Pathologie van het zenuwstelsel
1. Het centrale zenuwstelsel bestaat uit de hersenen en het
ruggenmerg. Daarnaast zijn er 12 zenuwen die direct vanuit de
hersenen komen.
2. Het perifere zenuwstelsel bestaat uit zenuwbanen die door het hele
lichaam lopen.
Gevolgen van NAH
- Zichtbare gevolgen (vaak lichamelijk): verlamming, epilepsie
- Onzichtbare gevolgen (vaak mentaal): spraak, cognitief,
vergeetachtig, emotieregulatie.
Heel veel invloed op persoon, eigen handelen en omgang met omgeving.
- Gevolgen dagelijkse leven en naasten
- Gevolgen participatie in maatschappij
- Acceptatie van verlies
NAH: complexe casuïstiek
- Aandoening op meerdere niveaus van ICF
- Meerdere stoornissen tegelijk
- Meerdere disciplines betrokken
Fase van revalidatie
Acute fase (overleven) Revalidatie fase (herstel) Chronische fase
(blijvende beperkingen)
ICF-niveaus
Functieniveau: gericht op het herstel van de functie
Activiteitenniveau: gericht op iemands handelen
Participatieniveau: gericht op iemands participatie met het dagelijks
leven/interactie met de omgeving.
Samenwerking bij NAH
Multidisciplinair: het bestuderen van een onderwerp in verschillende
disciplines tegelijkertijd. Iedereen blijft vanuit zijn eigen vak en expertise
denken en werken.
Interdisciplinair: disciplines hebben elkaar nodig om een probleem op te
lossen. Ze hebben elkaar meer nodig.
Transdisciplinair: de deelnemers werken vanuit de denk- en werkwijze
van een andere discipline. Zij maken gebruik van elkaars kunde.
Multidisciplinair uitwisselen kennis eigen discipline
Interdisciplinair meer interactie kennis andere disciplines
Transdisciplinair optimale interactie hanteren andere disciplines
,Neurogene communicatiestoornissen
De logopedist onderzoekt en behandelt mensen met neurogene
communicatiestoornissen (afasie en dysartrie), slikstoornissen (dysfagie)
en cognitieve stoornissen (geheugenproblemen en aandachts- en
concentratiestoornissen).
Afasie: er is sprake van afasie wanneer het gedeelte van de taalproductie
is beschadigd. Dit kan voorkomen bij zowel het spreken als bij het
schrijven. Iemand kan ook moeite hebben met het begrijpen van de taal
(taalreceptie). Andere voorbeelden zijn woordvindingsproblemen,
problemen in non-verbale communicatie, gebruik vreemde woorden. Komt
geïsoleerd zelden voor (8,3%) wel vaak in combinatie met een afasie.
Dysartrie: is een stoornis in het spreken. De spraak is aangedaan, omdat
door verlamming van de spieren van lippen, tong, gehemelte de
spraakklanken niet meer goed gevormd kunnen worden.
Spraakapraxie: een articulatiestoornis die het gevolg is van een
hersenletsel. Het gaat om een stoornis in het programmeren van de
spraakbewegingen. Dus een stapje voor de uitvoering zelf. Het bewust
produceren van de spraak is gestoord, terwijl het automatisch spreken
beter is. (Stoornis bij de articulatorisch programmering en plannen van de
spraak).
Een vorm hiervan is buccofaciale apraxie: de persoon kan de
bewegingen van het gezicht: lippen, tong, ogen niet goed uitvoeren.
(Mondbeeldvorm is aangedaan).
Er is een instrument om de spraakapraxie mee te diagnosticeren, het DIAS
Diagnostisch instrument apraxie van de spraak. Hiermee wordt de ernst
bepaald. En deze mag elke 3 maanden herhaald worden.
Voor de behandeling van spraakapraxie is het instrument TIAS
Therapeutisch instrument voor apraxie van de spraak. TIAS bevat
oefeningen die aansluiten op de oriëntatie, oefen, automatisering en
transferfase in de logopedische behandeling van spraakapraxie.
De algemene therapiedoelstelling is: het maximaliseren van de effectiviteit
(de mate waarin de communicatie verbeterd), de efficiëntie (Het
overbrengen van de boodschap) en de natuurlijkheid van de
communicatie.
TIAS – therapeutisch instrument voor apraxie van de spraak
- Papieren werkboek en app
2
, - Oriëntatiefase
- Oefenfase
- Automatisering fase
- Transferfase
Verschillende therapiemogelijkheden
- Motorische bewegingen leren
- Integrale stimulatie
- Articulatorisch- kinetische behandeling
- Prompts for restructuring oral muscular targets
- Prosodische behandeling
- Melodie: intonation therapy
- Speech music
Dysfagie: is een stoornis bij het slikken. Dit kan ertoe leiden dat de
persoon zich verslikt. Bij verslikken komt het voedsel of drinken in de
luchtpijp terecht, met hoesten als gevolg.
Verschillen tussen spraakapraxie en dysartrie
1. Neuromusculaire afwijkingen bij dysartrie. Bij dysartrie komt het
door een stoornis in de spieren. En bij spraakapraxie is het geen
spraakprobleem, maar een planningsprobleem.
2. Aantasting spraakcomponenten: bij dysartrie kan het alle
componenten van spraak beïnvloeden. (Ademhaling, fonatie,
articulatie, resonantie). En bij spraakapraxie vooral articulatie en
prosodie (intonatie).
3. Spraakkenmerken: bij dysartrie is de spraak traag en gespannen en
de fouten zijn consistent. Bij spraakapraxie is het onregelmatig, met
inconsistente fouten.
4. Zoekgedrag: bij dysartrie is er geen zoekgedrag, want de spieren
werken niet, maar de spreker weet wel wat er gezegd moet worden.
Bij spraakapraxie is er zoekgedrag en maakt meerdere pogingen om
een woord correct uit te spreken.
Kenmerken spraakapraxie NDO-V
1. Trisyllabische diadochoknise reeks opvallend slechter dan
monosyllabische reeksen
2. Visueel en hoorbaar zoeken mond op spreekgedrag
3. Initiatie problemen (starten met de klank, woord of zin)
3