Sociale ongelijkheid, armoede, sociale uitsluiting, sociaal lijden, respect, menswaardigheid,
dialoog voeren.
Week 1 - Sociaal lijden in de hedendaagse samenleving
Introductie
De Franse socioloog Pierre Bourdieu laat in zijn boek ‘La Misère du monde’ zien wat de
sociaal psychologische gevolgen zijn van sociale uitsluiting van groepen mensen. Hij heeft
de ervaringen van sociaal lijden onder burgers, maar ook sociaal professionals en politie
opgetekend. Hij laat zien dat onder die individuele verhalen maatschappelijke verhalen
zitten. Ofwel, onder de biografie van een persoon zit een maatschappelijke structuur. Hij laat
zien dat het meest persoonlijke tegelijkertijd het meest onpersoonlijke is, omdat er gedeelde
ervaringen achter zitten van sociale ongelijkheid, sociale onrechtvaardigheid, sociale
uitsluiting en stigmatisering. Bourdieu vat die ervaringen van burgers samen onder de term
sociaal lijden.
Het grote lijden (totale en uitzichtloze armoede, hongersnood) is meer naar de achtergrond
verdwenen door toegenomen welvaart en de verzorgingsstaat die een vangnet biedt. Die
dodelijke armoede kennen we heden ten dage niet meer, maar daar is iets voor in de plaats
gekomen wat we volgens Bourdieu niet zien als we alleen naar dat grote lijden kijken. → Het
kleine lijden: sociaal, alledaags lijden.
Het positionele lijden (sociaal, alledaags lijden): vormen van ongelijkheid die gevoelens
van overbodigheid, mislukking, schaamte, wrok en ressentiment (minderwaardigheid) in de
hand werken. Het is positioneel lijden, omdat het lijden is ten opzichte van de ander in de
samenleving. Bourdieu laat zien dat dit een economisch en materiële component heeft,
maar langdurige werkloosheid, armoede of sociale uitsluiting heeft ook sociale gevolgen.
Vaak wordt dit van generatie op generatie doorgegeven en gaan mensen hun positie als
natuurlijk beschouwen.
Dat sociale lijden kan je bestuderen in de werkplaats, de buurt, de familie, de school en de
‘subtiele context- en plaatsgebonden vormen van ongelijkheid’. Bourdieu laat zien hoe die
microwereld samenhangt met dat macro sociologisch perspectief. Willen we iets te weten
komen over sociaal lijden, moeten we volgens Bourdieu in gesprek met de mensen zelf.
Punten die we gaan behandelen in de modules: Hoe kun je in gesprek komen met mensen
over hun sociaal lijden? Wat zijn de achterliggende oorzaken van het sociaal lijden? We
gaan het werk van Bourdieu in breed perspectief bestuderen.
Pierre Bourdieu: sociale ongelijkheid (cultureel kapitaal), stratificatie (kleine kans om
hogerop te raken tussen generaties),
,Week 2: De kapitalen in het tegengaan van ongelijkheid
Hoofdstuk 6: Sociaal kapitaal, Diversiteit in de samenleving
6.1: Wat is sociaal kapitaal?
Sociaal kapitaal is ingebed in het vertrouwen in je persoonlijke en zakelijke relaties.
Pierre Bourdieu omschrijft sociaal kapitaal als de som van alle hulpbronnen die
voortvloeien uit een duurzaam netwerk: ‘Sociaal kapitaal is het geheel van
bestaande of potentiële hulpbronnen dat voortvloeit uit het bezit van één of meer
relaties van onderlinge bekendheid en erkentelijkheid, ofwel het lidmaatschap
van een groep’. Het omvat de relaties die individuen kunnen mobiliseren. Sociaal
kapitaal omvat informele en formele netwerken. De personen in je netwerk
kunnen je allemaal steun bieden. Ze vormen de hulpmiddelen waarover je
beschikt om je doelen te bereiken.
Bourdieu ziet sociaal kapitaal als het bezit van individuen. Sociaal kapitaal is in
Bourdieus definitie op het individuele niveau van toepassing.
Robert Putnam beschrijft sociaal kapitaal als ‘kenmerken van sociale
organisatie(s) zoals netwerken, normen, en sociaal vertrouwen die de
coördinatie en samenwerking vergemakkelijken voor wederzijds voordeel’. Bij
sociaal vertrouwen hebben burgers het gevoel dat ze erbij horen in de
gemeenschap. Bij polarisatie geldt het tegenovergestelde. In Putnam's
benadering wordt sociaal kapitaal gezien als een eigenschap van een
collectiviteit. Het sociaal kapitaal kenmerkt zich volgens hem door specifieke
sociale netwerken, vertrouwen, normen en morele verplichtingen. Daarnaast
maakt Putnam onderscheid tussen bonding social capital en bridging social
capital waarmee de verschillende effecten van de netwerken worden geduid:
naar binnen gericht en naar buiten gericht.
Sociaal kapitaal kan je omzetten in een ander kapitaal. Sociaal kapitaal maakt je
kredietwaardig, daardoor kan je het omzetten in economisch kapitaal. Sociaal kapitaal kent
ook een wederkerigheidsprincipe. Door het inzetten van alle beschikbare netwerken
vergroten de kansen voor alle betrokkenen.
Samengevat kan sociaal kapitaal bijdragen aan de kwaliteit van leven, kan het de
maatschappelijke betrokkenheid bevorderen, en kan het optimaal inzetten ervan tastbare
voordelen opleveren.
6.2 Bourdieu: sociaal kapitaal binnen de context van kapitaal, veld, habitus en doxa
Bourdieu maakt onderscheid in vijf soorten kapitaal:
1. Economisch kapitaal De beschikbaarheid van financiën en eigendommen. Deze
bepaalt de sociaaleconomische status. Het gaat zowel om
jou eigen vermogen als vermogen uit je familie en netwerk.
2. Cultureel kapitaal Het geheel van culturele goederen die van generatie tot
generatie worden doorgegeven. Het beheersen van de
, gewenste kennis en vaardigheden. Je weet hoe het hoort.
Daardoor bereik je makkelijker je doelen, met minder moeite
dan mensen zonder dit kapitaal. Ook het tonen en hoorbaar
maken van je culturele kapitaal geeft jou aanzien en
acceptatie. Door acceptatie verwerf je meer sociaal kapitaal.
3. Sociaal kapitaal Het geheel van bestaande of potentiële hulpbronnen die
voortvloeien uit het lidmaatschap van een meer of minder
geïnstitutionaliseerd netwerk van relaties. Het zijn
hulpbronnen die je helpen in het bereiken van je doelen.
Sociaal kapitaal bestaat uit dat deel van het netwerk dat
gemobiliseerd kan worden. Het is dus functioneel.
4. Symbolisch kapitaal Het hebben van status, erkenning en waardering. De indruk
die je maakt stelt je in staat om doelen te bereiken. Het wordt
ook gebruikt voor het uitoefenen van macht, op een subtiele
manier.
5. Linguïstisch kapitaal Het vloeiend beheersen van de taal, en je perfect kunnen
uitdrukken in het uitspreken van jouw wensen.
Bourdieu deelt de samenleving in in velden die elkaar overlappen (politiek, arbeidsmarkt,
onderwijs, wetenschap, zorg, enz). Binnen deze velden zijn er machtsmeerderen (bepalen
de regels van het veld) en machtsminderen (moeten macht verwerven). Binnen elk van
deze velden heerst een bepaalde machtsstrijd tussen de spelers in het veld. Ze strijden om
de schaarse middelen die in het veld beschikbaar zijn. In deze strijd is de kracht ongelijk
verdeeld en wordt het kapitaal door de spelers ingezet om de strijd te winnen.
Habitus: een systeem van duurzame en overdraagbare disposities, gewoonten en
neigingen, een diepgewortelde houding en manier van denken en voelen, dat een
regulerende en structurerende functie heeft op de perceptie, het interpreteren en het
handelen. Het omvat ingesleten gewoonten, smaken, waarden en houdingen die als
'vanzelfsprekend' worden ervaren en bepalen hoe iemand de wereld ziet en erop reageert.
Habitus is dus een systeem. De kern van habitusontwikkeling is socialisatie. Bourdieu wijst
erop dat in maatschappijen met een sterke klassenverdeling dit ‘weten hoe het hoort’ al heel
jong aangeleerd en geoefend wordt via socialisatie en conditionering. Het versterkt de
klassen verdeeldheid en ongelijkheid, en leidt tot uitsluiting van anderen.
Habitusontwikkeling is een dynamisch proces. Habitus bevat zowel individuele als
collectieve gedragspatronen.
Doxa: verwijst naar de onuitgesproken, vanzelfsprekende en diepgewortelde aannames en
overtuigingen die als 'gezonde verstand' binnen een sociale groep worden beschouwd. Deze
aannames zijn zo fundamenteel dat ze niet ter discussie staan en de sociale orde helpen
reproduceren, omdat ze onbewust het denken en handelen van mensen sturen. Doxa
onderscheidt zich van bewuste 'meningen' of 'opinies', omdat het een onbewust
geaccepteerd 'wat is' vertegenwoordigt dat als natuurlijk en niet-arbitrair wordt ervaren.
Armoede is volgens Bourdieu een tekort aan kapitalen. Armoede <-> tekort aan kapitalen.
Tekort aan kapitalen <-> sociale uitsluiting.