𝑙
o Percentage increase in labor supply in response to a one-percent increase in the net
wage.
o Uncompensated → account for both substitution and income effects
• Efficiëntie kosten worden bepaald door de compensated elasticity, niet de uncompensated.
o Reden is dat inkomenseffecten voortkomen uit elke transactie van werkende naar de
overheid. Maakt niet uit hiervoor of het komt uit verstorende of niet verstorende
belastingen. Dus zijn inkomenseffecten irrelevant voor de efficiëntie kosten van
belastingen.
• Hoe groter de compensated elasticity, hoe meer verstorend de income tax is en dus hoe
groter de marginal costs van de income tax.