Leerdoelen Strafrecht week 2
Leerdoel 1: Je kunt aan de hand van het vierlagenmodel beschrijven hoe
een strafbaar feit is opgebouwd
De voorwaarden van een strafbaar feit zijn:
1. Menselijke gedraging
2. Wettelijke delictsomschrijving
3. Wederrechtelijkheid
4. Schuld (verwijtbaarheid)
De wederrechtelijkheid kan terugkomen als bestanddeel in de wettelijke
delictsomschrijving. Hierdoor verandert het zogenaamde vierlagenmodel
feitelijk in een drielagenmodel, waarbij de wettelijke delictsomschrijving
ook de wederrechtelijkheid bevat. De wederrechtelijkheid kan hierbij op
twee manieren terugkomen in de delictsomschrijving.
o Expliciet: in dit geval zie je letterlijk in de delictsomschrijving het
begrip wederrechtelijk staan. Bijv. art 350 Sr
o Impliciet: je ziet het woordje wederrechtelijk niet staan, maar hij is
er wel. Het begrip zit verscholen in een andere term. Bijv. bij art. 300
en 301 Sr.
Er zijn twee strafuitsluitingsgronden
o Rechtvaardigingsgronden: deze strafuitsluitingsgronden nemen
de wederrechtelijkheid weg. Zo excuseren ze de daad.
o Schulduitsluitingsgronden: deze strafuitsluitingsgronden nemen
de verwijtbaarheid weg. Ze excuseren de dader.
Indien de wederrechtelijkheid als bestanddeel is opgenomen in de
delictsomschrijving, komt de rechtvaardigingsgrond niet aan bod bij de
derde vraag, maar meteen bij de eerste vraag. Indien het beroep op de
rechtvaardigingsgrond dan slaagt, zal de rechter nu tot vrijspraak komen
en niet tot een OVAR ( ontslagen van alle rechtsvervolging)
Leerdoel 2: Je kunt het verschil tussen bestanddelen en elementen
herkennen
Bestanddelen staan in de wettelijke delictsomschrijving. Elementen staan
niet in de delictsomschrijving en zijn ongeschreven voorwaarden voor
strafbaarheid. Wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid zijn elementen.
o Wederrechtelijkheid: dat wat gebeurd is, is in strijd met het
objectieve recht
o Verwijtbaarheid: de verdachte is persoonlijk verwijtbaar
De wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid kunnen ook een
delictsbestanddeel zijn. Opzet/culpa staat dan in de wettelijke
delictsomschrijving. In dat geval verschuift de
wederrechtelijkheid/verwijtbaarheid naar vraag 1 – de bewezenverklaring
van het ten laste gelegde. Er kan dus alleen aan de kwalificatievraag
worden voldaan als de wederrechtelijkheid/ verwijtbaarheid zijn
opgenomen in de tenlastelegging.
Leerdoel 1: Je kunt aan de hand van het vierlagenmodel beschrijven hoe
een strafbaar feit is opgebouwd
De voorwaarden van een strafbaar feit zijn:
1. Menselijke gedraging
2. Wettelijke delictsomschrijving
3. Wederrechtelijkheid
4. Schuld (verwijtbaarheid)
De wederrechtelijkheid kan terugkomen als bestanddeel in de wettelijke
delictsomschrijving. Hierdoor verandert het zogenaamde vierlagenmodel
feitelijk in een drielagenmodel, waarbij de wettelijke delictsomschrijving
ook de wederrechtelijkheid bevat. De wederrechtelijkheid kan hierbij op
twee manieren terugkomen in de delictsomschrijving.
o Expliciet: in dit geval zie je letterlijk in de delictsomschrijving het
begrip wederrechtelijk staan. Bijv. art 350 Sr
o Impliciet: je ziet het woordje wederrechtelijk niet staan, maar hij is
er wel. Het begrip zit verscholen in een andere term. Bijv. bij art. 300
en 301 Sr.
Er zijn twee strafuitsluitingsgronden
o Rechtvaardigingsgronden: deze strafuitsluitingsgronden nemen
de wederrechtelijkheid weg. Zo excuseren ze de daad.
o Schulduitsluitingsgronden: deze strafuitsluitingsgronden nemen
de verwijtbaarheid weg. Ze excuseren de dader.
Indien de wederrechtelijkheid als bestanddeel is opgenomen in de
delictsomschrijving, komt de rechtvaardigingsgrond niet aan bod bij de
derde vraag, maar meteen bij de eerste vraag. Indien het beroep op de
rechtvaardigingsgrond dan slaagt, zal de rechter nu tot vrijspraak komen
en niet tot een OVAR ( ontslagen van alle rechtsvervolging)
Leerdoel 2: Je kunt het verschil tussen bestanddelen en elementen
herkennen
Bestanddelen staan in de wettelijke delictsomschrijving. Elementen staan
niet in de delictsomschrijving en zijn ongeschreven voorwaarden voor
strafbaarheid. Wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid zijn elementen.
o Wederrechtelijkheid: dat wat gebeurd is, is in strijd met het
objectieve recht
o Verwijtbaarheid: de verdachte is persoonlijk verwijtbaar
De wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid kunnen ook een
delictsbestanddeel zijn. Opzet/culpa staat dan in de wettelijke
delictsomschrijving. In dat geval verschuift de
wederrechtelijkheid/verwijtbaarheid naar vraag 1 – de bewezenverklaring
van het ten laste gelegde. Er kan dus alleen aan de kwalificatievraag
worden voldaan als de wederrechtelijkheid/ verwijtbaarheid zijn
opgenomen in de tenlastelegging.