Paragraaf 3.1 - Kennismaking met India en Groot-Brittannië.
★ Rond 1900 was Groot-Brittannië een wereldrijk en een van de machtigste landen ter
wereld.
- Het Britse imperialisme hielp economische groei van Groot-Brittannië.
- Industrialisatie + bevolkingsgroei in GB = grotere behoefte aan grondstoffen
en afzetmarkten.
- India werd een exploitatiekolonie van het Britse rijk als Brits-Indië.
- Door het imperialisme werden in Brits-Indië niet alleen de Britse economische
en politieke macht uitgebreid, maar ook een eigen cultuur opgelegd aan de
bevolking → invoering Britse onderwijs- en rechtssysteem, cultuur en taal
- Twee soorten koloniën:
● Exploitatiekolonie: kolonie die dient als leverancier van goedkope
grondstoffen en arbeidskrachten voor het moederland en als
afzetgebied van producten uit moederland.
● Vestigingskolonie: kolonie waar kolonisten zich blijvend vestigen.
★ Vlak na WOII werd India onafhankelijk:
- Door de dekolonisatie verloor Groot-Brittannië haar grip op Brits-Indië en viel
het land uiteen in vier landen:
● India, Sri Lanka, Pakistan en Bangladesh.
- India werd een democratische republiek met een eigen grondwet en bleef wel
lid van het Britse Gemenebest.
- Ondanks de dekolonisatie bleven nog veel sporen na uit de koloniale tijd →
typische Britse gewoonten, Engels als officiële 2e taal, veel Indiërs emigreren
naar Groot-Brittannië om een beter bestaan op te bouwen → Groot-Brittannië
werd een multiculturele samenleving.
★ Groot-Brittannië is tussen 1800 en 2000 sterk verstedelijkt:
- Snelle verstedelijking door Industriële revolutie:
● beginpunt: uitvinding stoommachine.
● arbeiders trokken van platteland naar stad.
- De Indiase steden tonen een duidelijke tweedeling:
● rijkere mensen wonen in gated community’s
● de arme stadsbevolking woont in slums → veel zijn van platteland
naar stad getrokken in de hoop op een beter bestaan.
★ Na WOII raakte de zware industrie in Groot-Brittannië in verval:
- Reden:
● arbeiders waren te duur geworden
● concurrentie van lagelonenlanden was groot
● strengere milieuwetgeving
, - Groot-Brittannië veranderde in een diensteneconomie → dat had gevolgen:
● dienstverlenende bedrijven vestigden zich liever in steden
→ metropool: vestigingsplaats multinationals.
● bedrijven zoeken een aantrekkelijke en levendige omgeving en
hoogopgeleid personeel.
- Hoge werkloosheid en dalende inkomsten door:
● migratie van kansrijke bewoners
● laagopgeleide achterblijvers
★ Het verschil tussen booming London en de rest van Groot-Brittannië steeds groter:
→ regionale ongelijkheid neemt toe.
- grote bedrijven in de stad trekken veel hoogopgeleiden aan.
- Binnen Londen ook meer sociale ongelijkheid: de welvarende hoogopgeleide
klasse staat tegenover een grote groep laagopgeleiden met dalende
inkomens.
★ Economie van India:
- Na de dekolonisatie werkte India met een planeconomie: de overheid
bepaalde wat, waar en hoeveel er geproduceerd moest worden. →
gevolgen:
● stijging staatsschuld
● corruptie
● bureaucratie
- Na 1990 kreeg India een vrijemarkteconomie waarin buitenlandse bedrijven
welkom waren.
- Vanaf 2000 stelde India sez’s in: gebied waar buitenlandse bedrijven zich vrij
mogen vestigen en weinig belasting betalen.
- Voordelen vrijemarkteconomie in India voor multinationals:
● lage belastingen
● goede infrastructuur
● jonge, goedopgeleide, hardwerkende, Engelssprekende
beroepsbevolking
● relatief lage arbeidskosten
● enorme binnenlandse afzetmarkt en stijging koopkracht
- Nadelen sez:
● boeren raken landbouwgrond kwijt
● alleen banen voor goedopgeleide middenklasse
Paragraaf 3.2 - Welvaart en ontwikkeling.
★ Hoe hoger de welvaart, hoe meer een land ontwikkeld is:
- Ontwikkelingskenmerken (indicatoren voor ontwikkeling):
● bnp per inwoner: hoe hoger bnp per inwoner, hoe hoger welvaart
● beschikbaarheid basisbehoeften (huisvesting, gezondheidszorg,
voedsel en onderwijs)
● geboortecijfer
● levensverwachting