Week 1 - Inleiding Sociale Ethiek
Verschil tussen sociologie en sociale ethiek:
Sociologie beschrijft en verklaart hoe maatschappijen en groepen functioneren, terwijl
sociale ethiek voorschrijft hoe mensen zich zouden moeten gedragen binnen die
samenleving, met de nadruk op welzijn en rechtvaardigheid voor de gemeenschap.
You cannot derive an “ought” from an “is”. - David Hume 1739. ‘Ought’ = wat zou moeten
zijn, ‘is’ = dat wat is. Dat wat is in de praktijk (onderzocht binnen de sociologie), zegt niets
over hoe de praktijk zou moeten zijn (sociale ethiek). Je kunt een ‘moet’ niet uit een ‘is’
afleiden. Er is een kloof tussen feiten (what is) en waarden (what ought to be).
Ethiek gaat over de vraag: ‘Wat is goed handelen?’ Socrates is de eerste die zich dit
afvroeg. Sociale Ethiek gaat over het bestuderen van de samenleving. ‘Hoe ziet die eruit?’
→ Daar gebruiken we de sociologie voor. ‘Wat vinden we daarvan?’ → Dat is ethiek.
Week 2 - Het goede doen
Hoofdstuk 3: zorgend zijn wij in Nederland
Martin Heidegger:
De vraag die we volgens Heidegger moeten stellen = Wat betekent het dat iets ‘is’?
Volgens Heidegger betekent ‘mens zijn’ ook ‘in de wereld zijn’. Wij (de mens) ervaren
onszelf als het centrum en zijn van daaruit betrokken op de wereld, de dingen, de planten en
de dieren. Wij als mensen kunnen onszelf niet loskoppelen van de wereld. Volgens
Heidegger is de mens het enige wezen dat zich bewust is van zijn eigen erfelijkheid. Ook dat
maakt dat we op een heel andere manier ‘in de wereld zijn’.
De begrippen ‘betrokkenheid’ en ‘zorgen voor’ zijn twee centrale begrippen in de filosofie
van de Duitse filosoof Martin Heidegger. Hij duidt hiermee de specifieke wijze van bestaan
van de mens aan. In ons ‘zijn’ zijn we op de eerste plaats bekommerd om ons eigen
bestaan. Onze grondhouding, de wijze waarop we in de wereld zijn, noemt Heidegger
daarom ‘zorgend’. Je moet bij ‘zorg’ dan niet zozeer denken aan een activiteit (aan iets wat
je doet), maar meer aan de manier waarop we door te leven ‘betrokken zijn’. De vraag
waarom we zorgen, hoeven we volgens Heidegger daarom ook niet te stellen; het is onze
‘zijnstoestand’. De betrokkenheid bij onszelf noemt Heidegger ‘zelfzorg’. ‘Zorg’ is de
fundamentele wijze van zijn van de mens. Ook als mens moet je altijd met anderen zijn.
We moeten om te bestaan voor onszelf, de ander en de wereld zorgen. Wie vanuit zorg
handelt, doet iets met een bepaalde intentie, is betrokken en voelt zich verbonden. Zorgen is
de bestaansgrond van ons wezen, die duidelijk maakt op welke manier we in de wereld zijn.
Zonder zorg zijn we nergens; zorgend zijn we in de wereld. Dat zorgende, betrokken-zijn is
wat ons mens maakt.
, Aristoteles: Wat is het goede?
De deugdethiek komt van Aristoteles, Het gaat over de kwaliteiten die
we als mens hebben, draait om de juiste houding. Ook wel het engeltje
en het duiveltje.
Deugdethiek: probeert iets te zeggen over onze kwaliteiten als mens.
In de deugdethiek draait alles om de juiste houding.
Het goede is bij Aristoteles iets wat ieder mens spontaan als
nastrevenswaardig beschouwt. Het ontwikkelen van de juiste houding
staat centraal. Het gaat over de vraag over welke kwaliteiten je moet
beschikken om in elke situatie de juiste keuze te kunnen maken. De
deugdethiek hanteert geen regels of plichten waaraan we ons dienen te houden. Elke
situatie is uniek, dat vraagt andere acties per situatie. Dus geen regels over wat het goede
is.
In alles wat we doen, streven we een bepaald doel na. Geluk is het (intrinsieke) einddoel.
Aristoteles noemt dit 'zelfverwezenlijking'. Dit komt tot uiting door het kiezen van het midden
tussen twee uitersten. De deugden zijn ook intrinsieke doelen. Een deugd is een positieve
persoonlijke eigenschap of ethisch goede gedraging, zoals moed, eerlijkheid of
rechtvaardigheid. Ze fungeren als een moreel kompas. De deugden zijn goed in zichzelf en
helpen je bij het vervolmaken van je leven. Volgens Aristoteles is de mens daarom pas
gelukkig als hij deugt. → Gelukkig zijn is eerder ‘gelukt zijn’. Je bent ‘gelukt’ als je je
potenties en mogelijkheden als mens hebt verwerkelijkt.
Hoe wordt ik gelukkig? → door een goed leven te leiden → maar wat is een goed leven?
Aristoteles onderscheidt twee soorten deugden:
- De intellectuele deugden (zoals verstandigheid en wijsheid)
- De karakterdeugden (zoals moed, zorgzaamheid, rechtvaardigheid en
vriendelijkheid).
De deugd is de juiste manier of de juiste maat om met je emoties om te gaan. Volgens
Aristoteles moeten de karakterdeugden altijd onder leiding staan van de intellectuele
deugden: je hebt je verstand nodig om te bepalen wat in elke situatie de juiste manier of de
juiste maat is. Omdat de deugd de juiste maat is, zit hij tussen een te veel en een tekort in.
De deugd is het perfecte midden.
Wat is een goed mens? → Een redelijk mens. Aristoteles: Een mens dat met redenen zijn
handelen afstemt en precies dat doet wat op dat moment het goede is. Dit is onmogelijk,
maar het gaat erom dat je als mens daar naar streeft. Je moet dus zo veel mogelijk
deugdzaam zijn. Om deugdzaam te handelen moet je in het midden zitten.
Tekort Deugd Teveel
Lafheid Moed Overmoed of roekeloosheid
Benepenheid Matigheid Mateloosheid/gulzigheid
Onaardig Vriendelijkheid Vleierij
,Onverschilligheid Betrokkenheid Bemoeizucht
Ongevoelig Compassie Overgevoelig
Nalatigheid/ongevoeligheid Hulpvaardigheid/zorgzaamheid Bemoeizuchtig/overbezorgd
Als sociaal werker heb je een houding die gebaseerd is op veel soorten deugden. Er is één
deugd die alle deugden overstijgt; praktische wijsheid. Praktische wijsheid bestaat uit
kennis, uit weten hoe je die kennis moet toepassen en uit de vaardigheid om die kennis om
te zetten in de juiste handelingen. Je kunt de algemene bepalingen, normen en waarden
ijken aan een specifieke situatie.
Praktisch wijs is hij die weet wat hem in een bepaalde situatie te doen staat. Sociale
professionals dienen in elke situatie opnieuw een inschatting te maken van wat het juiste is
om te doen, hierbij alle relevante regels, wetten en conflicterende belangen te betrekken en
de gevolgen van hun interventies in te schatten. Maar soms moeten ze juist nadenken of de
heersende norm of waarde of datgene wat van hen gevraagd wordt wel de moeite van het
naleven waard is. Het betekent dat sociale professionals niet blind kunnen varen op regels
en wettelijke kaders wanneer ze voor een dilemma staan. En daar is moed voor nodig.
Zorgethiek:
Zorgethiek is eigenlijk een nieuwe vorm van deugdethiek. Hier staat de zorg centraal; zorg is
een deugd die typisch is voor ons mensen en dat zou centraal moeten staan in alle ethiek.
De zorgethische benadering is een stroming die aan het einde van de twintigste eeuw
opkwam en een alternatief probeerde te bieden voor de toen heersende ethiek.
Zorgzaamheid zegt iets over de mate van betrokkenheid bij de ander en is de centrale
deugd in de hedendaagse zorgethiek. Alle menselijke handelingen en houdingen kunnen
we, volgens Heidegger, in principe beschrijven vanuit de mate waarin iemand zorg heeft
voor hetgeen hij doet. De zorgethiek is niet geboren uit de filosofie, maar uit de psychologie
uit kritiek op een onderzoek van Kohlberg.
Kohlberg deed onderzoek naar de morele ontwikkeling van kinderen. Dit
onderzoek betrof het volgende ethisch dilemma:
“De vrouw van Heinz is ernstig ziek en heeft een heel duur medicijn nodig
dat Heinz niet kan betalen. Zonder dat medicijn gaat de vrouw van Heinz
dood. De apotheker wil geen korting geven of een betalingsregeling met
hem treffen. Mag Heinz dit medicijn stelen?”
De antwoorden kwamen van 85 jongens en resulteerden in drie niveaus van
redeneren:
1. Preconventioneel niveau Het denken over de kwestie wordt bepaald door het
eigenbelang. → ‘Heinz mag niet stelen, want dan
kan hij straf krijgen.’
2. Conventioneel niveau Het denken over de kwestie wordt bepaald door de
relationele betrekkingen, gewoontes, tradities en
wetten. → ‘Het is verkeerd om te stelen.’
3. Postconventioneel niveau Het denken over de kwestie wordt bepaald door het
, eigen geweten en universele ethische principes
worden kritisch getoetst. → ‘Je mag niet stelen,
maar soms mag het wel als je er iets nog ergers
mee kunt voorkomen.’
Kohlberg dacht dat hij nu een objectief meetinstrument in handen had om het morele niveau
van alle kinderen, jongens en meisjes te testen. Bijna alle meisjes bleven hangen op niveau
2 en werd geconcludeerd dat ze achterblijven in de morele oordeelsvorming.
Carol Gilligan toonde aan dat het onderzoek was gebaseerd op verkeerde
aannames. Het meetinstrument was ontwikkeld uit de data van alleen jongens
en daarmee sluit je alle andere manieren van morele besluitvorming buiten.
Gillian ontdekte dat jongens veel rationeler zijn en vrouwen veel gevoeliger zijn
voor de manier van communiceren. Gillian laat in het onderzoek zien dat
meisjes een ‘andere waardeschaal’ hanteren, waarbij communicatie,
responsiviteit en relaties belangrijker zijn dan het redeneren op basis van regels
en principes. Vrouwen redeneren vanuit een relationeel en zorgperspectief.
Hiermee is het fundament gelegd voor de 'zorgethische benadering’ → de
zorgethiek. De zorgrelaties tussen man en vrouw zijn zo fundamenteel voor ons
leven en dit kunnen we niet weglaten uit een ethisch schema. Gillian liet hiermee ook een
feministische boodschap zien.
Als het vrouwelijk perspectief dus een ander perspectief is dan dat van mannen, dan zegt
dat niet zozeer iets over ‘vrouwelijkheid’ of ‘mannelijkheid’, maar de plaats die mannen en
vrouwen innemen in sociale praktijken. We groeien op in een cultuur en onze identiteit komt
in dialoog met anderen tot stand. Simone de Beauvoir: “Vrouwen zijn niet als vrouw geboren,
maar worden tot vrouw gemaakt.”
Joan Tronto (1952) is de invloedrijkste ethicus in de zorgethiek en definieert
‘zorg’ heel breed: ‘Zorg is een activiteit die alles omvat wat we doen om onze
“wereld” in stand te houden, voort te zetten en te herstellen zodat we er zo
goed mogelijk in kunnen leven’. Zorg is dus geen activiteit, maar een houding.
Zorgdeugden, we zijn zorgend in de wereld en dat is fundamenteel voor wie wij
zijn. Dit gaat verder dan alleen zorgrelaties. Het gaat ook over politieke
kwesties als bijvoorbeeld zorgen voor de wereld. Je leeft niet volgens de
algemene leefregels of omdat iets je plicht is, maar omdat je om iets of iemand
geeft en betrokken bent. Aristoteles zou zeggen dat het je plicht is om te zorgen. Tronto zegt
dat je vanuit betrokkenheid gaat zorgen.
Een zorgrelatie komt pas tot stand als de een oog heeft voor de behoeftigheid van de ander.
Dus ethiek begint bij kinderen pas op latere leeftijd wanneer je je om anderen zorgen gaat
maken. Tronto verdeeld zorgen in vier fasen:
1. Caring about → Zich zorgen maken, zich bekommeren en bezorgd zijn.
2. Taking care of → Zorgen dat. Eerst afvragen ‘Kan ik daar wat aan doen?’ en dan
ook in actie komen.
3. Caregiving → Zorg geven. Er moet voorzien worden van de juiste zorg.