Aantekeningen Over de grenzen van Disciplines H1
Wetenschap = Een kennis-systeem. Kennis, methode, instituties.
Geschiedenis sociale wetenschappen. Late start (2e helft 19e eeuw). De
eerste sociologen willen weten hoe ze de maatschappij zo efficiënt
mogelijk kunnen inrichten.
- 19e eeuw Opkomst wetenschappen.
- Eerste helft 20e eeuw disciplinevorming vindt plaats, jij bent
socioloog, jij bent psycholoog, etc.
- Tweede helft 20e eeuw Verzelfstandiging vindt plaats, je wordt
gezien als professioneel.
- Begin 21e eeuw Wetenschap en maatschappij/ politiek raken
verstrengeld. Interdisciplinaire samenwerkingsverbanden. Anders
dan de eerste helft van 20e eeuw, werken we nu dus samen met alle
disciplines.
Max Weber (1919). Belangrijke socioloog. Hij dacht na over hoe kennis
zuiver en betrouwbaar kon zijn, hij zei dat we hiervoor onafhankelijk
moeten zijn.
Robert Merton (20e eeuw). CUDOS.
C: Communalism, kennis is het product van gemeenschappelijke activiteit.
We doen het met elkaar.
U: Universalism, criteria ware kennis zijn universeel en onpersoonlijk.
D: Disinterestedness, wetenschap niet om de roem of de eer.
S: Organized Skeptcism, ik geloof je pas als het echt bewezen is. kritische
blik.
O: Origainality, zorg ervoor dat je ook een keer wat nieuws te vertellen
hebt. Wetenschap/ onderzoek moet nieuwe kennis voortbrengen.
Ontologie, zijnsleer = wat is er in de wereld? Waaruit bestaat de
(sociale)werkelijkheid?
Epistemologie = Wat kan ik weten?
Methodologische = onderzoeksmethoden.
Ontologie
Monisme v/s dualism
Monisme = er is slechts een substantie met eventueel meerder
verschijningsvormen.
Spinoza. Lichaam en geest verschijningsvormen van dezelfde
(goddelijke) substantie, doen en laten gedetermineerd, geen vrij wil.
Alles bestaat dus uit God.
Marx. De werkelijkheid bestaat uit materiele prosessen. Alles komt
voort uit die productieprocessen. Onze relatie is bepaald door de
geschiedenis van productieprocessen. Er is wel een vrije wil.
Neurowetenschappers (Swaab). Wij zijn niets anders dan fysieke,
biologische mechanismen. Het denken wordt bepaald door
, elektrochemische materiele processen. We worden bepaald door ons
lichaam, er is dus geen vrije wil.
Dualism = lichaam en geest zijn twee heel verschillende dingen.
Descartes. Lichaam is uitgebreid en deelbaar, je kan bijvoorbeeld je
arm verliezen. De geest is niet uitgebreid en niet deelbaar, je kan
niet een deel van je geest verliezen. Het is een wisselwerking via de
pijnappelklier. Mens heeft vrije wil.
Chalmers. Het zijn twee verschillende dingen. Bewustzijn logisch
autonoom t.o.v fysische processen waaruit het voorkomt. Gat tussen
subjectieve ervaring en objectieve processen.
Dualisme tussen mens en maatschappij. Durkheim. De maatschappij
beïnvloed de mens. Sociale feiten oefenen controle uit over het individu,
de universiteit kan invloed op jou als individu uitoefenen bijvoorbeeld. Een
institutie kan dus invloed uitoefenen op jou.
Epistemologie
Wat is kennis? Hoe weet ik of mijn kennis van de wereld waar is en
betrouwbaar?
Epistemische claim:
- Doet aanspraak op waarheid, zus of zo is het geval.
- Wordt geschraagd door 1 of meer rechtvaardigingen.
- Elke rechtvaardiging kan zelf weer een epistemische claim zijn, die
op zijn beurt wordt geschraagd door rechtvaardigingen.
Searl’s paradox = Ontologie en epistemologie komen samen. Hoe kunnen
dingen die objectief bestaan alleen bestaan dankzij het feit dat wij ze
erkennen als feit? geld of huwelijk. Het bestaan van geld (ontologie) zit
in de epistemologische claims.
Methodologie
Welke methoden om kennis te nemen van de wereld? Iedere methode
veronderstelt ontologische en epistemologische keuzes.
(deel c hoorcollege)
Positivisme (goed kennen!) = gaat uit van ware, observeerbare feiten.
Empirisch georiënteerd/ niet-speculatief. Het is gericht op causale
verbanden, als A is geobserveerd, dan volgt daaruit B. Er wordt gebruik
gemaakt van het meetmethode experiment, het doel van dit experiment is
voorspellen.
, Deductief-nomologish model = verklaring gedrag afgeleid uit algemene
wetten. Hier zit een covering law theory achter, op bepaald gedrag te
begrijpen wordt een beroep gedaan op achterliggende causale wetten
(bijv. frustratie-agressie hypothese, bystander effect).
Voordelen positivisme:
Nauwkeurigheid. Suggestie van precisie en volledigheid.
Lijkt op natuurwetenschappen.
Vooruitgang in kennis.
Nadelen positivisme:
Wetten voldoen niet altijd: hoe kan dat?
Menselijk gedrag misschien niet gedetermineerd?
Hermeneutiek = gaat uit van intenties, betekenissen en historische
processen. Onderzoek naar betekenisverlening en ontcijfering. Gericht op
het vinden van verbanden/ regelmatigheden i.p.v. wetten. Begrijpen i.p.v.
voorspellen. Contingentie i.p.v. vooruitgang.
Voordelen hermeneutiek:
Suggestie van levensechtheid.
Lijkt aan te sluiten bij belevingswereld.
Laat verandering toe.
Nadelen hermeneutiek:
Oncontroleerbaar
Intenties niet kenbaar?
Wetenschap = Een kennis-systeem. Kennis, methode, instituties.
Geschiedenis sociale wetenschappen. Late start (2e helft 19e eeuw). De
eerste sociologen willen weten hoe ze de maatschappij zo efficiënt
mogelijk kunnen inrichten.
- 19e eeuw Opkomst wetenschappen.
- Eerste helft 20e eeuw disciplinevorming vindt plaats, jij bent
socioloog, jij bent psycholoog, etc.
- Tweede helft 20e eeuw Verzelfstandiging vindt plaats, je wordt
gezien als professioneel.
- Begin 21e eeuw Wetenschap en maatschappij/ politiek raken
verstrengeld. Interdisciplinaire samenwerkingsverbanden. Anders
dan de eerste helft van 20e eeuw, werken we nu dus samen met alle
disciplines.
Max Weber (1919). Belangrijke socioloog. Hij dacht na over hoe kennis
zuiver en betrouwbaar kon zijn, hij zei dat we hiervoor onafhankelijk
moeten zijn.
Robert Merton (20e eeuw). CUDOS.
C: Communalism, kennis is het product van gemeenschappelijke activiteit.
We doen het met elkaar.
U: Universalism, criteria ware kennis zijn universeel en onpersoonlijk.
D: Disinterestedness, wetenschap niet om de roem of de eer.
S: Organized Skeptcism, ik geloof je pas als het echt bewezen is. kritische
blik.
O: Origainality, zorg ervoor dat je ook een keer wat nieuws te vertellen
hebt. Wetenschap/ onderzoek moet nieuwe kennis voortbrengen.
Ontologie, zijnsleer = wat is er in de wereld? Waaruit bestaat de
(sociale)werkelijkheid?
Epistemologie = Wat kan ik weten?
Methodologische = onderzoeksmethoden.
Ontologie
Monisme v/s dualism
Monisme = er is slechts een substantie met eventueel meerder
verschijningsvormen.
Spinoza. Lichaam en geest verschijningsvormen van dezelfde
(goddelijke) substantie, doen en laten gedetermineerd, geen vrij wil.
Alles bestaat dus uit God.
Marx. De werkelijkheid bestaat uit materiele prosessen. Alles komt
voort uit die productieprocessen. Onze relatie is bepaald door de
geschiedenis van productieprocessen. Er is wel een vrije wil.
Neurowetenschappers (Swaab). Wij zijn niets anders dan fysieke,
biologische mechanismen. Het denken wordt bepaald door
, elektrochemische materiele processen. We worden bepaald door ons
lichaam, er is dus geen vrije wil.
Dualism = lichaam en geest zijn twee heel verschillende dingen.
Descartes. Lichaam is uitgebreid en deelbaar, je kan bijvoorbeeld je
arm verliezen. De geest is niet uitgebreid en niet deelbaar, je kan
niet een deel van je geest verliezen. Het is een wisselwerking via de
pijnappelklier. Mens heeft vrije wil.
Chalmers. Het zijn twee verschillende dingen. Bewustzijn logisch
autonoom t.o.v fysische processen waaruit het voorkomt. Gat tussen
subjectieve ervaring en objectieve processen.
Dualisme tussen mens en maatschappij. Durkheim. De maatschappij
beïnvloed de mens. Sociale feiten oefenen controle uit over het individu,
de universiteit kan invloed op jou als individu uitoefenen bijvoorbeeld. Een
institutie kan dus invloed uitoefenen op jou.
Epistemologie
Wat is kennis? Hoe weet ik of mijn kennis van de wereld waar is en
betrouwbaar?
Epistemische claim:
- Doet aanspraak op waarheid, zus of zo is het geval.
- Wordt geschraagd door 1 of meer rechtvaardigingen.
- Elke rechtvaardiging kan zelf weer een epistemische claim zijn, die
op zijn beurt wordt geschraagd door rechtvaardigingen.
Searl’s paradox = Ontologie en epistemologie komen samen. Hoe kunnen
dingen die objectief bestaan alleen bestaan dankzij het feit dat wij ze
erkennen als feit? geld of huwelijk. Het bestaan van geld (ontologie) zit
in de epistemologische claims.
Methodologie
Welke methoden om kennis te nemen van de wereld? Iedere methode
veronderstelt ontologische en epistemologische keuzes.
(deel c hoorcollege)
Positivisme (goed kennen!) = gaat uit van ware, observeerbare feiten.
Empirisch georiënteerd/ niet-speculatief. Het is gericht op causale
verbanden, als A is geobserveerd, dan volgt daaruit B. Er wordt gebruik
gemaakt van het meetmethode experiment, het doel van dit experiment is
voorspellen.
, Deductief-nomologish model = verklaring gedrag afgeleid uit algemene
wetten. Hier zit een covering law theory achter, op bepaald gedrag te
begrijpen wordt een beroep gedaan op achterliggende causale wetten
(bijv. frustratie-agressie hypothese, bystander effect).
Voordelen positivisme:
Nauwkeurigheid. Suggestie van precisie en volledigheid.
Lijkt op natuurwetenschappen.
Vooruitgang in kennis.
Nadelen positivisme:
Wetten voldoen niet altijd: hoe kan dat?
Menselijk gedrag misschien niet gedetermineerd?
Hermeneutiek = gaat uit van intenties, betekenissen en historische
processen. Onderzoek naar betekenisverlening en ontcijfering. Gericht op
het vinden van verbanden/ regelmatigheden i.p.v. wetten. Begrijpen i.p.v.
voorspellen. Contingentie i.p.v. vooruitgang.
Voordelen hermeneutiek:
Suggestie van levensechtheid.
Lijkt aan te sluiten bij belevingswereld.
Laat verandering toe.
Nadelen hermeneutiek:
Oncontroleerbaar
Intenties niet kenbaar?