Ontwikkeling van het kind
Leerjaar: 2.
Studiejaar: 2020-2021.
Periode: 2.2.
Tentamen vak: Ontwikkeling van het kind.
Hogeschool: Fontys Hogeschool Eindhoven.
Opleiding: Podotherapie.
,Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1: groei en ontwikkeling ................................................................................................................ 3
Hoofdstuk 2: embryologie ............................................................................................................................ 10
Hoofdstuk 3: ontwikkeling van het kind na het 1e levensjaar ........................................................................ 16
Hoofdstuk 4: kinderorthopedie..................................................................................................................... 21
Hoofdstuk 5: ontwikkeling van de zuigeling .................................................................................................. 27
Hoofdstuk 6: Pes Equinovarus Adductus (klompvoet) ................................................................................... 32
Hoofdstuk 7: ontwikkelingsafwijkingen ........................................................................................................ 34
Hoofdstuk 8: oefenvragen + antwoorden...................................................................................................... 37
2
,Hoofdstuk 1: groei en ontwikkeling
Complementair
- Biologisch: fysieke ontwikkeling.
- Psychologisch: cognitieve ontwikkeling.
- Sociaal: sociale- en persoonlijkheidsontwikkeling.
- Ondersteund door de meest gebruikte theorieën.
Ontwikkelingsfases
- Prenatale periode: geboorte.
- Babytijd: geboorte tot 3 jaar.
- Peuter en kleutertijd: 3-6 jaar.
- Schooltijd: 6-12 jaar.
- Adolescentie: 12-20 jaar.
Prenatale periode
• Fysiek:
- Germinaal stadium: (conceptie- 2 weken) → bevruchting tot aan innesteling.
- Embryonaal stadium: (2-8 weken) → hartje gaat kloppen, armen en benen verschijnen.
- Foetaal stadium: (8- geboorte (= 40 weken)) → 12 vingernagels en-afdrukken.
- Germinaal = ontkiemen.
- Gazonmetafoor, de placenta en de moeder als voedingsbodem.
• Cognitief:
- Intelligentie komt gedeeltelijk vast te staan, basis voor sommige psychische stoornissen wordt gelegd.
- Cognitieve functies mogelijk aangetast door middelengebruik en stress.
• Sociaal/ persoonlijkheid:
- Sommige karaktereigenschappen gedeeltelijk genetisch.
- Middelengebruik van moeder kan leiden tot problemen kind.
• Theorieën:
- Jean Piaget.
- Erik Erikson.
- Sigmund Freud.
- Lawrence Kohlberg.
Babytijd
- 1e jaar groeit de baby ongeveer 25 cm.
- Opbouw is groter dan de afbraak → groot zelf herstellend vermogen van het lichaam, een enorme
veerkracht.
- Motoriek op basis van houdingsreflexen.
- Normaal gezichtsvermogen met diepteperceptie en herkenning van patronen, gezichten, vormen en
kleuren.
- Objectpermanentie: balletje onder de kast, gaat op zoek, moede uit het zicht, moeder bestaat niet
meer.
• Fysiek:
- Snelle toename in lengte en gewicht, neuronen groeien en vormen onderlinge verbindingen, bij 6
maanden normaal gezichtsvermogen.
- Baby’s draaien richten zich op en uiteindelijk staan en lopen.
- Reiken naar objecten, grijpen en oppakken.
• Cognitief:
- Begrip objectpermanentie en experimenteren de fysieke wereld.
- Snelheid informatieverwerking neemt toe.
- Taal ontwikkelt zich van brabbelen, één-woordzinnen naar vollere zinnen.
• Sociaal/ persoonlijkheid:
- Verschillen qua temperament en activiteitsniveau.
3
, - Gezichtsuitdrukkingen lijken emoties weer te geven, gezichtsuitdrukkingen van anderen worden
begrepen.
- Peuters beginnen empathie te ontwikkelen.
- Ontwikkeling van een hechtingsstijl.
• Theorieën:
- Sensomotorisch stadium.
- Stadium vertrouwen vs wantrouwen en schaamte vs autonomie.
Peuter kleutertijd
- Lateralisatie: li of re hersenhelft krijgt zijn dominantie en specialisatie.
- Motoriek: het tekenen van een cirkel, ontwikkeling handgreep naar pincetgreep.
- Schrijfdans op school.
- Sluiten van vriendschappen op basis van vertrouwen en gemeenschappelijke interesses.
- Centratie= zich slechts op één ding kunnen richten.
• Fysiek:
- Lengte en gewicht blijven snel toenemen, lichaam minder rond gespierder.
- Hersenen worden groter, blijven verbindingen vormen, worden links- of rechtshandig, snelle
verbetering grove en fijne motoriek.
• Cognitief:
- Egocentrisch denken en ontwikkelen concentratie.
- De herinnering, de aandacht boog en vermogen tot symbolisch denken wordt beter, begin van intuïtief
denken.
- Taalvaardigheid neemt snel toe.
• Sociaal/ persoonlijkheid:
- Ontwikkelen van zelfbeeld, waarbij zij zich meestal overschatten.
- Ontstaan van gender- en raciale identiteit, leeftijdsgenoten worden gezien als individuen, sluiten van
vriendschappen.
- Moreel besef gebaseerd op regels en gericht op beloningen en straffen.
- Spel constructiever, coöperatiever en sova wordt belangrijker.
• Theorieën:
- Preoperationeel stadium.
- Stadium van initiatief vs schuldgevoel.
Schooltijd
- Motoriek; fietsen zwemmen, maar ook schrijven typen knopen vastmaken, Verdere ontwikkeling van
pincetgreep.
- Decentratie = zaken vanuit verschillende invalshoeken bekijken.
• Fysiek:
- Groei trager maar gestaag, spieren ontwikkelen zich en baby vet verdwijnt.
- Grove en fijne motoriek blijven zich verbeteren.
• Cognitief:
- Logisch oplossing voor problemen.
- Kunnen decentreren.
- Codering, opslag en retrieval van herinneringen verbetert, ontwikkelen van geheugen strategieën.
• Sociaal/ persoonlijkheid:
- Zelfbeeld wordt gedifferentieerd.
- Gebruik van sociale vergelijking om status en identiteit te bepalen.
- Eigenwaarde meer gedifferentieerd: wat kan wel en wat kan niet?
- Verschil tussen vriendschapspatronen (jongens groepen, meisjes groepen).
• Theorieën:
- Concreet operationeel stadium.
- Stadium van vlijt vs minderwaardigheid.
Adolescentie
- Sluiten van epifysairschijven.
4
Leerjaar: 2.
Studiejaar: 2020-2021.
Periode: 2.2.
Tentamen vak: Ontwikkeling van het kind.
Hogeschool: Fontys Hogeschool Eindhoven.
Opleiding: Podotherapie.
,Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1: groei en ontwikkeling ................................................................................................................ 3
Hoofdstuk 2: embryologie ............................................................................................................................ 10
Hoofdstuk 3: ontwikkeling van het kind na het 1e levensjaar ........................................................................ 16
Hoofdstuk 4: kinderorthopedie..................................................................................................................... 21
Hoofdstuk 5: ontwikkeling van de zuigeling .................................................................................................. 27
Hoofdstuk 6: Pes Equinovarus Adductus (klompvoet) ................................................................................... 32
Hoofdstuk 7: ontwikkelingsafwijkingen ........................................................................................................ 34
Hoofdstuk 8: oefenvragen + antwoorden...................................................................................................... 37
2
,Hoofdstuk 1: groei en ontwikkeling
Complementair
- Biologisch: fysieke ontwikkeling.
- Psychologisch: cognitieve ontwikkeling.
- Sociaal: sociale- en persoonlijkheidsontwikkeling.
- Ondersteund door de meest gebruikte theorieën.
Ontwikkelingsfases
- Prenatale periode: geboorte.
- Babytijd: geboorte tot 3 jaar.
- Peuter en kleutertijd: 3-6 jaar.
- Schooltijd: 6-12 jaar.
- Adolescentie: 12-20 jaar.
Prenatale periode
• Fysiek:
- Germinaal stadium: (conceptie- 2 weken) → bevruchting tot aan innesteling.
- Embryonaal stadium: (2-8 weken) → hartje gaat kloppen, armen en benen verschijnen.
- Foetaal stadium: (8- geboorte (= 40 weken)) → 12 vingernagels en-afdrukken.
- Germinaal = ontkiemen.
- Gazonmetafoor, de placenta en de moeder als voedingsbodem.
• Cognitief:
- Intelligentie komt gedeeltelijk vast te staan, basis voor sommige psychische stoornissen wordt gelegd.
- Cognitieve functies mogelijk aangetast door middelengebruik en stress.
• Sociaal/ persoonlijkheid:
- Sommige karaktereigenschappen gedeeltelijk genetisch.
- Middelengebruik van moeder kan leiden tot problemen kind.
• Theorieën:
- Jean Piaget.
- Erik Erikson.
- Sigmund Freud.
- Lawrence Kohlberg.
Babytijd
- 1e jaar groeit de baby ongeveer 25 cm.
- Opbouw is groter dan de afbraak → groot zelf herstellend vermogen van het lichaam, een enorme
veerkracht.
- Motoriek op basis van houdingsreflexen.
- Normaal gezichtsvermogen met diepteperceptie en herkenning van patronen, gezichten, vormen en
kleuren.
- Objectpermanentie: balletje onder de kast, gaat op zoek, moede uit het zicht, moeder bestaat niet
meer.
• Fysiek:
- Snelle toename in lengte en gewicht, neuronen groeien en vormen onderlinge verbindingen, bij 6
maanden normaal gezichtsvermogen.
- Baby’s draaien richten zich op en uiteindelijk staan en lopen.
- Reiken naar objecten, grijpen en oppakken.
• Cognitief:
- Begrip objectpermanentie en experimenteren de fysieke wereld.
- Snelheid informatieverwerking neemt toe.
- Taal ontwikkelt zich van brabbelen, één-woordzinnen naar vollere zinnen.
• Sociaal/ persoonlijkheid:
- Verschillen qua temperament en activiteitsniveau.
3
, - Gezichtsuitdrukkingen lijken emoties weer te geven, gezichtsuitdrukkingen van anderen worden
begrepen.
- Peuters beginnen empathie te ontwikkelen.
- Ontwikkeling van een hechtingsstijl.
• Theorieën:
- Sensomotorisch stadium.
- Stadium vertrouwen vs wantrouwen en schaamte vs autonomie.
Peuter kleutertijd
- Lateralisatie: li of re hersenhelft krijgt zijn dominantie en specialisatie.
- Motoriek: het tekenen van een cirkel, ontwikkeling handgreep naar pincetgreep.
- Schrijfdans op school.
- Sluiten van vriendschappen op basis van vertrouwen en gemeenschappelijke interesses.
- Centratie= zich slechts op één ding kunnen richten.
• Fysiek:
- Lengte en gewicht blijven snel toenemen, lichaam minder rond gespierder.
- Hersenen worden groter, blijven verbindingen vormen, worden links- of rechtshandig, snelle
verbetering grove en fijne motoriek.
• Cognitief:
- Egocentrisch denken en ontwikkelen concentratie.
- De herinnering, de aandacht boog en vermogen tot symbolisch denken wordt beter, begin van intuïtief
denken.
- Taalvaardigheid neemt snel toe.
• Sociaal/ persoonlijkheid:
- Ontwikkelen van zelfbeeld, waarbij zij zich meestal overschatten.
- Ontstaan van gender- en raciale identiteit, leeftijdsgenoten worden gezien als individuen, sluiten van
vriendschappen.
- Moreel besef gebaseerd op regels en gericht op beloningen en straffen.
- Spel constructiever, coöperatiever en sova wordt belangrijker.
• Theorieën:
- Preoperationeel stadium.
- Stadium van initiatief vs schuldgevoel.
Schooltijd
- Motoriek; fietsen zwemmen, maar ook schrijven typen knopen vastmaken, Verdere ontwikkeling van
pincetgreep.
- Decentratie = zaken vanuit verschillende invalshoeken bekijken.
• Fysiek:
- Groei trager maar gestaag, spieren ontwikkelen zich en baby vet verdwijnt.
- Grove en fijne motoriek blijven zich verbeteren.
• Cognitief:
- Logisch oplossing voor problemen.
- Kunnen decentreren.
- Codering, opslag en retrieval van herinneringen verbetert, ontwikkelen van geheugen strategieën.
• Sociaal/ persoonlijkheid:
- Zelfbeeld wordt gedifferentieerd.
- Gebruik van sociale vergelijking om status en identiteit te bepalen.
- Eigenwaarde meer gedifferentieerd: wat kan wel en wat kan niet?
- Verschil tussen vriendschapspatronen (jongens groepen, meisjes groepen).
• Theorieën:
- Concreet operationeel stadium.
- Stadium van vlijt vs minderwaardigheid.
Adolescentie
- Sluiten van epifysairschijven.
4