Leerdoelen week 4
Leerdoel 1: je kunt de verschillende deelnemingsvormen uit een casus
identificeren
Er zijn in totaal vier deelnemingsvormen
1. Doen plegen (art. 47 lid 1 sub 1 Sr)
2. Medeplegen (art. 47 lid 1 sub 1 Sr)
3. Uitlokken (art. 47 lid 1 sub 1 Sr)
4. Medeplichtigheid (art. 48 Sr)
Voor iedere deelnemingsvorm gelden twee vereisten:
1. Accessoriteit: is er een strafbaar gronddelict tot stang
gekomen
De accessoriteit van de deelnemingshandeling houdt in dat er een
strafbaar gronddelict tot stand moet zijn gekomen, voordat er sprake
kan zijn van strafbare deelneming. Het gronddelict kan een voltooid
delict zijn, maar ook een strafbare poging (art.45 Sr) of een strafbare
voorbereiding (art. 46 Sr).
2. Deelnemingsgedraging: is er sprake van een bijdrage aan
het misdrijf?
a. Objectief: de deelnemer moet een bijdrage leveren aan de
totstandkoming van het feit. Er moet dus sprake zijn van een
causaal verband.
b. Subjectief: alle deelnemingsvormen worden gekenmerkt door
opzettelijk handelen. In dit kader kan ook wel worden gesproken
van dubbele opzet dit houdt het volgende in:
Opzet op de eigen deelnemingsgedraging: de deelnemer
moet opzet hebben gehad op zijn eigen deelnemingsgedrag
Schuldvorm ten aanzien van het gronddelict: de deelnemer
moet opzet hebben gehad op de totstandkoming van het
gronddelict en dus ook op de vervulling van alle
bestanddelen. Voorwaardelijk opzet voldoet in dergelijke
gevallen ook.
De eis van dubbele opzet kan in enkele situaties wel enigszins worden
gerelativeerd. We kunnen daarom onderscheid maken tussen
1. De directe deelnemingsvormen: dit zijn ‘doen plegen’ en
‘medeplegen’. Bij deze vormen van deelneming ligt het minder voor
de hand de eis te stellen dat de deelnemer opzet heeft op alle
bestanddelen als delictsomschrijving zelf geen opzetbestanddeel
bevat.
2. De indirecte deelnemingsvormen: dit zijn ‘uitlokking’ en
‘medeplichtigheid’. Bij deze vormen treffen we de relativering van
het dubbelopzet aan in art. 47 lid 2 en art. 49 lid 4 Sr. Deze artikelen
bepalen dat de uitlokker en de medeplichtige alleen strafrechtelijk
aansprakelijk zijn voor de handelingen waartoe hun opzet reikte. Dit
houdt twee dingen in:
De uitlokker en medeplichtige zijn ook aansprakelijk voor de
gevolgen van het strafbare feit zonder dat hun opzet op die
gevolgen hoeft te zijn gericht
Leerdoel 1: je kunt de verschillende deelnemingsvormen uit een casus
identificeren
Er zijn in totaal vier deelnemingsvormen
1. Doen plegen (art. 47 lid 1 sub 1 Sr)
2. Medeplegen (art. 47 lid 1 sub 1 Sr)
3. Uitlokken (art. 47 lid 1 sub 1 Sr)
4. Medeplichtigheid (art. 48 Sr)
Voor iedere deelnemingsvorm gelden twee vereisten:
1. Accessoriteit: is er een strafbaar gronddelict tot stang
gekomen
De accessoriteit van de deelnemingshandeling houdt in dat er een
strafbaar gronddelict tot stand moet zijn gekomen, voordat er sprake
kan zijn van strafbare deelneming. Het gronddelict kan een voltooid
delict zijn, maar ook een strafbare poging (art.45 Sr) of een strafbare
voorbereiding (art. 46 Sr).
2. Deelnemingsgedraging: is er sprake van een bijdrage aan
het misdrijf?
a. Objectief: de deelnemer moet een bijdrage leveren aan de
totstandkoming van het feit. Er moet dus sprake zijn van een
causaal verband.
b. Subjectief: alle deelnemingsvormen worden gekenmerkt door
opzettelijk handelen. In dit kader kan ook wel worden gesproken
van dubbele opzet dit houdt het volgende in:
Opzet op de eigen deelnemingsgedraging: de deelnemer
moet opzet hebben gehad op zijn eigen deelnemingsgedrag
Schuldvorm ten aanzien van het gronddelict: de deelnemer
moet opzet hebben gehad op de totstandkoming van het
gronddelict en dus ook op de vervulling van alle
bestanddelen. Voorwaardelijk opzet voldoet in dergelijke
gevallen ook.
De eis van dubbele opzet kan in enkele situaties wel enigszins worden
gerelativeerd. We kunnen daarom onderscheid maken tussen
1. De directe deelnemingsvormen: dit zijn ‘doen plegen’ en
‘medeplegen’. Bij deze vormen van deelneming ligt het minder voor
de hand de eis te stellen dat de deelnemer opzet heeft op alle
bestanddelen als delictsomschrijving zelf geen opzetbestanddeel
bevat.
2. De indirecte deelnemingsvormen: dit zijn ‘uitlokking’ en
‘medeplichtigheid’. Bij deze vormen treffen we de relativering van
het dubbelopzet aan in art. 47 lid 2 en art. 49 lid 4 Sr. Deze artikelen
bepalen dat de uitlokker en de medeplichtige alleen strafrechtelijk
aansprakelijk zijn voor de handelingen waartoe hun opzet reikte. Dit
houdt twee dingen in:
De uitlokker en medeplichtige zijn ook aansprakelijk voor de
gevolgen van het strafbare feit zonder dat hun opzet op die
gevolgen hoeft te zijn gericht