Hoofdstuk 1
2/3e van het vocht is intracellulair en bevat:
K+, Mg2+ en PO43-
Proteïnes en grote moleculen
1/3e van het vocht is extracellulair en bevat:
Na+, Cl-, HCO3- en Ca2+
Zuurstof, glucose, vetzuren en aminozuren
CO2 en andere afvalproducten
Het zenuwstelsel is op te delen in 3 delen:
Sensorische input → Detectie van (prikkels uit) de omgeving.
Centrale zenuwstelsel → Bestaat uit hersenen & ruggenmerg. Hier
wordt een passende reactie gekozen op de sensorische input.
Motorische uitvoer → Zorgt voor de executie van de passende reactie.
Vier bekende endocriene klieren zijn:
Schildklier zorgt voor afgifte van thyroid hormonen → verhoogt de
snelheid van chemische reacties in de cel.
Alvleesklier zorgt van afgifte van insuline hormonen → controleert
glucosemetabolisme.
Bijnierschors zorgt voor afgifte van adrenocortical hormonen →
controleert Na+ en K+ concentraties en eiwit metabolisme.
Bijschildklier zorgt voor afgifte van parathyroid hormonen → controleert
botcalcium en fosfaatconcentraties.
Het immuunsysteem kan opgedeeld worden in 5 onderdelen:
Witte bloedcellen
Weefselcellen (ontstaan uit witte bloedcellen)
Thymus (endocriene klier)
Lymfeknopen
Lymfevaten
Naast het immuunsysteem beschermt het zogeheten integumentum ons ook
tegen gevaren van buitenaf. Het integumentum bestaat onder andere uit
haren, nagels en klieren en vormen een beschermende laag voor de dieper
gelegen weefsel en organen. Daarnaast speelt het integumentum ook een rol
bij de temperatuurregulatie, het uitscheiden van afval en vormt het een
sensorische schakel tussen het lichaam en de buitenwereld.
Te hoge bloeddruk:
Baroreceptoren → detecteren drukverschil door rek in de vaatwand.
, Medulla → ontvangt signalen van de baroreceptoren.
Vasomotor center → wordt geremd door de medulla.
Sympathische zenuwstelsel → ontvangt minder signalen vanuit het
vasomotor center wat zorgt voor een verminderde pompactiviteit van
het hart en verwijding van de vaten.
De belangrijkste marges zijn hieronder gegeven:
+7 °C → cellen gaan kapot.
±0.5 pH → dodelijk.
Minder dan 1/3e van normale K+ concentratie → verlamming
(zenuwsignalen kunnen niet worden doorgegeven).
Meer dan 2 keer de normale K+ concentratie → depressieve hartspier.
Minder dan 1/2e van de normale Ca2+ concentratie → aanhoudende
spiercontracties door verhoogde permeabiliteit voor Na+.
Minder 1/2e van de normale glucose concentratie → mentale
prikkelbaarheid en stuiptrekkingen.
𝐺𝑎𝑖𝑛 = 𝐶𝑜𝑟𝑟𝑒𝑐𝑡𝑖𝑜𝑛/ 𝐸𝑟𝑟𝑜𝑟
Correction → het verschil tussen de waarde als het controlesysteem niet zou
werken en de daadwerkelijke waarde.
Error → het verschil tussen de huidige waarde en de waarde van de normale
situatie.
Hoofdstuk 2
Cellen hebben in de breedste zin van het woorden 5 functies:
Zorgen voor structuur
Nemen voedingsstoffen op
Zetten voedingsstoffen om in energie
Opslaan van de erfelijke code (DNA)
Gespecialiseerde functies
De bouwstenen van het protoplasma zijn de volgende 5:
1. Water
2. Ionen
3. Proteïnes
4. Koolhydraten
5. Vetten
Het celmembraan is 7.5-10 nanometer dik en bestaat uit:
Proteïnes → 55%
Fosfolipiden → 25%
, Cholesterol → 13%
Andere lipiden → 4%
Koolhydraten → 3%
3 soorten vet in bilipidenlaag: fosfolipiden, sfingolipiden en cholesterol
2 soorten eiwitten in het membraan: integrale eiwitten en perifere eiwitten
In het cytoplasma bevinden zich:
Vet globules
Glycogeen granulen
Ribosomen
Uitscheidende vesikels
5 belangrijke organellen (endoplasmatisch reticulum, golgi-apparaat,
mitochondria, lysosomen en peroxisomen)
Lysosomen zijn vaak 250-750 nanometer in diameter, omgeven door een
bilipidenlaag en bevatten een groot aantal granules die 5 tot 8 nanometer in
diameter zijn. Deze granules kunnen 40 verschillende hydrolase
(spijsverterings) enzymen zijn.
Bij de oxidatie van de voedingsstoffen komen 3 dingen vrij:
CO2
H2O
ATP → wordt getransporteerd naar het deel van de cel waar het nodig
is
3 types filamenten:
Actine filamenten (7mm) -> buitenste zone van het cytoplasma
(ectoplasma) en bieden daar stevigheid en elasticiteit aan het
celmembraan.
Intermediaire filamenten (8-12 mm) -> werken samen met de
microtubules en zorgen vooral voor mechanische steun om de fragiele
tubule structuren te beschermen
Gepolymeriseerde tubuline moleculen (microtubules) (25 mm) ->
vormen stijve filamenten genaamd microtubules. De microtubules
vormen het cytoskelet van onder andere trilharen (cilia). Het cytoskelet
bepaalt celvorm, celdeling en celbeweging.
5 levensvormen:
Klein virus ‚15 nanometer
Groot virus,150 nanometer
, Rickettsia, 350 nanometer
Bacterie, 1 micrometer
Cel, 5-10 micrometer
2 types endocytose:
Pinocytose (coated pit)
Fagocytose
Als een glandulaire cel wordt gebadderd in aminozuren, zijn er na 3-5
minuten eiwitten te bekennen in het granulair ER, en na 20 minuten in het
golgi-apparaat. Na 1-2 uur zijn ze uitgescheiden en kunnen ze gedetecteerd
worden op het oppervlak van de cel.
Granulair ER: eiwitsynthese
Agranulair ER: vetsynthese, enzym aanmaak voor glycogenolyse en
voor detoxificatie
De vesikels die afbreken van het golgi-apparaat:
Secretory vesicles -> exocytose
Intracellulaire vesikels -> aanvulling van organel membranen
ATP bestaat uit:
Adenine (nitrogene base)
Ribose (pentose suiker)
3 fosfaat radicalen
Per verbinding (per mol ATP) komen er 12.000 calorieën vrij als die
kapotgaat.
ATP kan op 3 verschillende manieren gebruikt worden:
Transport
Synthese
Mechanisch werk
Ameboid movement:
Receptoreiwitten aan de binnenkant van de exocytose vesikels binden
aan de liganden
Losse actine filamenten vormen steeds een nieuw netwerk
Cilia zitten in respiratoire gang (vervoer slijm) en baarmoeder (vervoer eicel).
Cilia zijn 2-4 micrometer lang en per cel kunnen er wel 200 zitten. Een cilium
heeft een celmembraan en 9 dubbele microtubules aan de rand en 2 enkele
microtubules in het midden. Een cilium beweegt als een zweep wel 10-20
keer per seconde. Er zijn motile en nonmotile cilia.
Hoofdstuk 4