Algemeen
Beleidsvoering en ontwikkeling
Fase 1: Veiligheid, farmacokinetic en dosis bestuderen in kleine groep patienten
Fase 2: Effectiviteit en verdere veiligheid bestuderen in iets grotere groep patienten
Fase 3: Effectiviteit en veiligheid bestuderen in een grote groep patienten en
gerandomiseerd tegenover standard behandeling of placebo
ESMO (Europian Society Medical Oncology) clinical benefit scale, bedenkt waar een
fase 3 studie aan moet voldoen om te zeggen dit is een middel wat we absoluut aan onze
patient willen geven, curatief of palliatief.
In NL PASKWIL criteria
• Palliatief
• Adjuvant
• Specifieke bijwerkingen
• KWaliteit van leven
• Impact van behandeling
• Level of evidence
Onderzoek naar kanker
Bij next generation sequencing gebruik je uniersele primers, met software plak je de
delen DNA aan elkaar. Snel, kosten, effectief. Soms lastig: lagere sensitiviteit. Is voor
hele genoom. Voor 1 gen beter sanger sequence.
• Whole genome = alles, ook promotoren, vers materiaal nodig
• Exome sequencing = wat er in genen gebeurd
• Targeted sequencen veel diper
Deze info kun je gebruiken als je niet weet waar een kanker vandaan komt.
DRUP : DNA om te kijken of er een mutatie is waardoor pt. medicijn gevoelig is. Bekende
middelen opnieuw ontdekken voor andere kankers.
1
,Thema 1 geel: oncologie en mammacarcinoom
Tumoren goedaardig vs. Kwaadaardig
De student kan maligne transformatieprocessen uitleggen op orgaan- en celniveau.
Celdeling is een gereguleerd evenwicht tussen aanmaak en afbraak. Een tumor
(zwelling) ontstaat door
1. Verminderde cel afbraak = apoptose
2. Toegenomen cel aanmaak
Kanker is aangeboren of verworven ziekte van DNA van de cel (mutaties) wat leidt tot
ongecontroleerde celdeling. Mutaties blijven bestaan, en er is geen herstel. Cellen
kunnen niet stoppen met delen en groeien in omliggend weefsel. Er is verminderde
apoptose en toenemende proliferatie. Je noemt het pas kanker als er sprake is van:
1. Infiltrerende groei → dat is vaak het moment dat de pt zich meldt met bv pijn in
de rug
2. Neiging tot metastase
a. Lymfogen
b. Hematogeen
c. Direct (buikholte)
Belangrijke biologische kenmerken van kanker:
• Autonome groeisignalen
• Ongevoeligheid voor groeiremming
• Ontsnappen aan apoptose
• Angiogenese
• Invasie en metastasering
• Ontsnappen aan immuunsysteem
• Genomische instabiliteit
De student kan uitleggen op basis waarvan tumoren worden geclassificeerd.
Kenmerk Benigne Premaligne Maligne
Architectuur Behouden Gedeeltelijk verstoord Verstoord
Myo-epitheel Aanwezig Aanwezig Afwezig
Clonaal Nee Ja Ja
Invasief Nee Nee Ja
Metastasen Nee Nee Ja
Tumornaamgeving (nomenclatuur)
• Epitheliale tumoren:
o Goedaardig: adenoom
o Kwaadaardig: carcinoom
• Mesenchymale tumoren:
o Goedaardig: -oom
2
, o Kwaadaardig: -sarcoom
• Hematologische maligniteiten:
o Leukemie
o Lymfoom
Differentiatie
• Geeft aan hoe sterk tumorcellen lijken op het oorspronkelijke weefsel.
• Goed gedifferentieerd:
o Lijkt sterk op normaal weefsel
o Vaak minder agressief
• Slecht gedifferentieerd:
o Weinig gelijkenis met normaal weefsel
o Vaak agressiever gedrag
Graad versus stadium
• Gradering: hoe kwaadaardig: mate van buisvorming, kernpolymofrmie,
delignsactiviteit
o Microscopisch
o Mate van agressiviteit
o Bij mamma: Bloom & Richardson
• Stadiëring: anatomische uitbreiding
o Anatomische uitbreiding
o TNM-classificatie
• Multifocaal/multicentrisch
• Hormoon/receptor status
• Her2neu overexpressie
Bloom & Richardson gradering: voor beleid
Mate van buisvorming:
1. >75%
2. 10-75%
3. <10%
Kernpolymorfie:
1. Vergelijkbaar met normaal epitheel
2. Vergroot, vesiculair, kleine nucleoli
3. Polymorf, vesiculair, grote nucleoli
Mitosen per 2mm2
1. 0-6
2. 7-12
3
, 3. >12
Score 3-5: graad 1
Score 6-7: graad 2
Score 8-9: graad 3
De student kan, aan de hand van zowel micro- als macroscopische kenmerken,
benoemen of een tumor goed- of kwaadaardig is.
Lacrimale cellen maken melk. Daaromheen zitten myoepitheliale cellen. P63 is een
kleuring voor de kern van myoepitheel. Bruin is positief. Als het myoepitheel niet meer
aanwzig is, groeit de luminale cel onbeperkt.
Macroscopisch:
• Benigne: goed omschreven, kapsel
• Maligne: slecht begrensd, infiltreert
Microscopisch:
• Afwezig myo-epitheel → invasief
• Clonale proliferatie
• Kernpolymorfie
• Hoge mitose-activiteit
• Architectuurverstoring
De student kan risicofactoren aangeven die een rol spelen bij het ontstaan van
tumoren.
Intrinsieke risicofactoren (niet beïnvloedbaar, hoort bij persoon):
• Leeftijd
• Genetische aanleg (bijv. BRCA1/2, CHEK2)
Extrinsieke risicofactoren (wel beïnvloedbaar):
• Roken
• Alcohol
• Overgewicht
• Voeding
• Omgevingsfactoren
• Virussen
• Ioniserende straling
Epidemiologie:
• Incidentie stijgt door vergrijzing en leefstijl
• Mortaliteit daalt door betere diagnostiek, richtlijnen en behandeling
De student kan de factoren (oncogenen/ suppressorgenen) die een rol spelen bij de
transformatie van adenomen naar carcinomen opnoemen.
Oncogenen (“gas”):
• Ontstaan uit proto-oncogenen
• Activeren proliferatie
• Voorbeeld: RAS
Tumorsuppressorgenen (“rem”):
• Remmen celdeling
• Inactivatie → verlies controle
4
Beleidsvoering en ontwikkeling
Fase 1: Veiligheid, farmacokinetic en dosis bestuderen in kleine groep patienten
Fase 2: Effectiviteit en verdere veiligheid bestuderen in iets grotere groep patienten
Fase 3: Effectiviteit en veiligheid bestuderen in een grote groep patienten en
gerandomiseerd tegenover standard behandeling of placebo
ESMO (Europian Society Medical Oncology) clinical benefit scale, bedenkt waar een
fase 3 studie aan moet voldoen om te zeggen dit is een middel wat we absoluut aan onze
patient willen geven, curatief of palliatief.
In NL PASKWIL criteria
• Palliatief
• Adjuvant
• Specifieke bijwerkingen
• KWaliteit van leven
• Impact van behandeling
• Level of evidence
Onderzoek naar kanker
Bij next generation sequencing gebruik je uniersele primers, met software plak je de
delen DNA aan elkaar. Snel, kosten, effectief. Soms lastig: lagere sensitiviteit. Is voor
hele genoom. Voor 1 gen beter sanger sequence.
• Whole genome = alles, ook promotoren, vers materiaal nodig
• Exome sequencing = wat er in genen gebeurd
• Targeted sequencen veel diper
Deze info kun je gebruiken als je niet weet waar een kanker vandaan komt.
DRUP : DNA om te kijken of er een mutatie is waardoor pt. medicijn gevoelig is. Bekende
middelen opnieuw ontdekken voor andere kankers.
1
,Thema 1 geel: oncologie en mammacarcinoom
Tumoren goedaardig vs. Kwaadaardig
De student kan maligne transformatieprocessen uitleggen op orgaan- en celniveau.
Celdeling is een gereguleerd evenwicht tussen aanmaak en afbraak. Een tumor
(zwelling) ontstaat door
1. Verminderde cel afbraak = apoptose
2. Toegenomen cel aanmaak
Kanker is aangeboren of verworven ziekte van DNA van de cel (mutaties) wat leidt tot
ongecontroleerde celdeling. Mutaties blijven bestaan, en er is geen herstel. Cellen
kunnen niet stoppen met delen en groeien in omliggend weefsel. Er is verminderde
apoptose en toenemende proliferatie. Je noemt het pas kanker als er sprake is van:
1. Infiltrerende groei → dat is vaak het moment dat de pt zich meldt met bv pijn in
de rug
2. Neiging tot metastase
a. Lymfogen
b. Hematogeen
c. Direct (buikholte)
Belangrijke biologische kenmerken van kanker:
• Autonome groeisignalen
• Ongevoeligheid voor groeiremming
• Ontsnappen aan apoptose
• Angiogenese
• Invasie en metastasering
• Ontsnappen aan immuunsysteem
• Genomische instabiliteit
De student kan uitleggen op basis waarvan tumoren worden geclassificeerd.
Kenmerk Benigne Premaligne Maligne
Architectuur Behouden Gedeeltelijk verstoord Verstoord
Myo-epitheel Aanwezig Aanwezig Afwezig
Clonaal Nee Ja Ja
Invasief Nee Nee Ja
Metastasen Nee Nee Ja
Tumornaamgeving (nomenclatuur)
• Epitheliale tumoren:
o Goedaardig: adenoom
o Kwaadaardig: carcinoom
• Mesenchymale tumoren:
o Goedaardig: -oom
2
, o Kwaadaardig: -sarcoom
• Hematologische maligniteiten:
o Leukemie
o Lymfoom
Differentiatie
• Geeft aan hoe sterk tumorcellen lijken op het oorspronkelijke weefsel.
• Goed gedifferentieerd:
o Lijkt sterk op normaal weefsel
o Vaak minder agressief
• Slecht gedifferentieerd:
o Weinig gelijkenis met normaal weefsel
o Vaak agressiever gedrag
Graad versus stadium
• Gradering: hoe kwaadaardig: mate van buisvorming, kernpolymofrmie,
delignsactiviteit
o Microscopisch
o Mate van agressiviteit
o Bij mamma: Bloom & Richardson
• Stadiëring: anatomische uitbreiding
o Anatomische uitbreiding
o TNM-classificatie
• Multifocaal/multicentrisch
• Hormoon/receptor status
• Her2neu overexpressie
Bloom & Richardson gradering: voor beleid
Mate van buisvorming:
1. >75%
2. 10-75%
3. <10%
Kernpolymorfie:
1. Vergelijkbaar met normaal epitheel
2. Vergroot, vesiculair, kleine nucleoli
3. Polymorf, vesiculair, grote nucleoli
Mitosen per 2mm2
1. 0-6
2. 7-12
3
, 3. >12
Score 3-5: graad 1
Score 6-7: graad 2
Score 8-9: graad 3
De student kan, aan de hand van zowel micro- als macroscopische kenmerken,
benoemen of een tumor goed- of kwaadaardig is.
Lacrimale cellen maken melk. Daaromheen zitten myoepitheliale cellen. P63 is een
kleuring voor de kern van myoepitheel. Bruin is positief. Als het myoepitheel niet meer
aanwzig is, groeit de luminale cel onbeperkt.
Macroscopisch:
• Benigne: goed omschreven, kapsel
• Maligne: slecht begrensd, infiltreert
Microscopisch:
• Afwezig myo-epitheel → invasief
• Clonale proliferatie
• Kernpolymorfie
• Hoge mitose-activiteit
• Architectuurverstoring
De student kan risicofactoren aangeven die een rol spelen bij het ontstaan van
tumoren.
Intrinsieke risicofactoren (niet beïnvloedbaar, hoort bij persoon):
• Leeftijd
• Genetische aanleg (bijv. BRCA1/2, CHEK2)
Extrinsieke risicofactoren (wel beïnvloedbaar):
• Roken
• Alcohol
• Overgewicht
• Voeding
• Omgevingsfactoren
• Virussen
• Ioniserende straling
Epidemiologie:
• Incidentie stijgt door vergrijzing en leefstijl
• Mortaliteit daalt door betere diagnostiek, richtlijnen en behandeling
De student kan de factoren (oncogenen/ suppressorgenen) die een rol spelen bij de
transformatie van adenomen naar carcinomen opnoemen.
Oncogenen (“gas”):
• Ontstaan uit proto-oncogenen
• Activeren proliferatie
• Voorbeeld: RAS
Tumorsuppressorgenen (“rem”):
• Remmen celdeling
• Inactivatie → verlies controle
4