Samenvatting Campbell 51
51.1
De belangrijkste invloed op de verspreiding van organismen op het land is het
klimaat, de op lange termijn heersende weersomstandigheden in een bepaald
gebied. Vier fysieke factoren - temperatuur, neerslag, zonlicht en wind - zijn
belangrijke componenten van het klimaat.
Mondiale klimaatpatronen worden deels bepaald door inbreng van zonne-
energie en de beweging van de aarde in de ruimte. De zon verwarmt de aarde,
dit veroorzaakt temperatuurschommeling, bewegingen van lucht en water en
verdamping van water breedteverschillen in het klimaat veroorzaken.
Het klimaat varieert per seizoen en kan worden gewijzigd door andere factoren:
1. Seizoen gebondenheid
2. Waterlichamen
Effecten van vegetatie op het klimaat
Het klimaat beïnvloedt de plaats waar terrestrische organismen kunnen leven,
maar organismen kunnen ook het klimaat beïnvloeden (bossen).
Microklimaat - zeer fijne, lokale patronen in klimaatomstandigheden. Veel
elementen in het milieu beïnvloeden het microklimaat door schaduw te werpen,
de verdamping van de bodem te wijzigen of de windpatronen te veranderen. Elk
milieu op aarde vertoont kleinschalige verschillen in chemische en fysische
eigenschappen, zoals temperatuur, licht, water en voedingsstoffen. Alle
biotische, of levende, factoren - de andere organismen die deel uitmaken van de
omgeving van een individu - beïnvloeden de verspreiding en overvloed van het
leven op aarde.
51.2
Leven op aarde is op grote schaal verdeeld in biomen (grote levenszones die
worden gekenmerkt door het vegetatie typen in biomen). Klimaat heeft sterke
invloed bij het bepalen van de locaties van terrestrische biomen. Het belang van
klimaat kan worden aangetoond met een klimograaf. Ook andere factoren spelen
een rol bij het bepalen van het bestaan van biomen.
Klimaatgrafieken zijn gebaseerd op jaargemiddelde en er kan dus variatie
optreden. Echter patroon van de klimaatvariatie = even belangrijk als het
gemiddelde klimaat.
Biomen zijn dynamische, verstoring -> eerder regel dan stabiliteit.
Verstoring: gebeurtenis die een gemeenschap veranderd, organisme
worden verwijderd en beschikbaar van bronnen wordt hiermee veranderd. Als
gevolg van verstoringen zijn biomen vaak fragmentarisch, met verschillende
gemeenschappen in één gebied. Zelfs dominante planten zijn afhankelijk van
periodieke verstoringen.
51.3
, Aquatische biomen zijn diverse en dynamische systemen, bedekken het grootste
deel van de aarde.
Ze worden voornamelijk gekenmerkt door hun fysieke en chemische omgeving.
Ze vertonen ook veel minder latitudinale variatie, en alle soorten komen over de
hele wereld voor.
De oceanen vormen het grootste zeebioom en beslaan ongeveer 75% van het
aardoppervlak. Door hun enorme omvang hebben ze een grote invloed op de
biosfeer.
Zonering in aquatische biomen
Veel aquatische biomen zijn fysiek en chemisch gelaagd, zowel verticaal als
horizontaal. Licht wordt geabsorbeerd door water en door fotosynthetische
organismen, zodat de intensiteit ervan snel afneemt met de diepte.
De gemeenschappen zijn verdeeld naar gelang van de waterdiepte, de mate van
lichtinval, de afstand tot de kust en of zij zich in open water of nabij de bodem
bevinden. Plankton en veel vissoorten leven in de relatief ondiepe fotische zone.
Omdat water zo goed licht absorbeert en de oceaan zo diep is, is het grootste
deel van de oceaan donker (de aphotische zone) en herbergt relatief weinig
leven.
51.4
Interacties tussen organismen en de omgeving beperken de verspreiding van
soorten
In grote lijnen is de verspreiding van soorten een gevolg van zowel ecologische
factoren als van de evolutiegeschiedenis. In veel gevallen hebben zowel
biotische als abiotische factoren invloed op de verspreiding van een soort.
Temperatuur, beschikbaarheid van water zijn voorbeelden van abiotische
factoren. Ecologen moeten rekening houden met meerdere factoren en
alternatieve hypotheses wanneer ze de verspreiding van een soort proberen te
verklaren.
Beperken abiotische factoren, zoals temperatuur, water, zuurstof, zoutgehalte,
zonlicht of bodem, de verspreiding van een soort. Als de fysieke omstandigheden
op een locatie een soort niet in staat stellen te overleven en zich voort te
planten, zal de soort daar niet voorkomen. In deze discussie mag niet worden
vergeten dat de meeste abiotische factoren sterk variëren in ruimte en tijd.
Dagelijkse en jaarlijkse schommelingen van abiotische factoren kunnen regionale
verschillen doen vervagen of accentueren. Bovendien kunnen organismen
sommige stressvolle omstandigheden tijdelijk vermijden door middel van
gedragingen als slaap- of winterslaap.
Factoren:
- Temperatuur
- Water en zuurstof
- Zoutgehalte
- Zonlicht
- Rotsen en bodem
51.1
De belangrijkste invloed op de verspreiding van organismen op het land is het
klimaat, de op lange termijn heersende weersomstandigheden in een bepaald
gebied. Vier fysieke factoren - temperatuur, neerslag, zonlicht en wind - zijn
belangrijke componenten van het klimaat.
Mondiale klimaatpatronen worden deels bepaald door inbreng van zonne-
energie en de beweging van de aarde in de ruimte. De zon verwarmt de aarde,
dit veroorzaakt temperatuurschommeling, bewegingen van lucht en water en
verdamping van water breedteverschillen in het klimaat veroorzaken.
Het klimaat varieert per seizoen en kan worden gewijzigd door andere factoren:
1. Seizoen gebondenheid
2. Waterlichamen
Effecten van vegetatie op het klimaat
Het klimaat beïnvloedt de plaats waar terrestrische organismen kunnen leven,
maar organismen kunnen ook het klimaat beïnvloeden (bossen).
Microklimaat - zeer fijne, lokale patronen in klimaatomstandigheden. Veel
elementen in het milieu beïnvloeden het microklimaat door schaduw te werpen,
de verdamping van de bodem te wijzigen of de windpatronen te veranderen. Elk
milieu op aarde vertoont kleinschalige verschillen in chemische en fysische
eigenschappen, zoals temperatuur, licht, water en voedingsstoffen. Alle
biotische, of levende, factoren - de andere organismen die deel uitmaken van de
omgeving van een individu - beïnvloeden de verspreiding en overvloed van het
leven op aarde.
51.2
Leven op aarde is op grote schaal verdeeld in biomen (grote levenszones die
worden gekenmerkt door het vegetatie typen in biomen). Klimaat heeft sterke
invloed bij het bepalen van de locaties van terrestrische biomen. Het belang van
klimaat kan worden aangetoond met een klimograaf. Ook andere factoren spelen
een rol bij het bepalen van het bestaan van biomen.
Klimaatgrafieken zijn gebaseerd op jaargemiddelde en er kan dus variatie
optreden. Echter patroon van de klimaatvariatie = even belangrijk als het
gemiddelde klimaat.
Biomen zijn dynamische, verstoring -> eerder regel dan stabiliteit.
Verstoring: gebeurtenis die een gemeenschap veranderd, organisme
worden verwijderd en beschikbaar van bronnen wordt hiermee veranderd. Als
gevolg van verstoringen zijn biomen vaak fragmentarisch, met verschillende
gemeenschappen in één gebied. Zelfs dominante planten zijn afhankelijk van
periodieke verstoringen.
51.3
, Aquatische biomen zijn diverse en dynamische systemen, bedekken het grootste
deel van de aarde.
Ze worden voornamelijk gekenmerkt door hun fysieke en chemische omgeving.
Ze vertonen ook veel minder latitudinale variatie, en alle soorten komen over de
hele wereld voor.
De oceanen vormen het grootste zeebioom en beslaan ongeveer 75% van het
aardoppervlak. Door hun enorme omvang hebben ze een grote invloed op de
biosfeer.
Zonering in aquatische biomen
Veel aquatische biomen zijn fysiek en chemisch gelaagd, zowel verticaal als
horizontaal. Licht wordt geabsorbeerd door water en door fotosynthetische
organismen, zodat de intensiteit ervan snel afneemt met de diepte.
De gemeenschappen zijn verdeeld naar gelang van de waterdiepte, de mate van
lichtinval, de afstand tot de kust en of zij zich in open water of nabij de bodem
bevinden. Plankton en veel vissoorten leven in de relatief ondiepe fotische zone.
Omdat water zo goed licht absorbeert en de oceaan zo diep is, is het grootste
deel van de oceaan donker (de aphotische zone) en herbergt relatief weinig
leven.
51.4
Interacties tussen organismen en de omgeving beperken de verspreiding van
soorten
In grote lijnen is de verspreiding van soorten een gevolg van zowel ecologische
factoren als van de evolutiegeschiedenis. In veel gevallen hebben zowel
biotische als abiotische factoren invloed op de verspreiding van een soort.
Temperatuur, beschikbaarheid van water zijn voorbeelden van abiotische
factoren. Ecologen moeten rekening houden met meerdere factoren en
alternatieve hypotheses wanneer ze de verspreiding van een soort proberen te
verklaren.
Beperken abiotische factoren, zoals temperatuur, water, zuurstof, zoutgehalte,
zonlicht of bodem, de verspreiding van een soort. Als de fysieke omstandigheden
op een locatie een soort niet in staat stellen te overleven en zich voort te
planten, zal de soort daar niet voorkomen. In deze discussie mag niet worden
vergeten dat de meeste abiotische factoren sterk variëren in ruimte en tijd.
Dagelijkse en jaarlijkse schommelingen van abiotische factoren kunnen regionale
verschillen doen vervagen of accentueren. Bovendien kunnen organismen
sommige stressvolle omstandigheden tijdelijk vermijden door middel van
gedragingen als slaap- of winterslaap.
Factoren:
- Temperatuur
- Water en zuurstof
- Zoutgehalte
- Zonlicht
- Rotsen en bodem