HOOFDSTUK 3: ORIËNTEREN
Waar ga ik me in mijn onderzoek mee bezighouden? Wat levert het op voor zowel mijzelf als de
school? Is onderzoek wel de beste benadering in deze situatie?
3.1 AANLEIDINGEN VOOR EEN PRAKTIJKONDERZOEK
Aanleidingen op eigen initiatief of in het kader van je opleiding
o Je ervaart een probleem in je onderwijspraktijk en je wilt er beter zicht op krijgen om het aan te
kunnen pakken.
o Je bent nieuwgierig en wilt meer te weten komen over een bepaald thema dat betrekking heeft
op leerlinggedrag, vakinhoud, maatschappelijke ontwikkeling enzovoort.
o Je wilt op basis van empirische gegevens de effecten van je handelen verantwoorden.
o Je hebt in het verleden een onderzoek uitgevoerd dat een aantal nieuwe vragen heeft
opgeroepen. Je wilt graag antwoorden op deze vragen.
o In het kader van je opleiding ben je verplicht een praktijkonderzoek uit te voeren.
Aanleidingen op schoolniveau
o De school signaleert een praktijkprobleem of een ontwikkeling waar ze beter zicht op wil krijgen
om erop in te kunnen spelen.
o De schoolleiding vindt het belangrijk dat leraren hun eigen onderwijspraktijk (leren)
onderzoeken, en jij krijgt de opdracht om een onderzoek uit te voeren.
o In het kader van de kwaliteitszorg worden er in jouw school periodiek kwaliteitsrapportages
opgesteld.
o Je school heeft een eigen onderzoeks- of innovatieprogramma waar jij met je onderzoek bij
kunt aansluiten.
Externe aanleidingen
Het kan voorkomen dat externe instanties je school benaderen voor het uitvoeren van
praktijkonderzoek. In sommige gevallen worden daarbij ook leraren als onderzoeker ingeschakeld.
Ook wanneer er sprake is van een opdrachtgever voor je praktijkonderzoek, is het belangrijk dat het
onderzoek dat je uitvoert nadrukkelijk ook voor jezelf een leerwaarde heeft.
Wanneer je het praktijkonderzoek uitvoert voor een opdrachtgever, moet je scherp krijgen wat de
opdrachtgever met het praktijkonderzoek beoogt en rekening houden met eventuele verschillen
van inzicht.
Het is van belang om dit soort tegengestelde wensen, beelden en belangen in een vroeg stadium
met elkaar te bespreken, zodat je hier met je onderzoek op kunt inspelen. Dit soort gesprekken
geeft je doorgaans veel inzicht in het praktijkprobleem. Ook kun je een betere afweging maken of je
het onderzoek wel wilt en kunt uitvoeren.
3.2 EEN PRAKTIJKPROBLEEM SIGNALEREN
Het praktijkprobleem is een kapstokbegrip voor verschillende situaties die zich kunnen voordoen in
de school en die het startpunt kunnen vormen van een onderzoek. Bij een praktijkprobleem kan het
gaan om:
o praktijksituaties waarin leraren niet weten hoe te handelen
o een dilemma of kwestie waarover een goed onderbouwde beslissing genomen moet
worden
o de behoefte om de praktijk te verbeteren door veranderingen door te voeren
o de noodzaak of wens om nieuwe beroepskennis en -vaardigheden te verwerven
o de wens te achterhalen of en waarom iets goed of minder goed gaat en de behoefte om
na te gaan of een vermoeden klopt
, De behoefte om te toetsen of te valideren – Handelingsverlegenheid – Dilemma of kwestie – Leer-
of ontwikkelbehoefte – Verbeterbehoefte
Praktijkproblemen worden vaak verpakt in termen van oplossingen of vernieuwingen. In dat geval
is het van belang je af te vragen wat de daadwerkelijke aanleiding vormt voor deze wens tot
verbetering.
Niet alle praktijkproblemen lenen zich even goed voor onderzoek. Soms is er al voldoende kennis
aanwezig en/of zijn bestaande procedures toereikend om de problemen aan te pakken. Soms is er
niet voldoende tijd om een praktijkprobleem onderzoeksmatig aan te pakken.
Het is belangrijk al in de beginfase van je praktijkonderzoek aan draagvlak te werken.
We presenteren zes technieken die je kunnen helpen om systematisch op zoek te gaan naar
praktijkproblemen voor je onderzoek.
Techniek 1 Brainstormen vanuit vragen en problemen
Brainstormen is een associatieve techniek. Dit houdt in dat je bij het verkennen van het probleem
gebruikmaakt van je eigen associaties en die van anderen, bij een of meerdere kernwoorden. De
brainstormsessie kan starten vanuit een bepaalde vraag.
Een belangrijke spelregel tijdens het brainstormen is dat je alles opschrijft wat in je opkomt en het
maken van een keuze uitstelt.
Na de brainstormsessie bekijk je de resultaten en markeer je de associaties die duiden op een
praktijkprobleem. Je probeert verbanden te leggen en waar mogelijk een rode draad te ontdekken.
Een brainstormsessie kun je het best in groepsverband doen. Je kunt dan ook verder associëren op
de inbreng van anderen en je werkt aan het draagvlak voor je onderzoek.
Techniek 2 Een logboek bijhouden
Een logboek gebruik je om systematisch ervaringen en overdenkingen vast te leggen die je
belangrijk vindt of die je interesse hebben. Je kunt het logboek tijdens je dagelijkse werk invullen of
aan het einde van een dag de opvallendste momenten noteren. Noteer van tevoren een aantal
richtvragen of aandachtspunten. Deze geven je houvast.
Aan het eind van de periode bestudeer je je logboek. Markeer of onderstreep belangrijke
onderwerpen die uit je verslagen naar voren komen.
Techniek 3 Reflecteren
Reflecteren is met jezelf en/of met anderen aan de hand van vragen in gesprek gaan over je
persoonlijk en beroepsmatig functioneren om op deze gebieden te groeien. Reflectie kan
plaatsvinden op drie niveaus:
o het instrumentele niveau: het zichtbare handelen van de leraar in de praktijk, waaronder de
opbouw van de les, de instructie of het klassenmanagement
o het substantiële niveau: de onderliggende uitgangspunten van het handelen als leraar
o het kritische niveau: de morele, ethische en andere normatieve overwegingen die je als leraar
hebt.
In je reflectieverslag beschrijf je het reflectieproces en de uitkomsten hiervan. Reflectieverslagen
kunnen aanknopingspunten bieden bij het inventariseren van praktijkproblemen. Een
reflectieverslag bevat in ieder geval de volgende elementen:
o ‘Wat was je ervaring (uitgangspunt)?
o Wat heb je geleerd van de reflectie over die ervaring?
o Waardoor heb je dat geleerd (wat was behulpzaam en wat niet)?
o Welke betekenis heeft dat voor je?
Waar ga ik me in mijn onderzoek mee bezighouden? Wat levert het op voor zowel mijzelf als de
school? Is onderzoek wel de beste benadering in deze situatie?
3.1 AANLEIDINGEN VOOR EEN PRAKTIJKONDERZOEK
Aanleidingen op eigen initiatief of in het kader van je opleiding
o Je ervaart een probleem in je onderwijspraktijk en je wilt er beter zicht op krijgen om het aan te
kunnen pakken.
o Je bent nieuwgierig en wilt meer te weten komen over een bepaald thema dat betrekking heeft
op leerlinggedrag, vakinhoud, maatschappelijke ontwikkeling enzovoort.
o Je wilt op basis van empirische gegevens de effecten van je handelen verantwoorden.
o Je hebt in het verleden een onderzoek uitgevoerd dat een aantal nieuwe vragen heeft
opgeroepen. Je wilt graag antwoorden op deze vragen.
o In het kader van je opleiding ben je verplicht een praktijkonderzoek uit te voeren.
Aanleidingen op schoolniveau
o De school signaleert een praktijkprobleem of een ontwikkeling waar ze beter zicht op wil krijgen
om erop in te kunnen spelen.
o De schoolleiding vindt het belangrijk dat leraren hun eigen onderwijspraktijk (leren)
onderzoeken, en jij krijgt de opdracht om een onderzoek uit te voeren.
o In het kader van de kwaliteitszorg worden er in jouw school periodiek kwaliteitsrapportages
opgesteld.
o Je school heeft een eigen onderzoeks- of innovatieprogramma waar jij met je onderzoek bij
kunt aansluiten.
Externe aanleidingen
Het kan voorkomen dat externe instanties je school benaderen voor het uitvoeren van
praktijkonderzoek. In sommige gevallen worden daarbij ook leraren als onderzoeker ingeschakeld.
Ook wanneer er sprake is van een opdrachtgever voor je praktijkonderzoek, is het belangrijk dat het
onderzoek dat je uitvoert nadrukkelijk ook voor jezelf een leerwaarde heeft.
Wanneer je het praktijkonderzoek uitvoert voor een opdrachtgever, moet je scherp krijgen wat de
opdrachtgever met het praktijkonderzoek beoogt en rekening houden met eventuele verschillen
van inzicht.
Het is van belang om dit soort tegengestelde wensen, beelden en belangen in een vroeg stadium
met elkaar te bespreken, zodat je hier met je onderzoek op kunt inspelen. Dit soort gesprekken
geeft je doorgaans veel inzicht in het praktijkprobleem. Ook kun je een betere afweging maken of je
het onderzoek wel wilt en kunt uitvoeren.
3.2 EEN PRAKTIJKPROBLEEM SIGNALEREN
Het praktijkprobleem is een kapstokbegrip voor verschillende situaties die zich kunnen voordoen in
de school en die het startpunt kunnen vormen van een onderzoek. Bij een praktijkprobleem kan het
gaan om:
o praktijksituaties waarin leraren niet weten hoe te handelen
o een dilemma of kwestie waarover een goed onderbouwde beslissing genomen moet
worden
o de behoefte om de praktijk te verbeteren door veranderingen door te voeren
o de noodzaak of wens om nieuwe beroepskennis en -vaardigheden te verwerven
o de wens te achterhalen of en waarom iets goed of minder goed gaat en de behoefte om
na te gaan of een vermoeden klopt
, De behoefte om te toetsen of te valideren – Handelingsverlegenheid – Dilemma of kwestie – Leer-
of ontwikkelbehoefte – Verbeterbehoefte
Praktijkproblemen worden vaak verpakt in termen van oplossingen of vernieuwingen. In dat geval
is het van belang je af te vragen wat de daadwerkelijke aanleiding vormt voor deze wens tot
verbetering.
Niet alle praktijkproblemen lenen zich even goed voor onderzoek. Soms is er al voldoende kennis
aanwezig en/of zijn bestaande procedures toereikend om de problemen aan te pakken. Soms is er
niet voldoende tijd om een praktijkprobleem onderzoeksmatig aan te pakken.
Het is belangrijk al in de beginfase van je praktijkonderzoek aan draagvlak te werken.
We presenteren zes technieken die je kunnen helpen om systematisch op zoek te gaan naar
praktijkproblemen voor je onderzoek.
Techniek 1 Brainstormen vanuit vragen en problemen
Brainstormen is een associatieve techniek. Dit houdt in dat je bij het verkennen van het probleem
gebruikmaakt van je eigen associaties en die van anderen, bij een of meerdere kernwoorden. De
brainstormsessie kan starten vanuit een bepaalde vraag.
Een belangrijke spelregel tijdens het brainstormen is dat je alles opschrijft wat in je opkomt en het
maken van een keuze uitstelt.
Na de brainstormsessie bekijk je de resultaten en markeer je de associaties die duiden op een
praktijkprobleem. Je probeert verbanden te leggen en waar mogelijk een rode draad te ontdekken.
Een brainstormsessie kun je het best in groepsverband doen. Je kunt dan ook verder associëren op
de inbreng van anderen en je werkt aan het draagvlak voor je onderzoek.
Techniek 2 Een logboek bijhouden
Een logboek gebruik je om systematisch ervaringen en overdenkingen vast te leggen die je
belangrijk vindt of die je interesse hebben. Je kunt het logboek tijdens je dagelijkse werk invullen of
aan het einde van een dag de opvallendste momenten noteren. Noteer van tevoren een aantal
richtvragen of aandachtspunten. Deze geven je houvast.
Aan het eind van de periode bestudeer je je logboek. Markeer of onderstreep belangrijke
onderwerpen die uit je verslagen naar voren komen.
Techniek 3 Reflecteren
Reflecteren is met jezelf en/of met anderen aan de hand van vragen in gesprek gaan over je
persoonlijk en beroepsmatig functioneren om op deze gebieden te groeien. Reflectie kan
plaatsvinden op drie niveaus:
o het instrumentele niveau: het zichtbare handelen van de leraar in de praktijk, waaronder de
opbouw van de les, de instructie of het klassenmanagement
o het substantiële niveau: de onderliggende uitgangspunten van het handelen als leraar
o het kritische niveau: de morele, ethische en andere normatieve overwegingen die je als leraar
hebt.
In je reflectieverslag beschrijf je het reflectieproces en de uitkomsten hiervan. Reflectieverslagen
kunnen aanknopingspunten bieden bij het inventariseren van praktijkproblemen. Een
reflectieverslag bevat in ieder geval de volgende elementen:
o ‘Wat was je ervaring (uitgangspunt)?
o Wat heb je geleerd van de reflectie over die ervaring?
o Waardoor heb je dat geleerd (wat was behulpzaam en wat niet)?
o Welke betekenis heeft dat voor je?