Staats- en bestuursrecht
Week 1
Bij staats- en bestuursrecht gaat het over de rechtsbetrekkingen tussen overheid en
burgers en tussen overheidsinstanties onderling. Het handelen van de overheid kan
verschillend van aard zijn. We kennen twee soorten:
1. Feitelijke handeling: Geen juridische besluiten, maar handelingen zonder direct
rechtsgevolg. Bijvoorbeeld: het aanleggen van een weg, plaatsen van een
verkeersbord etc.
2. Rechtshandeling: deze soort kunnen we weer onderverdelen:
a. Privaatrechtelijke rechtshandeling: de overheid kan handelen als
rechtspersoon, net als een bedrijf of particulier
b. Publiekrechtelijke rechtshandeling: handelen op basis van het publiekrecht.
Vaak gaat het hier om eenzijdige bindende besluiten. Echter bestaat er ook
tweezijdige bindende publiekrechtelijke rechtshandelingen.
De eenzijdige bindende besluiten vormen de basis van het staats- en bestuursrecht
Staatsrecht = besluiten van de hoogste staatsorganen en de organisatorisch
structuur van deze organen.
Bestuursrecht = besluiten van organen die zich op specifieke terreinen tot de
burgers richten en de organisatorische structuur van deze organen.
Een eenzijdige binding houdt in dat de gelding van het besluit niet afhankelijk is van de
instemming van degene tot wie het besluit gericht is.
Overheidsbesluiten kunnen zeer verschillend van aard zijn:
Algemeen verbindend voorschrift (Avv): besluiten die in beginsel voor een
onbepaaldheid van gevallen gelding hebben en toegepast kunnen worden (wetten
in materiële zin)
Beschikkingen: een besluit dat niet van algemene strekking is: dus gericht op één
persoon of concreet geval
Beleidsregels: besluiten die aangeven op welke wijze een orgaan zijn beleid moet
voeren. Bindt vooral het bestuursorgaan zelf
Plannen: zijn geen rechtshandelingen maar soms wel besluiten. Bijvoorbeeld:
begrotingsplan
Bindende overheidsbesluiten beantwoorden aan een maatschappelijke behoefte.
Naarmate burgers meer met elkaar te maken krijgen, groeit de behoefte aan bindende
regels om die interactie ordelijk te laten verlopen. Zulke regels zijn nodig om
gemeenschapsbelangen te beschermen en te voorkomen dat minderheden benadeeld
worden. Hoe gevoeliger en omstredene de besluiten, des te belangrijker het is dat ze
worden genomen door een orgaan dat alle belangen en opvattingen zorgvuldig afweegt.
De formele wetgever (regering en Staten-Generaal) is daarvoor het meest geschikt.
Eenzijdige bindende overheidsbesluiten moeten aanvaardbaar zijn. Aanvaardbaar zijn is
gebaseerd op een normatieve, binnen de gemeenschap geldende opvatting over wat
redelijkerwijze aanvaard dient te worden.
In ons stelsel houdt dat in, dat ingrijpende voorzieningen die de hele
gemeenschap raken, in beginsel gedragen moeten worden door de instemming
van de meerderheid.
Minderheidsopvattingen moeten hierbij gerespecteerd worden.
Historische ontwikkeling
De staat = politieke organisatie die gezag uitoefent over een bepaald gebeid en de
mensen die daar wonen.
In de middeleeuwen bestond het idee van soeverein gezag vooral in de vorm van de
theocratische staatsleer. Volgens deze leer is de vorst de hoogste gezagdrager omdat hij
in naam van god regeert. De vorst staat dus boven iedereen en kan in principe doen wat
hij wil, onderdanen moeten hem gehoorzamen en een recht op verzet bestaat niet.
Tegenover deze leer stond de visie dat de vorst slechts beperkte bevoegdheden had. Zijn
bevoegdheden werden namelijk begrensd door het natuurrecht. Binnen deze visie werd
onderscheid gemaakt tussen twee soorten vorsten:
De legitieme vorst: die het natuurrecht respecteerde
, De tiran: die het natuurrecht negeerde
Echter beschikte de vorst vaak niet over de militaire macht en financiële middelen om
zijn gezag af te dwingen. Om zich toch te voorzien van krijgsmacht, maakte de vorst
gebruik van het feodale stelsel.
= de vorst (leenheer) gaf dan domeingoederen levenslang aan machtige vazallen
(leenmannen), in ruil voor hun militaire diensten.
Dit stelsel (feodalisme) wordt gekenmerkt door een sterke band tussen de leenheer en de
leenman. Diverse charters hebben betrekking op het feodale stelsel
Magna Carta (1215): een akkoord waarin de Engelse koning zijn macht moest
beperken na verzet van de adel.
Blijde Incomste (1356): een overeenkomst waarin de hertog van Brabant
beloofde de vrijheden van steden en edelen te respecteren, waardoor zijn macht
sterk werd begrensd en gecontroleerd.
Deze charters hebben als doel het gewoonterecht te codificeren en te bestendigen.
Door dit stelsel en het gewoonterecht, wordt de macht van de vorst dus toch op een
bepaalde manier beperkt.
In de middeleeuwen stond een vorst zelf ook onder hoger gezag:
Hij was leenman van de Rooms-Duitse keizer
Geestelijke gebied: viel onder het gezag van de paus
Vanaf de 13e eeuw begon dit hogere gezag te verzwakken, dit kwam door de
investituurstrijd = een conflict tussen keizer en paus over wie bisschoppen mocht
benoemen. Door deze machtsstrijd verloren zowel keizer als paus invloed, waardoor
vorsten zich steeds onafhankelijker konden opstellen.
In de 16e eeuw versnelde deze ontwikkeling door de reformatie. Het geloof raakte in
West-Europa verdeeld, wat leidde tot gewelddadige godsdienstoorlogen. Veel politieke
denkers zagen slechts één manier om deze chaos te beëindigen: de vorst moest als
hoogste macht optreden en in religieuze kwesties het laatste woord krijgen. dit
vereiste een nieuwe vorm van wetgeving. Voor deze nieuwe orde moesten twee
voorwaarden worden vervuld
1. De vorst moest volledig onafhankelijk zijn van andere machten
2. De vorst moest boven alle partijen staan, zodat hij elke groep binnen het rijk ten
minste een minimale levensruimte kon garanderen.
De tweede voorwaarden wordt door sommige vorsten genegeerd en de minderheden
worden ge elimineert. Ter rechtvaardiging van dit absolutisme wordt teruggegrepen op de
eerdergenoemde theocratische leer.
de vergroting van de centrale macht kom op den duur echter in strijd met de privileges
van de feodale adel en de andere standen, met name de stedelijke burgerij. In de
Nederlanden leidde dit dan ook tot verzet. Dat verzet resulteerde uiteindelijk in de
afscheiding van de Zeven Provinciën. Om deze opstand te rechtvaardigen wordt een
verzetsleer ontwikkeld.
Hierin werd benadrukt dat de vorst regeert bij de gratie van zijn onderdanen.
Dit verzet was gebaseerd op collectieve, historische verworven privileges van
standen, waardoor individuen zelf geen recht hadden om in opstand te komen.
Deze op privileges gebaseerde theorie bood onvoldoende tegenwicht tegen de
absolutistische leer van het ‘droit divin’.
Een meer principiële rechtvaardiging kwam later via de natuurrechtelijke contractsleer,
die uitgaat van individuele vrijheidsrechten. Om conflicten te voorkomen, richten
individuen gezamenlijk een centrale macht op: de staat.
Daarbij geven zij een deel van hun natuurlijke vrijheid op, zodat de staat hun resterende
vrijheid veilig kan garanderen en beschermen.
Centralisering van vorstelijke macht
Botst met privileges van feodale adel en stedelijke burgerij
In Nederland verzet afscheiding Zeven Provinciën
Verzetsleer (Plakkaat van Verlatinghe)
Vorst regeert bij gratie van onderdanen
Gebaseerd op collectieve, historische verworven privileges van
standen
Individuen zelf geen recht op opstand
Beperking: onvoldoende tegenwicht tegen absolutisme
Natuurrechtelijke contractsleer
,Een klassiek-liberale rechtsstaat
De elementen van een klassiek liberale rechtsstaat zijn:
1. Het legaliteitsbeginsel
2. De machtenscheiding
3. De grondrechten
4. De rechterlijke controle
Het legaliteitsbeginsel houdt in dat machtsuitoefening door de staat slechts is geoorloogd
wanneer deze berust op een door de wet gegeven bevoegdheid.
Onvoldoende om willekeur en absolutisme tegen te gaan.
Het moet ondersteund worden door fundamentele rechtsstatelijke beginselen
Montesquieu: De drie machten van een staat (wetgeving, bestuur en rechtspraak)
dienen niet zoals vroeger in één hand te liggen, maar moeten gespreid worden over
verschillende organen die elkaar in evenwicht houden. Er bestaan dus drie machten:
1. Wetgevende macht: die belast is met het scheppen van nieuw recht
(volksvertegenwoordiging)
2. Uitvoerende macht: die dit recht in de praktijk brengt (regering)
3. Rechtsprekende macht: die de toepassing van het recht controleert (rechters)
Echter is in Nederland deze zuivere machtenscheiding nooit helemaal gerealiseerd.
De overheid mag zich niet bemoeien met de wijze waarop het individu van zijn vrijheid
gebruik maakt. Zo ontstaan er eind van de 18e eeuw specifieke vrijheidsgaranties in de
grondwet, genaamd grondrechten. Deze klassieke grondrechten geven vorm aan het idee
van het liberaal-rechtsstatelijke denken: “het vrijheidsrecht vormt het uitgangspunt, de
beperking de uitzondering”
Rechterlijke controle = de rechter toetst tegenwoordig niet alleen het optreden van de
overheid in zuiver civielrechtelijke gedaante, maar ook het optreden van de overheid in
publiekrechtelijke gedaante. Daarnaast wordt er ook getoetst aan de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur.
Probleem klassiek-liberale rechtsstaat:
Het kiesrecht werd afhankelijk gesteld van het inkomen van het individu dit is in
strijdt met de natuurlijke gelijkheid
Beschermt alleen de competitie van gelijkwaardige vrije individuen, maar ziet over
het hoofd dat deze competitie geen gelijke kansen biedt.
Democratische en sociale rechtstaat
Democratische rechtstaat
Het heeft in Nederland meer dan een eeuw geduurd voordat de representatieve
democratie werd gekozen. Dat komt door twee zaken:
1. Ten eerste was de politieke strijd in het begin meer gericht op het terugdringen
van de rol van de koning en het brengen van de regeringsmacht onder de controle
van het parlement. Om dit te realiseren werden daarom twee regels ingevoerd.
1. De politieke ministeriële verantwoordelijkheid
2. De vertrouwensregel
2. Ten tweede had men ervaring met de Franse revolutie, waarin volkssoevereiniteit
ontaarde in een bloederige nachtmerrie. Hierdoor overheerste lang de opvatting
dat de ongeletterde meerderheid van het volk niet in staat was tot verstandig
regeren.
, Door deze twee zaken/ontwikkelingen kwam pas in 1917 een algemeen mannenkiesrecht
tot stand. In 1919 kwam ook algemeen kiesrecht voor vrouwen. De democratische
rechtsstaat was toen pas een feit.
Sociale rechtsstaat
Na de tweede wereldoorlog bloeit de zogenaamde verzorgingsstaat op = een staat die
poogt op allerlei terreinen de voorwaarden te scheppen voor ontplooiing van de mens.
Deze staat, die ook wel aangeduid wordt met de term ‘sociale rechtsstaat’, dient dus
actief de omstandigheden te scheppen die het de burger daadwerkelijk mogelijk maken
aan zijn leven gestalte te geven.
Deze taak is onder meer vervat in sociale grondrechten
Problemen van een democratische rechtsstaat
Het volk heerst, middels vertegenwoordiging. De minderheden moeten dus ook
vertegenwoordigd worden, maar de vraag is of dat in de praktijk ook daadwerkelijk
haalbaar is.
Een democratische rechtsstaat dient zich niet te identificeren met een bepaald absolute
ideologie, maar principieel uit te gaan van een niet-absoluut, slechts relatief
waarheidsbegrip.
Maar waarheid kan in loop der tijd veranderen.
De instabiliteit van een land of het sociaaleconomische ontwikkelingsniveau
kunnen een belemmering vormen.
Kortom bij de democratische rechtsstaat is er spanning tussen de democratie en
minderheidsbescherming. En de democratische rechtsstaat wordt ook geconfronteerd
met een soms moeizame verhouding tussen democratisch-rechtsstatelijke eisen enerzijds
en effectief overheidsoptreden anderzijds.
Soms is het namelijk nodig om snel een wet tot stand te brengen, maar wordt dit
doel belemmerd door zorgvuldige wetgevingsprocedures
Problemen sociale rechtsstaat
De ontwikkeling van een verzorgingsstaat is gepaard gegaan met een enorme groei aan
overheidstaken, die slechts vervuld kunnen worden indien het bestuur over ruime
bevoegdheden beschikt. Het nadeel hiervan is dat de democratische legitimatie van het
overheidshandelen is verminderd. Dit noemt men ook wel ‘de terugtred van de formele
wetgever’
Daarnaast neemt door deze enorme groei aan overheidstaken het toezicht op de naleving
van de regels af.
Een ander probleem is dat de volksvertegenwoordiging ook niet aan ieders wensen kan
voldoen.
Bovendien is wetgeving gebonden aan tijd. Het komt er eigenlijk op neer dat de overheid
beheerst wordt door de macht der feiten. Daarnaast is wetgeving ook gebonden aan de
mate waarin burgers bereid zijn tot coöperatie. De overheid wil en kan niet rechtstreeks
de burgers verplichten tot coöperatie.
Het laatste probleem is globalisering. De verzorgingsstaat belooft een pakket van
voorzieningen aan hen die tot de statelijke gemeenschap behoren. Door globalisering
wordt het echter lastig om deze groep af te bakenen. Nederland treft hier twee
maatregelen voor om deze groep te beperken.
1. Het vervangen van het collectieve verzorgingsstaatpakket door individuele, vooral
geprivatiseerde verzekeringsarrangementen
2. De instroom van minder productieve migranten beperken
Legaliteitsbeginsel
Tegen het einde van de 18e eeuw begon men zich pas te realiseren dat staatsgezag
principieel afhankelijk is van het recht: recht dat berust op rechtsregels om precies te zijn.
Hierdoor verandert ‘macht’ langzaam in ‘bevoegdheid’: burgers-bindende
machtsuitoefening is slechts geoorloogd indien en in zoverre er een rechtsregel is die
daartoe een grondslag geeft.
Wetgeving vormt een essentieel onderdeel van het democratiseringsproces. Onder
wetgever wordt begrepen een representatief orgaan, waarin de bevolking of althans een
deel daarvan gerepresenteerd is. Wetgeving houdt in deze opvatting drie dingen in:
Week 1
Bij staats- en bestuursrecht gaat het over de rechtsbetrekkingen tussen overheid en
burgers en tussen overheidsinstanties onderling. Het handelen van de overheid kan
verschillend van aard zijn. We kennen twee soorten:
1. Feitelijke handeling: Geen juridische besluiten, maar handelingen zonder direct
rechtsgevolg. Bijvoorbeeld: het aanleggen van een weg, plaatsen van een
verkeersbord etc.
2. Rechtshandeling: deze soort kunnen we weer onderverdelen:
a. Privaatrechtelijke rechtshandeling: de overheid kan handelen als
rechtspersoon, net als een bedrijf of particulier
b. Publiekrechtelijke rechtshandeling: handelen op basis van het publiekrecht.
Vaak gaat het hier om eenzijdige bindende besluiten. Echter bestaat er ook
tweezijdige bindende publiekrechtelijke rechtshandelingen.
De eenzijdige bindende besluiten vormen de basis van het staats- en bestuursrecht
Staatsrecht = besluiten van de hoogste staatsorganen en de organisatorisch
structuur van deze organen.
Bestuursrecht = besluiten van organen die zich op specifieke terreinen tot de
burgers richten en de organisatorische structuur van deze organen.
Een eenzijdige binding houdt in dat de gelding van het besluit niet afhankelijk is van de
instemming van degene tot wie het besluit gericht is.
Overheidsbesluiten kunnen zeer verschillend van aard zijn:
Algemeen verbindend voorschrift (Avv): besluiten die in beginsel voor een
onbepaaldheid van gevallen gelding hebben en toegepast kunnen worden (wetten
in materiële zin)
Beschikkingen: een besluit dat niet van algemene strekking is: dus gericht op één
persoon of concreet geval
Beleidsregels: besluiten die aangeven op welke wijze een orgaan zijn beleid moet
voeren. Bindt vooral het bestuursorgaan zelf
Plannen: zijn geen rechtshandelingen maar soms wel besluiten. Bijvoorbeeld:
begrotingsplan
Bindende overheidsbesluiten beantwoorden aan een maatschappelijke behoefte.
Naarmate burgers meer met elkaar te maken krijgen, groeit de behoefte aan bindende
regels om die interactie ordelijk te laten verlopen. Zulke regels zijn nodig om
gemeenschapsbelangen te beschermen en te voorkomen dat minderheden benadeeld
worden. Hoe gevoeliger en omstredene de besluiten, des te belangrijker het is dat ze
worden genomen door een orgaan dat alle belangen en opvattingen zorgvuldig afweegt.
De formele wetgever (regering en Staten-Generaal) is daarvoor het meest geschikt.
Eenzijdige bindende overheidsbesluiten moeten aanvaardbaar zijn. Aanvaardbaar zijn is
gebaseerd op een normatieve, binnen de gemeenschap geldende opvatting over wat
redelijkerwijze aanvaard dient te worden.
In ons stelsel houdt dat in, dat ingrijpende voorzieningen die de hele
gemeenschap raken, in beginsel gedragen moeten worden door de instemming
van de meerderheid.
Minderheidsopvattingen moeten hierbij gerespecteerd worden.
Historische ontwikkeling
De staat = politieke organisatie die gezag uitoefent over een bepaald gebeid en de
mensen die daar wonen.
In de middeleeuwen bestond het idee van soeverein gezag vooral in de vorm van de
theocratische staatsleer. Volgens deze leer is de vorst de hoogste gezagdrager omdat hij
in naam van god regeert. De vorst staat dus boven iedereen en kan in principe doen wat
hij wil, onderdanen moeten hem gehoorzamen en een recht op verzet bestaat niet.
Tegenover deze leer stond de visie dat de vorst slechts beperkte bevoegdheden had. Zijn
bevoegdheden werden namelijk begrensd door het natuurrecht. Binnen deze visie werd
onderscheid gemaakt tussen twee soorten vorsten:
De legitieme vorst: die het natuurrecht respecteerde
, De tiran: die het natuurrecht negeerde
Echter beschikte de vorst vaak niet over de militaire macht en financiële middelen om
zijn gezag af te dwingen. Om zich toch te voorzien van krijgsmacht, maakte de vorst
gebruik van het feodale stelsel.
= de vorst (leenheer) gaf dan domeingoederen levenslang aan machtige vazallen
(leenmannen), in ruil voor hun militaire diensten.
Dit stelsel (feodalisme) wordt gekenmerkt door een sterke band tussen de leenheer en de
leenman. Diverse charters hebben betrekking op het feodale stelsel
Magna Carta (1215): een akkoord waarin de Engelse koning zijn macht moest
beperken na verzet van de adel.
Blijde Incomste (1356): een overeenkomst waarin de hertog van Brabant
beloofde de vrijheden van steden en edelen te respecteren, waardoor zijn macht
sterk werd begrensd en gecontroleerd.
Deze charters hebben als doel het gewoonterecht te codificeren en te bestendigen.
Door dit stelsel en het gewoonterecht, wordt de macht van de vorst dus toch op een
bepaalde manier beperkt.
In de middeleeuwen stond een vorst zelf ook onder hoger gezag:
Hij was leenman van de Rooms-Duitse keizer
Geestelijke gebied: viel onder het gezag van de paus
Vanaf de 13e eeuw begon dit hogere gezag te verzwakken, dit kwam door de
investituurstrijd = een conflict tussen keizer en paus over wie bisschoppen mocht
benoemen. Door deze machtsstrijd verloren zowel keizer als paus invloed, waardoor
vorsten zich steeds onafhankelijker konden opstellen.
In de 16e eeuw versnelde deze ontwikkeling door de reformatie. Het geloof raakte in
West-Europa verdeeld, wat leidde tot gewelddadige godsdienstoorlogen. Veel politieke
denkers zagen slechts één manier om deze chaos te beëindigen: de vorst moest als
hoogste macht optreden en in religieuze kwesties het laatste woord krijgen. dit
vereiste een nieuwe vorm van wetgeving. Voor deze nieuwe orde moesten twee
voorwaarden worden vervuld
1. De vorst moest volledig onafhankelijk zijn van andere machten
2. De vorst moest boven alle partijen staan, zodat hij elke groep binnen het rijk ten
minste een minimale levensruimte kon garanderen.
De tweede voorwaarden wordt door sommige vorsten genegeerd en de minderheden
worden ge elimineert. Ter rechtvaardiging van dit absolutisme wordt teruggegrepen op de
eerdergenoemde theocratische leer.
de vergroting van de centrale macht kom op den duur echter in strijd met de privileges
van de feodale adel en de andere standen, met name de stedelijke burgerij. In de
Nederlanden leidde dit dan ook tot verzet. Dat verzet resulteerde uiteindelijk in de
afscheiding van de Zeven Provinciën. Om deze opstand te rechtvaardigen wordt een
verzetsleer ontwikkeld.
Hierin werd benadrukt dat de vorst regeert bij de gratie van zijn onderdanen.
Dit verzet was gebaseerd op collectieve, historische verworven privileges van
standen, waardoor individuen zelf geen recht hadden om in opstand te komen.
Deze op privileges gebaseerde theorie bood onvoldoende tegenwicht tegen de
absolutistische leer van het ‘droit divin’.
Een meer principiële rechtvaardiging kwam later via de natuurrechtelijke contractsleer,
die uitgaat van individuele vrijheidsrechten. Om conflicten te voorkomen, richten
individuen gezamenlijk een centrale macht op: de staat.
Daarbij geven zij een deel van hun natuurlijke vrijheid op, zodat de staat hun resterende
vrijheid veilig kan garanderen en beschermen.
Centralisering van vorstelijke macht
Botst met privileges van feodale adel en stedelijke burgerij
In Nederland verzet afscheiding Zeven Provinciën
Verzetsleer (Plakkaat van Verlatinghe)
Vorst regeert bij gratie van onderdanen
Gebaseerd op collectieve, historische verworven privileges van
standen
Individuen zelf geen recht op opstand
Beperking: onvoldoende tegenwicht tegen absolutisme
Natuurrechtelijke contractsleer
,Een klassiek-liberale rechtsstaat
De elementen van een klassiek liberale rechtsstaat zijn:
1. Het legaliteitsbeginsel
2. De machtenscheiding
3. De grondrechten
4. De rechterlijke controle
Het legaliteitsbeginsel houdt in dat machtsuitoefening door de staat slechts is geoorloogd
wanneer deze berust op een door de wet gegeven bevoegdheid.
Onvoldoende om willekeur en absolutisme tegen te gaan.
Het moet ondersteund worden door fundamentele rechtsstatelijke beginselen
Montesquieu: De drie machten van een staat (wetgeving, bestuur en rechtspraak)
dienen niet zoals vroeger in één hand te liggen, maar moeten gespreid worden over
verschillende organen die elkaar in evenwicht houden. Er bestaan dus drie machten:
1. Wetgevende macht: die belast is met het scheppen van nieuw recht
(volksvertegenwoordiging)
2. Uitvoerende macht: die dit recht in de praktijk brengt (regering)
3. Rechtsprekende macht: die de toepassing van het recht controleert (rechters)
Echter is in Nederland deze zuivere machtenscheiding nooit helemaal gerealiseerd.
De overheid mag zich niet bemoeien met de wijze waarop het individu van zijn vrijheid
gebruik maakt. Zo ontstaan er eind van de 18e eeuw specifieke vrijheidsgaranties in de
grondwet, genaamd grondrechten. Deze klassieke grondrechten geven vorm aan het idee
van het liberaal-rechtsstatelijke denken: “het vrijheidsrecht vormt het uitgangspunt, de
beperking de uitzondering”
Rechterlijke controle = de rechter toetst tegenwoordig niet alleen het optreden van de
overheid in zuiver civielrechtelijke gedaante, maar ook het optreden van de overheid in
publiekrechtelijke gedaante. Daarnaast wordt er ook getoetst aan de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur.
Probleem klassiek-liberale rechtsstaat:
Het kiesrecht werd afhankelijk gesteld van het inkomen van het individu dit is in
strijdt met de natuurlijke gelijkheid
Beschermt alleen de competitie van gelijkwaardige vrije individuen, maar ziet over
het hoofd dat deze competitie geen gelijke kansen biedt.
Democratische en sociale rechtstaat
Democratische rechtstaat
Het heeft in Nederland meer dan een eeuw geduurd voordat de representatieve
democratie werd gekozen. Dat komt door twee zaken:
1. Ten eerste was de politieke strijd in het begin meer gericht op het terugdringen
van de rol van de koning en het brengen van de regeringsmacht onder de controle
van het parlement. Om dit te realiseren werden daarom twee regels ingevoerd.
1. De politieke ministeriële verantwoordelijkheid
2. De vertrouwensregel
2. Ten tweede had men ervaring met de Franse revolutie, waarin volkssoevereiniteit
ontaarde in een bloederige nachtmerrie. Hierdoor overheerste lang de opvatting
dat de ongeletterde meerderheid van het volk niet in staat was tot verstandig
regeren.
, Door deze twee zaken/ontwikkelingen kwam pas in 1917 een algemeen mannenkiesrecht
tot stand. In 1919 kwam ook algemeen kiesrecht voor vrouwen. De democratische
rechtsstaat was toen pas een feit.
Sociale rechtsstaat
Na de tweede wereldoorlog bloeit de zogenaamde verzorgingsstaat op = een staat die
poogt op allerlei terreinen de voorwaarden te scheppen voor ontplooiing van de mens.
Deze staat, die ook wel aangeduid wordt met de term ‘sociale rechtsstaat’, dient dus
actief de omstandigheden te scheppen die het de burger daadwerkelijk mogelijk maken
aan zijn leven gestalte te geven.
Deze taak is onder meer vervat in sociale grondrechten
Problemen van een democratische rechtsstaat
Het volk heerst, middels vertegenwoordiging. De minderheden moeten dus ook
vertegenwoordigd worden, maar de vraag is of dat in de praktijk ook daadwerkelijk
haalbaar is.
Een democratische rechtsstaat dient zich niet te identificeren met een bepaald absolute
ideologie, maar principieel uit te gaan van een niet-absoluut, slechts relatief
waarheidsbegrip.
Maar waarheid kan in loop der tijd veranderen.
De instabiliteit van een land of het sociaaleconomische ontwikkelingsniveau
kunnen een belemmering vormen.
Kortom bij de democratische rechtsstaat is er spanning tussen de democratie en
minderheidsbescherming. En de democratische rechtsstaat wordt ook geconfronteerd
met een soms moeizame verhouding tussen democratisch-rechtsstatelijke eisen enerzijds
en effectief overheidsoptreden anderzijds.
Soms is het namelijk nodig om snel een wet tot stand te brengen, maar wordt dit
doel belemmerd door zorgvuldige wetgevingsprocedures
Problemen sociale rechtsstaat
De ontwikkeling van een verzorgingsstaat is gepaard gegaan met een enorme groei aan
overheidstaken, die slechts vervuld kunnen worden indien het bestuur over ruime
bevoegdheden beschikt. Het nadeel hiervan is dat de democratische legitimatie van het
overheidshandelen is verminderd. Dit noemt men ook wel ‘de terugtred van de formele
wetgever’
Daarnaast neemt door deze enorme groei aan overheidstaken het toezicht op de naleving
van de regels af.
Een ander probleem is dat de volksvertegenwoordiging ook niet aan ieders wensen kan
voldoen.
Bovendien is wetgeving gebonden aan tijd. Het komt er eigenlijk op neer dat de overheid
beheerst wordt door de macht der feiten. Daarnaast is wetgeving ook gebonden aan de
mate waarin burgers bereid zijn tot coöperatie. De overheid wil en kan niet rechtstreeks
de burgers verplichten tot coöperatie.
Het laatste probleem is globalisering. De verzorgingsstaat belooft een pakket van
voorzieningen aan hen die tot de statelijke gemeenschap behoren. Door globalisering
wordt het echter lastig om deze groep af te bakenen. Nederland treft hier twee
maatregelen voor om deze groep te beperken.
1. Het vervangen van het collectieve verzorgingsstaatpakket door individuele, vooral
geprivatiseerde verzekeringsarrangementen
2. De instroom van minder productieve migranten beperken
Legaliteitsbeginsel
Tegen het einde van de 18e eeuw begon men zich pas te realiseren dat staatsgezag
principieel afhankelijk is van het recht: recht dat berust op rechtsregels om precies te zijn.
Hierdoor verandert ‘macht’ langzaam in ‘bevoegdheid’: burgers-bindende
machtsuitoefening is slechts geoorloogd indien en in zoverre er een rechtsregel is die
daartoe een grondslag geeft.
Wetgeving vormt een essentieel onderdeel van het democratiseringsproces. Onder
wetgever wordt begrepen een representatief orgaan, waarin de bevolking of althans een
deel daarvan gerepresenteerd is. Wetgeving houdt in deze opvatting drie dingen in: