§1 ‘’koning en parlement’’
Wat was de machtsverhouding tussen koning en parlement voor 1845?
Willem I voegde in 1815 Nederland, België en Luxemburg samen tot het Verenigd Koninkrijk
der Nederlanden. Willem I maakte toen ook een grondwet, hierdoor werd Nederland een
constitutionele monarchie, omdat de macht van de koning (monarch) ook in de grondwet
(constitutie) stond beschreven. Maar deze grondwet gaf de koning veel macht en het
parlement erg weinig.
Koning moest voorstellen van ministers goedkeuren.
Koning benoemd leden Eerste Kamer. Hij benoemde met name vrienden tot lid van
de Eerste Kamer.
Provinciale Staten – leiders van de provincies – (bestond met name uit vrienden van
de koning) kozen leden van de Tweede Kamer.
België wilde afhankelijk worden, maar Willem I wilde dit niet. Dus voerde Willem I oorlog met
de Belgen, vervolgens gaven andere Europese landen aan dat Willem I moest stoppen.
Willem I wilde zich niet toegeven, toen liet hij 10 jaar lang een leger bij de Belgische grens
staan. Door de hoge kosten van dit leger ging Nederland bijna failliet.
Wat veranderde er met de grondwet van 1845?
Het parlement wilde de grondwet aanpassen, maar Willem I weigerde dit verzoek. In
tegenstelling tot zijn zoon Willem II. Hij was bang voor een revolutie in Nederland, toen het in
Amsterdam ook onrustig werd gaf hij de liberaal Thorbecke in 1848 de opdracht om de
grondwet aan te passen. Sinds Thorbecke een liberaal was stonden er met name dingen in
de grondwet waar de liberalen voor stonden. Liberalen vonden dat de overheid zich zo min
mogelijk met de samenleving en economie moest bemoeien (de overheid moest alleen voor
orde en veiligheid zorgen). Ook dachten liberalen dat iedereen die zijn best deed beter kon
krijgen. Deze grondwet maakte van Nederland een parlementaire democratie, dit wil zeggen
dat het parlement de baas is in Nederland.
Iedereen kreeg dezelfde grondrechten, dit zijn de basisrechten, zoals vrijheid van
meningsuiting.
De koning werd onschendbaar, hierdoor kregen de ministers van alles wat de koning
(verkeerd) zei of deed de schuld.
Ministers hadden ministeriele verantwoordelijkheid, ze moesten het parlement
vertellen waar ze het belastinggeld aan uitgaven en hoe ze hun werk deden.
Om de vier jaar konden burgers stemmen op leden voor de Tweede Kamer.
Burgers konden ook stemmen op leden voor de Provinciale Staten. De Provinciale
Staten stemden op leden van de Eerste Kamer.
Hoe werd het parlement echt de baas in Nederland?
Willem III en de ministers probeerden Luxemburg in 1866 te verkopen, maar hier kwam het
parlement in 1867 achter. Het parlement kon de koning hier niet de schuld van geven, omdat
hij onschendbaar was. Maar ze konden wel eisen – door middel van ministeriele
verantwoordelijkheid – dat de ministers moesten op stappen. Willem III hielp de ministers en
stuurde het parlement naar huis. Willem III zag in dat het parlement de macht had in
Nederland toen ook het nieuwe parlement zijn plannen met Luxemburg weigerde.