Beleidsimplementatie & -evaluatie
Week 1: Het belang van beleidsimplementatie en -evaluatie & opbouw
van het vak
Bongers (2023) + Leeuw (2003)
Bongers (2023): De rol van de beleidstheorie in het ontwerpen en
evalueren van beleid
Hoogerwerf et al (2021) definiëren een beleidstheorie als het geheel van
veronderstellingen waarop beleid berust. Deze veronderstellingen kunnen drie
verschillende relaties betreffen, namelijk relaties tussen:
1. Doeleinden en middelen (finale relaties)
2. Oorzaken en gevolgen (causale relaties)
3. Beginselen of waarden en in beleid gebruikte normen (normatieve relaties)
De beleidstheorie speelt in zowel beleidsontwikkeling als beleidsevaluatie een rol.
- In de ontwerpfase expliciteert deze theorie de aannames van een
beleidsmaker over de verwachte bijdrage van verschillende instrumenten
aan het realiseren van doelstellingen.
- In beleidsevaluaties is deze theorie een leidraad om te toetsen of deze
veronderstellingen over de doelbereiking juist zijn of tussentijds bijgesteld
moeten worden.
Een beleidstheorie vertegenwoordigt meestal een dominant gezichtspunt van
een actor en is daardoor nauwelijks een uitdrukking van andere of concurrerende
perspectieven. In dit verband is het onderscheid dat Tirion (2021) maakt tussen
normatieve en feitelijke veronderstellingen:
- Normatieve veronderstellingen: hebben betrekking op de
aanvaardbaarheid van een overheidsinterventie.
- Feitelijke veronderstellingen gaan over overwegingen die te maken hebben
met de oorzaken van een probleem en met de verwachte werking van de
interventie.
,Een beleidstheorie beschrijft de veronderstellingen van beleidsmakers over de
oorzaken en oplossingen van een bepaald (maatschappelijk) probleem. Deze
veronderstellingen hebben niet noodzakelijk een wetenschappelijk fundament.
Bij beleidsontwikkeling en -evaluatie kan het opstellen en gebruiken van een
beleidstheorie meerwaarde opleveren. Het is te beschouwen als een kapstok
waaraan alle ingebrachte informatie gehangen kan worden, in verband met
elkaar kan worden gebracht en gewogen kan worden.
Evaluatoren kunnen deze beleidstheorieën dus opsporen, reconstrueren en
vervolgens beoordelen op volledigheid, consistentie en geldigheid. Er bestaan
verschillende stappenplannen hoe een beleidstheorie te reconstrueren. In
hoofdlijnen:
1. Verzamelen van bronnen die uitspraken bevatten over doelen en
instrumenten.
2. Groeperen van deze uitspraken in de vorm van ‘als-dan’-
veronderstellingen.
3. Integreren van deze veronderstellingen tot een samenhangend geheel
zodat duidelijk wordt via welke middelen (input), instrumenten
(throughput) welke resultaten (output) en effecten (outcome) worden
bereikt.
Het opstellen van een beleidstheorie is vaak een iteratief proces waarin
opeenvolgende versies circuleren tussen beleidsmakers onderling of tussen
beleidsmakers en evaluatoren om tot een finale versie te komen.
De beleidstheorie die vervolgens het daglicht ziet, voldoet bij voorkeur aan een
aantal kwaliteitseisen. De theorie:
- Bevat zo precies mogelijk geformuleerde begrippen
- Sluit hypothetische situaties zo veel mogelijk uit
- Is intern consistent (uitspraken mogen onderling niet tegenstrijdig zijn)
- Bouwt zo veel mogelijk op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek.
, Een ander kwaliteitscriterium betreft dat de theorie bruikbaar moet zijn voor de
praktijk.
Een goed beleidsontwerp omvat een uitspraak over hoe de doelstellingen bereikt
gaan worden. Een beleidstheorie stimuleert dat beleid op kennis (ook
ervaringskennis) wordt gebouwd.
- Een beleidstheorie heeft dus ook een ex-ante functie in beleid: vooraf goed
doordacht beleid vergroot de kans op doelbereiking.
Met een goed doordachte theorie kan een beleidsmaker de eerste treden
bereiken van de zogenaamde effectenladder. Een beleidstheorie kan al helpen
om beleid meer effectief te maken en dat ook vast te stellen. Hogere treden op
deze ladder worden bereikt wanneer er meer experimenteel evaluatieonderzoek
wordt verricht, waardoor de effectiviteit betrouwbaarder kan worden bepaald.
Een beleidstheorie is niet alleen geschikt om beleid te ontwerpen en te
evalueren. Zo is de beleidstheorie geschikt als een communicatiemiddel. De
visualisatie van doelen en middelen werkt als een soort routekaart die inzichtelijk
maakt waar de overheid mee bezig is en welke stappen gezet zullen worden om
doelen te bereiken. De beleidstheorie kan daarin ook als een spiegel werken,
bijvoorbeeld omdat duidelijk wordt dat voor een bepaalde doelstelling volop
instrumenten ingezet worden, terwijl andere doelen onderbelicht blijven.
Een beleidstheorie is ook een sturingsmiddel dat een basis biedt voor monitoring
(gebruik van indicatoren). Inadequate indicatoren kunnen leiden tot perverse
prikkels.
Een beleidstheorie sluit aan bij het idee dat een beleidsproces rationeel en
volgens achtereenvolgende fasen verloopt: vooraf goed nadenken over beleid,
dat beleid uitvoeren volgens afspraak en het achteraf evalueren en bijstellen.
Er is eerder sprake van een arenamodel waarin concurrerende perspectieven en
belangen van uiteenlopende actoren strijden om aandacht, om doelen en om de
inzet van middelen.
Sommige beleidswetenschappers stellen zelfs dat beleid pas vorm krijgt op het
uitvoeringsniveau als een resultante van de interactie tussen uitvoerders en
doelgroepen. De wisselwerking tussen verschillende partijen is uiteindelijk
bepalend voor de manier waarop beleid tot stand komt en uitgevoerd wordt.
Beleidsprocessen zijn dynamisch en worden continu beïnvloed door factoren die
de geldigheid van een beleidstheorie doen veranderen. In dit arenamodel kan
Week 1: Het belang van beleidsimplementatie en -evaluatie & opbouw
van het vak
Bongers (2023) + Leeuw (2003)
Bongers (2023): De rol van de beleidstheorie in het ontwerpen en
evalueren van beleid
Hoogerwerf et al (2021) definiëren een beleidstheorie als het geheel van
veronderstellingen waarop beleid berust. Deze veronderstellingen kunnen drie
verschillende relaties betreffen, namelijk relaties tussen:
1. Doeleinden en middelen (finale relaties)
2. Oorzaken en gevolgen (causale relaties)
3. Beginselen of waarden en in beleid gebruikte normen (normatieve relaties)
De beleidstheorie speelt in zowel beleidsontwikkeling als beleidsevaluatie een rol.
- In de ontwerpfase expliciteert deze theorie de aannames van een
beleidsmaker over de verwachte bijdrage van verschillende instrumenten
aan het realiseren van doelstellingen.
- In beleidsevaluaties is deze theorie een leidraad om te toetsen of deze
veronderstellingen over de doelbereiking juist zijn of tussentijds bijgesteld
moeten worden.
Een beleidstheorie vertegenwoordigt meestal een dominant gezichtspunt van
een actor en is daardoor nauwelijks een uitdrukking van andere of concurrerende
perspectieven. In dit verband is het onderscheid dat Tirion (2021) maakt tussen
normatieve en feitelijke veronderstellingen:
- Normatieve veronderstellingen: hebben betrekking op de
aanvaardbaarheid van een overheidsinterventie.
- Feitelijke veronderstellingen gaan over overwegingen die te maken hebben
met de oorzaken van een probleem en met de verwachte werking van de
interventie.
,Een beleidstheorie beschrijft de veronderstellingen van beleidsmakers over de
oorzaken en oplossingen van een bepaald (maatschappelijk) probleem. Deze
veronderstellingen hebben niet noodzakelijk een wetenschappelijk fundament.
Bij beleidsontwikkeling en -evaluatie kan het opstellen en gebruiken van een
beleidstheorie meerwaarde opleveren. Het is te beschouwen als een kapstok
waaraan alle ingebrachte informatie gehangen kan worden, in verband met
elkaar kan worden gebracht en gewogen kan worden.
Evaluatoren kunnen deze beleidstheorieën dus opsporen, reconstrueren en
vervolgens beoordelen op volledigheid, consistentie en geldigheid. Er bestaan
verschillende stappenplannen hoe een beleidstheorie te reconstrueren. In
hoofdlijnen:
1. Verzamelen van bronnen die uitspraken bevatten over doelen en
instrumenten.
2. Groeperen van deze uitspraken in de vorm van ‘als-dan’-
veronderstellingen.
3. Integreren van deze veronderstellingen tot een samenhangend geheel
zodat duidelijk wordt via welke middelen (input), instrumenten
(throughput) welke resultaten (output) en effecten (outcome) worden
bereikt.
Het opstellen van een beleidstheorie is vaak een iteratief proces waarin
opeenvolgende versies circuleren tussen beleidsmakers onderling of tussen
beleidsmakers en evaluatoren om tot een finale versie te komen.
De beleidstheorie die vervolgens het daglicht ziet, voldoet bij voorkeur aan een
aantal kwaliteitseisen. De theorie:
- Bevat zo precies mogelijk geformuleerde begrippen
- Sluit hypothetische situaties zo veel mogelijk uit
- Is intern consistent (uitspraken mogen onderling niet tegenstrijdig zijn)
- Bouwt zo veel mogelijk op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek.
, Een ander kwaliteitscriterium betreft dat de theorie bruikbaar moet zijn voor de
praktijk.
Een goed beleidsontwerp omvat een uitspraak over hoe de doelstellingen bereikt
gaan worden. Een beleidstheorie stimuleert dat beleid op kennis (ook
ervaringskennis) wordt gebouwd.
- Een beleidstheorie heeft dus ook een ex-ante functie in beleid: vooraf goed
doordacht beleid vergroot de kans op doelbereiking.
Met een goed doordachte theorie kan een beleidsmaker de eerste treden
bereiken van de zogenaamde effectenladder. Een beleidstheorie kan al helpen
om beleid meer effectief te maken en dat ook vast te stellen. Hogere treden op
deze ladder worden bereikt wanneer er meer experimenteel evaluatieonderzoek
wordt verricht, waardoor de effectiviteit betrouwbaarder kan worden bepaald.
Een beleidstheorie is niet alleen geschikt om beleid te ontwerpen en te
evalueren. Zo is de beleidstheorie geschikt als een communicatiemiddel. De
visualisatie van doelen en middelen werkt als een soort routekaart die inzichtelijk
maakt waar de overheid mee bezig is en welke stappen gezet zullen worden om
doelen te bereiken. De beleidstheorie kan daarin ook als een spiegel werken,
bijvoorbeeld omdat duidelijk wordt dat voor een bepaalde doelstelling volop
instrumenten ingezet worden, terwijl andere doelen onderbelicht blijven.
Een beleidstheorie is ook een sturingsmiddel dat een basis biedt voor monitoring
(gebruik van indicatoren). Inadequate indicatoren kunnen leiden tot perverse
prikkels.
Een beleidstheorie sluit aan bij het idee dat een beleidsproces rationeel en
volgens achtereenvolgende fasen verloopt: vooraf goed nadenken over beleid,
dat beleid uitvoeren volgens afspraak en het achteraf evalueren en bijstellen.
Er is eerder sprake van een arenamodel waarin concurrerende perspectieven en
belangen van uiteenlopende actoren strijden om aandacht, om doelen en om de
inzet van middelen.
Sommige beleidswetenschappers stellen zelfs dat beleid pas vorm krijgt op het
uitvoeringsniveau als een resultante van de interactie tussen uitvoerders en
doelgroepen. De wisselwerking tussen verschillende partijen is uiteindelijk
bepalend voor de manier waarop beleid tot stand komt en uitgevoerd wordt.
Beleidsprocessen zijn dynamisch en worden continu beïnvloed door factoren die
de geldigheid van een beleidstheorie doen veranderen. In dit arenamodel kan