DE CEL
Type cellen
▪ Prokaryote cel bacteriën, cyanobacteriën
o Simpele structuur 1 – 10 µm
o Aeroob + anaeroob
o Self-supporting; simpele uitwisseling met de omgeving
o Cytoplasme compartiment met RNA, DNA, eiwitten en kleine moleculen
o Geen cytoskelet
o Deling door afsplitsing → zeer effectieve groei
▪ Archaea bacteriën
o Eencellig
o Geen celkern
o Aangepast aan extreme omstandigheden
▪ Eukaryote cellen
o Complexe structuur → vele vormen 10 – 50 µm
o Specialisatie en gericht op samenwerking met andere cellen
o Aeroob
o Kern met DNA en kernmembraam
o Cytoplasma bevat celorganellen
o Wel cytoskelet
o Complexe communicatie via de celmembraan
o Endosymbiose theorie:
• Mitochondrium enige celorganel met
dubbele membraan
• Mitochondrium enige celorganel met eigen
DNA
• Bij mensen die langdurig antibiotica
gebruiken is er effect op het functioneren
van de mitochondria antibiotica heeft effect
op prokaryote cellen
Microscopie
▪ Lichtmicroscopie
o Range: cm-µm
o Weefsels
o Hele cellen
o Kleur
o Golflengtes licht veel licht erdoorheen = weinig
moleculen = wit
o Kan dikkere coupes aan
▪ Elektronenmicroscopie
o Range: µm-nm
o Cellen, celorganellen, celcompartimenten
o Zwart-wit
o Resolutie soms laag
o Elektronen veel elektronen erdoorheen = weinig
moleculen = wit
o Scanning: buitenkant van de cel
o Transmission: binnenkant van de cel
, ▪ Weefsel preparen voor de microscoop
degradatie
o Fixatie metabolisme van de cel stopt en de structuur wordt vastgelegd processen
o Dehydratie tegengaan
o Snijden in dunne coupes
o Kleuring toevoegen: contrast verhogen of specifiek eiwit zichtbaar maken
• Hematoxylin-eosin (HE)
- lage pH veel RNA, kern → donkerder
- roze/paarse foto’s
Eukaryote cel
▪ Celmembraan
o Een fosfolipide dubbellaag
met lipiden, koolhydraten en perifere en integrale membraaneiwitten (bijv. receptoren)
→ communicatie met andere cellen)
o Glycocalyx: buitenkant van het celmembraan: koolhydraten steken uit met staartjes
→ hechting/aantrekken van bepaalde moleculen
o Belangrijke functie in afgifte, opname en transport – drie fases:
• Endocytose: opname in de cel van stoffen buiten
- Fagocytose: celonderdelen (macrofagen)
- Pinocytose: waterige moleculen
• Transcytose: door de cel heen
• Exocytose: afgifte van stoffen die in de cel gemaakt zijn naar buiten de cel
o Fosfolipide-bilaag (unitmembraan)
• Hydrofiele kop wijzen naar de waterige binnen- en buitenkant
• Hydrofobe staarten wijzen naar het midden van het membraan
▪ Cytoskelet
o Belangrijk in vorm, stevigheid en verbinding van de cel
o Actine filamenten 8 nm: vorm en verbinding
• Voorbeeld: uitstulpingen van het epitheel (microfilii) → actine nodig om stevig
te houden
o Intermediaire filamenten 15 nm: categorienaam; zit in elk type weefsel/cel
• Verschillen per cel e.g. cytokeratine, demsine, vimentine, neurofilamenten en
fibronectine
o Microtubuli 25 nm: beweging en transport
• Voorbeeld: centriolen bestaan uit microtubili
▪ Celkern (nucleus)
o Nucleolus: opslag ribosomaal RNA → nodig voor synthese van ribosomen
o Chromatine: DNA gewikkeld om histonen
• Euchromatine: actieve cel = lichter → DNA uitgerold van histonen voor
gebruik
- bezig met RNA maken om eiwitten te produceren
• Heterochromatine: minder actieve cel = donkerder → DNA nog om histonen
gewikkeld
o Celkernmembraan:
bescherming kern lipide
dubbellaag
o Kernporiën: contact
cytoplasma – transport
,CELORGANELLEN
Cytosol
▪ Stroperige vloeistof in de cel; bestaat uit water, RNA en eiwitten
▪ Cytoplasma = cytosol + celorganellen
Celorganellen
▪ Mitochondrium
o Dubbelmembraan
o Energieproductie → ATP
1 Glycolyse: glucose naar pyrodruivenzuur (pyruvaat) in cytoplasma
2 Citroenzuurcyclus: pyrodruivenzuur het
co-enzym acteyl-CoA in mitochondriën
3 Oxidatieve fosforylering: co-enzym acetyl-CoA naar ATP, NADH en fADH2 in
mitochondria
▪ Endoplasmatisch reticulum
o RER: eiwitsynthese
o Ribosomen (vrij en gebonden): eiwitsynthese
• Vrij: geproduceerde eiwitten veelal gebruikt in de cel, cytosol
• Gebonden op RER: geproduceerde eiwitten vooral afgifte van de cel
o GER:
• Productie van vetten en hormonen
• Detoxificatie (vooral lever)
• Transport naar golgi-apparaat
• Opslag calcium-ionen (belangrijk in spierweefsel)
▪ Golgi-apparaat
o Gevouwen membraan met vesicels eromheen
o Eiwit-labeling: intern of extern gebruik
o Eiwittransport: exocytose en endocytose
, ▪ Lysosoom & peroxisomen
o
o Lysosoom
• Vaak heel donker
• Hele lage pH bij afbraak van afvalstoffen → dubbel membraan als
bescherming voor als het breekt
• Stoffen worden afbreken en hergebruikt (terug in cytosol gebracht)
• Drie routes tot een lysosoom:
- Fagocytose: witte bloedcel fagocyteert bacterie → lysosoom
- Endocytose: Kleine onderdelen worden opgenomen via endocytose
(pinocytose) → late endosoom → lysosoom
- Autofagie: oude/ slecht functionerende celorganel wordt opgenomen
door GER → lysosoom