Paragraaf 1
Alpiene plooiingsgebieden: gebergten die zijn ontstaan door botsing van platen in laatste 70
miljoen jaar; bestaan vooral uit sedimentgesteenten die gevormd zijn uit dikke lagen zand,
klei en kalk die eerder zijn afgezet op de bodem van de zee; Pyreneeën, Alpen, Karpaten.
Trekkracht: dit is de kracht die bij subductiezones de oceanische plaat naar beneden trekt,
de oceanische plaat is hier extra zwaar geworden omdat hij oud is, is afgekoeld en
ingekrompen. Deze kracht werkt niet alleen op de plek van de subductiezone, maar trekt ook
de rest van de oceanische plaat mee.
- Middellandse zee ligt op convergerende plaatgrens; Afrikaanse plaat beweegt naar de
Euraziatische plaat. Middellandse zee is zo een steeds kleiner wordende zee; het is zelfs
al een overblijfsel van een grote oceaan tussen Afrika en Europa.
- Afrika draait dus langzaam naar Europa toe, door het wegzakken van de oceanische korst
= subductie (vooral in het oosten van de Middellandse zee). Hierbij ontstaan ook
trekkrachten. De sterkste trekkracht is te vinden in het westen van de Middellandse zee.
Hier draait de Afrikaanse plaat namelijk een beetje af van de Euraziatische plaat,
waardoor de convergerende beweging minder sterk is en daardoor de trekkracht sterker
is. Hierdoor is de continentale korst in het westen (vooral de Tyrreense Zee) ook
uitgerekt en verzakt; zo zijn hier dus laaggelegen bekkens in plaats van hooggelegen
gebergten. Door de draaiing en uitrekking (subductie) van de Tyrreense Zee is er nog
maar een klein stukje van de Afrikaanse plaat in het noorden over. Dit is een
microplaat: de Apulische plaat.
- Door afwisseling van convergentie en divergentie zijn er in dit gebied verschillende mini-
oceanen ontstaan en weer dichtgedrukt, bv. de Tyrreense Zee. Op veel van die plekken
die zijn ontstaan en weer dichtgedrukt bestaan nu jonge gebergten; alpiene
plooiingsgebergten.
Naast die alpiene plooiingsgebergten zijn er op dit soort plekken ook verzakte
gebieden/oceanen i.p.v. gebergten. Deze zijn ontstaan door de grote rekkracht,
waardoor magma omhoog kwam en nieuwe oceanische kort werd gevormd, bv. de
Tyrreense Zee of Egeïsche zee. Bij de Egeïsche zee zijn de Griekse eilanden de toppen van
de ‘verdronken gebergtes’. Bij deze subductie ontstaan ook vulkanisme, bv. de Satorini
vulkaan.
- Bij Italië duikt de Apulische plaat (continentaal) onder de Tyrreense zee(continentaal)/
Euraziatische plaat (noordoosten van Italië) waardoor subductie ontstond en dus veel
vulkanen. De subductie is nu zo goed als gestopt en nu bewegen alleen nog
kalksteenlagen die in de zee op de Apulische plaat liggen over Italië heen.
In het zuiden van Italië is nog wel subductie door de Afrikaanse plaat en de Euraziatische
plaat, denk aan de Etna. De Etna kent rustig vulkanisme, terwijl dit eigenlijk alleen
voorkomt bij divergente plaatbewegingen. Dit komt door de trekkracht in de Tyrreense
Zee. Hierdoor komt diepe magma omhoog die minder stroperig is, waardoor een
actieve maar effusieve vulkaan ontstaat. Door de effusieve uitbarstingen heeft de
vulkaan zich ontwikkelt tot een schildvulkaan.
- De microplaat waarop Turkije ligt beweegt langs de Noord-Anatolische breuklijn naar het
westen. Deze microplaat is afgebroken van de Euraziatische plaat omdat de Arabische
plaat afbrak van de Afrikaanse plaat, waardoor deze snel naar het noorden schoof. De
microplaat waarop Turkije ligt kwam zo klem te zitten tussen de Euraziatische plaat en de
, Arabische plaat. Omdat hij klem zat, moest deze microplaat zich verplaatsen naar het
westen. Langs deze breuklijn zijn gebergten ontstaan. Ook zijn bij Libanon gebergten
ontstaan langs de breuklijn van de Arabische en Afrikaanse plaat.
- Door de vele breuken worden de Egeïsche en Anatolische platen als aparte microplaten
beschouwd met eigen bewegingsrichtingen.
- De Iberische plaat ligt bij het scharnierpunt waarlangs Afrika zicht beweegt. Hierdoor
lopen de gebergten van Spanje in allerlei richtingen. Ook aan de andere kant van het
scharnierpunt (Marokko, Algerije, Tunesië) liggen gebergten op de grens van de
Euraziatische en Afrikaanse plaat.
Paragraaf 2