Hoofdstuk 13 – basisstof 1, 3, 4, 5 & 6
Basisstof 1 – een constant inwendig milieu
1.1) Ik kan uitleggen waar zich weefselvloeistof bevindt.
De weefselvloeistof bevindt zich in het inwendige milieu.
Inwendige milieu = het bloedplasma en de weefselvloeistof samen.
1.2) Ik kan uitleggen wat het inwendige milieu is en welke twee vloeistoffen daarbij
horen.
Inwendige milieu = het bloedplasma en de weefselvloeistof samen
Bestaat uit:
Het bloedplasma
De weefselvloeistof
1.3) Ik kan uitleggen wat het uitwendige milieu is en kan daarbij enkele voorbeelden
noemen.
Uitwendig milieu = omgeving buiten het bloedplasma en de weefselvloeistof.
Voorbeelden van het uitwendige milieu:
Bacteriën
Schimmels
Virussen
Stoffen
1.4) Ik kan uitleggen wat er wordt bedoeld met opname en 2 organen benoemen die
zorgen voor opname.
Opname = een tekort aan bepaalde stoffen wordt voorkomen doordat regelmatig
stoffen worden opgenomen uit het uitwendige milieu
Twee organen die zorgen voor opname:
Darmkanaal: opname van voedingsstoffen
Longen: opname van zuurstof
1.5) Ik kan uitleggen wat er wordt bedoeld met opslag en 4 organen benoemen die
zorgen voor opslag.
Opslag = stoffen waarvan te veel aanwezig is in het inwendige milieu worden in
bepaalde organen opgeslagen.
Vier organen die zorgen voor opslag:
Lever: slaat glucose op (wordt glucose omgezet in glycogeen), bepaalde
mineralen en bepaalde vitaminen
Spieren: slaat glucose op (wordt glucose omgezet in glycogeen)
Onderhuids bindweefsel: slaat vet op (in vetcellen)
Gele beenmerg van pijpbeenderen: slaat vet op
1.6) Ik kan uitleggen wat er wordt bedoeld met uitscheiding en 3 organen benoemen
die zorgen voor uitscheiding.
, Uitscheiding = overtollige en/of schadelijke (afval)stoffen worden aan het inwendige
milieu onttrokken en uit het lichaam verwijderd
Drie organen die zorgen voor uitscheiding:
Nieren: water en afvalstoffen
Lever: afvalstoffen
Longen: koolstofdioxide
1.7) Ik kan benoemen welke stoffen/processen een rol spelen bij het handhaven van
een constant inwendig milieu.
Door opslag, opname en uitscheiding van stoffen blijft de samenstelling van het
inwendige milieu min of meer constant.
Hormonen zintuigen en zenuwcellen werken daarbij samen.
De hormonen insuline en glucagon houden bijvoorbeeld het glucosegehalte van het
bloed min of meer gelijk
Basisstof 3 – ademhalingsstelsel van de mens
3.1) Ik kan de verschillende onderdelen van het ademhalingsstelsel van de mens
benoemen.
3.2) Ik kan uitleggen wat gaswisseling is.
Gaswisseling = opname van zuurstof en afgifte van koolstofdioxide
3.3) Ik kan uitleggen waarom het gezonder is om door de neus in plaats van de mond
adem te halen.
Als je door de mond ademt kan de lucht net gefilterd worden. Ook wordt de lucht
minder verwarmd en bevochtigd. Daarnaast kun je met de mondholte niet ruiken of er
stinkende gassen in de lucht voorkomen.