HOOFDSTUK 1
1. Marktprijs: Qa = Qv -> p=...
2. Evenwichtshoeveelheid: p invullen in Qa/Qv
3. Evenwichtsomzet = Q x P
Economie
Economie bestudeert de keuzes die mensen maken bij de productie en consumptie van schaarse
producten. Zij maken deze keuzes om in hun behoeften te voorzien.
Producten zijn schaars als er productiemiddelen voor moeten worden opgeofferd. Dit noemt met
relatieve schaarste. Als er een tekort is aan een product wordt dit absolute schaarste genoemd.
Productiefactoren
Kapitaal
Arbeid
Natuur
Ondernemerschap
Beloningen productiefactoren
Loon, rente, huur, pacht, winst.
Vrije goederen
Goederen waarvoor geen schaarse middelen worden opgeofferd.
Alternatief aanwendbaar
De middelen (producten, tijd, geld) kunnen voor verschillende zaken gebruikt worden.
Transactiekosten
Alle kosten en moeite die samenhangen met het tot stand komen en afwikkelen van een ruil.
Arbeidsdeling = specialisatie
Het splitsen van het arbeidsproces in onderdelen waardoor de arbeidsproductiviteit kan worden
vergroot.
Arbeidsproductiviteit
Productie per persoon per periode.
Directe ruil = ruil in natura
Goederen ruilen tegen goederen.
Indirecte ruil
Goederen worden geruild tegen geld
Functies van geld
1. Ruilmiddel
2. Rekenmiddel
3. Spaarmiddel
Tabel 1.2
Blz 10
HOOFDSTUK 2
, Pareto-efficiënt = pareto optimaal
De welvaart van de ene persoon kan niet toenemen zonder dat de welvaart van iemand anders
afneemt.
Kritiek pareto efficiëntie
- Gaat alleen om ruiltransacties in formele (geregistreerde) economie.
- Zelfvoorziening (bijv. zelf je huis schilderen) wordt niet meegeteld.
- Met kosten die niet in de prijs van een goed zijn verrekend (externe effecten) wordt geen
rekening gehouden (bijv. milieuvervuiling)
Individuele consumentensurplus
Iemand hoeft minder voor het product te betalen dan hij bereid was te betalen.
Berekening: betalingsbereidheid - werkelijke prijs.
Totale consumentensurplus
Het consumentensurplus van alle kopers samen. Er bestaat geen negatief surplus -> dus ook niet
meegerekend.
Berekening bij gegeven vraaglijn:
0,5 x maximale consumentensurplus x evenwichtshoeveelheid
Leveringsbereidheid
De bereidheid van de aanbieder om bij een bepaalde prijs een bepaalde hoeveelheid te leveren.
Individuele producentensurplus
Een producent krijgt meer voor zijn product dan wat hij minimaal wilde ontvangen.
Berekening: marktprijs - minimale prijs
Berekening totale producentensurplus bij een gegeven aanbodlijn:
0,5 x maximale producentensurplus x evenwichtshoeveelheid
HOOFDSTUK 3
Marktfalen
Er komt geen pareto-efficiëntie tot stand. De marktwerking wordt verstoord.
Prijsregulering door de overheid
Prijsbeïnvloeding door de overheid.
1. Instellen van een maximumprijs.
a. Doel: het beschermen van de consument.
2. Instellen van een minimumprijs = garantieprijs = interventieprijs
a. Doel: het beschermen van de producent, aanbod behouden.
b. Ligt altijd boven de evenwichtsprijs.
3. Opleggen van indirecte belastingen.
4. Geven van prijsverlagende subsidies.
Harberger driehoek = dead weight loss
De driehoek die de afname van het surplus, dus het welvaartsverlies, weergeeft.
HOOFDSTUK 4
1. Marktprijs: Qa = Qv -> p=...
2. Evenwichtshoeveelheid: p invullen in Qa/Qv
3. Evenwichtsomzet = Q x P
Economie
Economie bestudeert de keuzes die mensen maken bij de productie en consumptie van schaarse
producten. Zij maken deze keuzes om in hun behoeften te voorzien.
Producten zijn schaars als er productiemiddelen voor moeten worden opgeofferd. Dit noemt met
relatieve schaarste. Als er een tekort is aan een product wordt dit absolute schaarste genoemd.
Productiefactoren
Kapitaal
Arbeid
Natuur
Ondernemerschap
Beloningen productiefactoren
Loon, rente, huur, pacht, winst.
Vrije goederen
Goederen waarvoor geen schaarse middelen worden opgeofferd.
Alternatief aanwendbaar
De middelen (producten, tijd, geld) kunnen voor verschillende zaken gebruikt worden.
Transactiekosten
Alle kosten en moeite die samenhangen met het tot stand komen en afwikkelen van een ruil.
Arbeidsdeling = specialisatie
Het splitsen van het arbeidsproces in onderdelen waardoor de arbeidsproductiviteit kan worden
vergroot.
Arbeidsproductiviteit
Productie per persoon per periode.
Directe ruil = ruil in natura
Goederen ruilen tegen goederen.
Indirecte ruil
Goederen worden geruild tegen geld
Functies van geld
1. Ruilmiddel
2. Rekenmiddel
3. Spaarmiddel
Tabel 1.2
Blz 10
HOOFDSTUK 2
, Pareto-efficiënt = pareto optimaal
De welvaart van de ene persoon kan niet toenemen zonder dat de welvaart van iemand anders
afneemt.
Kritiek pareto efficiëntie
- Gaat alleen om ruiltransacties in formele (geregistreerde) economie.
- Zelfvoorziening (bijv. zelf je huis schilderen) wordt niet meegeteld.
- Met kosten die niet in de prijs van een goed zijn verrekend (externe effecten) wordt geen
rekening gehouden (bijv. milieuvervuiling)
Individuele consumentensurplus
Iemand hoeft minder voor het product te betalen dan hij bereid was te betalen.
Berekening: betalingsbereidheid - werkelijke prijs.
Totale consumentensurplus
Het consumentensurplus van alle kopers samen. Er bestaat geen negatief surplus -> dus ook niet
meegerekend.
Berekening bij gegeven vraaglijn:
0,5 x maximale consumentensurplus x evenwichtshoeveelheid
Leveringsbereidheid
De bereidheid van de aanbieder om bij een bepaalde prijs een bepaalde hoeveelheid te leveren.
Individuele producentensurplus
Een producent krijgt meer voor zijn product dan wat hij minimaal wilde ontvangen.
Berekening: marktprijs - minimale prijs
Berekening totale producentensurplus bij een gegeven aanbodlijn:
0,5 x maximale producentensurplus x evenwichtshoeveelheid
HOOFDSTUK 3
Marktfalen
Er komt geen pareto-efficiëntie tot stand. De marktwerking wordt verstoord.
Prijsregulering door de overheid
Prijsbeïnvloeding door de overheid.
1. Instellen van een maximumprijs.
a. Doel: het beschermen van de consument.
2. Instellen van een minimumprijs = garantieprijs = interventieprijs
a. Doel: het beschermen van de producent, aanbod behouden.
b. Ligt altijd boven de evenwichtsprijs.
3. Opleggen van indirecte belastingen.
4. Geven van prijsverlagende subsidies.
Harberger driehoek = dead weight loss
De driehoek die de afname van het surplus, dus het welvaartsverlies, weergeeft.
HOOFDSTUK 4