Paragraaf 5.1 – De renaissance.
Nieuw mens- en wereldbeeld:
- De Italiaanse stedelijke elites kregen een nieuw mens- en wereldbeeld:
➢ In de middeleeuwen werd de mens gezien als slecht en zondig.
➢ Wereld was door god geschapen maar daarna in handen geraakt van duivel.
➢ Daarom moest men zich van wereld afwenden en zich richtten op god en
hiernamaals.
- Ook Italiaanse kunstenaars en hun opdrachtgevers in de 15e en 16e eeuw zagen god als een
schepping, maar zij genoten van de schoonheid ervan:
➢ Ze geloofden dat de mens Gods schepping moest volmaken.
➢ De mens moest zich niet afwenden van de natuur maar hem perfectioneren.
- Ze hadden belangstelling voor de oudheid, toen kunstenaars de natuur ook hadden willen
perfectioneren.
Navolging van de oudheid:
- De Italiaanse kunstenaars bestudeerden het klassiek erfgoed, de nalatenschap van de Grieks-
Romeinse cultuur (ruïnes en beeldhouwwerken).
- Ze probeerden de klassieke kunst te evenaren en te overtreffen. Ze meenden dat ze de
grootheid van de oudheid lieten herleven. → daarom ‘Renaissance’
- De tijd tussen oudheid en renaissance noemden kunstenaars de middeleeuwen.
- In de tijd van de renaissance begon de vroegmoderne tijd.
- De grote bouwmeester van de vroege renaissance: Brunelleschi.
- Brunelleschi:
➢ Ontdekker perspectief en diepte.
➢ Verbeterde de oudheid
- Ontdekking perspectief droeg ook bij aan vernieuwing schilderkunst.
- Leonardo da Vinci:
➢ Maakte realistische, driedimensionale schilderijen. (Kunstenaars bestudeerde natuur
om zo perfect mogelijk te maken)
➢ Sneed in lijken om te zien hoe menselijk lichaam in elkaar zat.
➢ Maakte tekeningen van skeletten en lichaamsdelen.
- Dit soort onderzoek was een voorbeeld van de nieuwe wetenschappelijke belangstelling die
begon te ontstaan.
- Ook beeldhouwers onderzochten anatomie, houdingen en gezichtsuitdrukkingen.
- Een hoogtepunt werd het werk van Michelangelo: zijn gebeeldhouwde figuren zagen er
mooier dan levensecht uit.
- Beeldhouwers en schilders werden niet meer gezien als ambachtslieden, maar als
kunstenaars.
- Geleerden gingen de oudheid bestuderen.
- Humanisten vonden de vrijheid en waardigheid van mens belangrijk. Bestudeerden klassieke
teksten om hun betekenis te begrijpen. Ook opzoek naar verloren teksten.
,Verspreiding over Europa:
- In de 16e eeuw werd de renaissance over Europa verspreid:
➢ Italiaanse kunstenaars en humanisten traden in dienst van Europese vorsten
➢ Buitenlanders reisden naar Italië en keerden terug met nieuwe ideeën.
- Het humanisme ontwikkelde zich in ten noorden van de Alpen wel anders dan in Italië:
landen daar hadden nauwelijks een klassiek verleden. Het humanisme richtte zich er niet op
herleven van klassieke oudheid, maar op wedergeboorte oorspronkelijke christendom.
- Belangrijkste vertegenwoordiger van christelijk humanisme: Erasmus.
- Door zijn studie van christelijke teksten uit de oudheid, ontdekte hij dat veel van wat de kerk
leerde, niets met het zuivere christendom te maken had.
- Om het geloof te zuiveren, vertaalde hij het nieuwe testament. → Hij constateerde toen dat
de bijbel, die de kerk gebruikte vol fouten zat.
- Zijn kritiek op misstanden in de samenleving uitte Erasmus onder meer in het satirische boek
‘’lof der zotheid’ in 1511.
Paragraaf 5.2 – De Europese expansie.
Het ontstaan van de ontdekkingsreizen:
- In 1415 veroverde Portugal Ceuta. Vanuit Ceuta hadden islamitische strijders 700 jaar eerder
Spanje en Portugal veroverd.
- De christenen hadden sinds de 11e eeuw bijna alles veroverd
- Nu begon de uitbreiding van activiteiten ven Europeanen buiten Europa: Europese expansie.
- Portugezen voeren na de verovering van Ceuta langs de Afrikaanse westkust naar het zuiden.
- Ze waren op zoek naar goud en wilden weten waar het goud vandaan kwam.
- Met hun ontdekkingsreizen op de Atlantische oceaan kwamen Portugezen steeds zuidelijker.
Na 1450 voeren ze om West-Afrika heen en vonden de herkomst van het goud aan de
Goudkust.
- Na de ontdekking van de goudkust wilden de Portugezen naar Indië, zoals Europeanen Zuid-
en Oost-Azië noemden.
- Uit Indië kwam via Arabische tussenhandelaren al eeuwen kostbare koopwaar naar Europa (
zijde en peper) .
- Portugezen hoopten op enorme winsten als ze die zelf konden halen → ze zouden om Afrika
heen moeten varen.
- In 1488 bereikten ze de zuidpunt van Afrika → de Portugese koning noemde de plek Kaap de
Goede Hoop → hij hoopte dat de rijkdommen van Indië nu voor het grijpen lagen.
- In 1492 leek het erop dat de Spanjaarden eerder waren: Columbus ontdekte Canarische
eilanden. (Hij dacht dat hij de route naar Indië had ontdekt→ dus werd Amerika lange tijd
West-Indië/ de West genoemd)
- Azië werd Oost-Indië/ de Oost genoemd.
- Amerigo Vespucci voer omstreeks 1500 in Portugese dienst naar het westen en verkende de
kust van Brazilië. Later trok hij de conclusie dar er een nieuw werelddeel was ontdekt, dat hij
de Nieuwe Wereld noemde. → later Amerika.
- Intussen hadden de Portugezen de zeeweg naar Indië wel ontdekt.
, - In 1498 voer Vasco da Gama langs kaap de Goede Hoop en de Afrikaanse oostkust naar India.
Vandaar bereikten de Portugezen in 1510 Indonesië en later ook China en Japan.
- De Spanjaarden vonden in 1522 via een totaal andere route Indië ook.
Europese expansie in het oosten:
- De ontdekkingsreizen vormden het begin van de Europese overzeese expansie.
- De Portugezen waren militair superieur aan de Aziaten. Toch wilden de Portugezen geen
grote gebieden veroveren → China, Japan en andere Aziatische rijken waren daarvoor te
sterk.
- In plaats daarvan namen ze langs de kust kleine gebieden in bezit en bouwden factorijen.
- Omstreeks 1550 had Portugal er zo’n 50 van Oost-Afrika tot Japan.
Europese expansie in het westen:
- De Portugezen bedreven ook handel aan kusten van West-Afrika. (goud, ivoor, slaven)
- De Afrikaanse slaven werden naar Brazilië gebracht, dat de Portugezen koloniseerden vanaf
1530. Na hun vestiging stichtten de Portugezen er grote plantages en landbouwbedrijven.
(Indiaanse en Afrikaanse slaven)
- Na de ontdekkers kwamen Spaanse veroveraars naar Midden- en Zuid-Amerika. Met gemak
onderwierpen ze daar de Inheemse bevolking:
Bevolkingen in Midden- en Zuid-Amerika:
➢ Jager-verzamelaars en boeren.
➢ Indianen → leefden in hoogontwikkelde landbouwstedelijke samenlevingen.
➢ In tijd van Columbus→ Azteken een groot rijk in Mexico.
➢ De Inca’s hadden een groot rijk in Peru.
- Deze volken hadden goud en zilver, daarom besloten de Spanjaarden om deze rijken te
veroveren.
- Deze veroveringen door Spaanse legertjes waren door een aantal oorzaken succesvol:
➢ Indianen maakten weinig kans tegen de wapens van Spanje.
➢ De indianen waren doodsbang voor paarden.
➢ De Spanjaarden werden geholpen door indiaanse volken die door de Azteken en
Inca’s werden onderdrukt.
➢ De indianen waren niet bestand tegen ziekten die de Europeanen meebrachten.
Binnen een eeuw kwam het grootste deel van indianen door epidemieën om het
leven.
- Er kwam een migratie op gang van Spaanse mannen die naar deze Spaanse koloniën
verhuisden. Doordat deze landverhuizers kinderen kregen bij indiaanse vrouwen ontstond
een etnisch gemengde bevolking.
- Zo begon het Europees kolonialisme in Amerika. Spanje en Portugal werden moederlanden
die gingen heersen over koloniën om eraan te verdienen. → Spanjaarden verdienden veel
aan zilvermijnen en plantages.