Hoofdstuk 1: Wat is sociologie?
Sociologie = het systematisch onderzoek van de menselijke samenleving.
Sociologisch perspectief = laat zien hoeveel invloed de samenleving op
het leven van individuen heeft.
Zelfmoordstudie – Durkheim
Sociale factoren kunnen het individuele gedrag beïnvloeden. Mensen met
sterke sociale banden zullen minder snel overgaan op zelfdoding, dan
mensen met zwakke sociale banden.
Sociologische visie – Mills
Perioden waarin de samenleving veel verandering ondergaat of in een
crisis verkeerd, kunnen ons uit ons evenwicht brengen en ons bewegen tot
het aannemen van de sociologische visie.
Armoede, werkloosheid, etc. worden niet door persoonlijke
tekortkomingen veroorzaakt, maar door de samenleving. Wat gebeurd er
als de samenleving industrialiseert?
Sociologische verbeeldingskracht = eigen problemen en ervaringen
koppelen aan maatschappelijke kwesties.
Private troubles vs Public issues = persoonlijke problemen zijn vaak ook
maatschappelijke kwesties.
Mondiaal of globaal perspectief = het bestuderen van de wereld in zijn
geheel en de plaats die onze samenleving daarin inneemt.
Hoge inkomenslanden = de rijkste landen met de hoogste algemene
levensstandaard. Deze landen zijn welvarend.
Middeninkomenslanden = landen met een levensstandaard die we, als we
de wereld in zijn geheel bekijken, gemiddeld kunnen noemen.
Lage inkomenslanden = landen met een lage levensstandaard, waarvan
de meeste inwoners arm zijn.
Auguste Comte introduceerde in 1838 de sociologie.
Sociologie heeft vier positieve effecten:
1. We kunnen nagaan wat er wel en niet klopt.
2. Het geeft beter inzicht in de mogelijkheden en de hindernissen van
het dagelijks leven.
3. Het geeft ons de mogelijkheid een actieve rol te spelen in de
samenleving.
4. Het helpt ons in een wereld te leven die zich kenmerkt door
diversiteit.
Drie veranderingen die het ontwikkelen van de sociologie stimuleerden:
1. De industrialisering.
2. Groei van steden.
3. Politieke veranderingen.
,Positivisme = inzicht verwerven op basis van wetenschappelijk onderzoek.
Moderniteit = sociale patronen die het resultaat zijn van industrialisering.
De relatie tussen heden en verleden.
Modernisering = het sociale veranderingsproces dat in gang is gezet door
de industrialisering.
Vier kenmerken van modernisering – Peter Berger
1. Het verdwijnen van kleine, traditionele gemeenschappen.
2. De uitbreiding van persoonlijke keuzemogelijkheden.
3. Grotere sociale diversiteit.
4. Oriëntatie op de toekomst en een groeiend tijdsbewustzijn.
Gemeinschaft en Gesellschaft – Ferdinand Tonnies
Door modernisering verdwijnt Gemeinschaft. Sociale cohesie werd steeds
minder.
Gemeinschaft = kleine menselijke gemeenschap.
Gesellschaft = individuele en contractuele gemeenschap.
Kritiek: in Gesellschaft kunnen ook nog hechte banden plaatsvinden.
Arbeidsverdeling – Durkheim
In een traditionele samenleving verricht men dezelfde werkzaamheden, in
een moderne samenleving heeft iedereen gespecialiseerde rollen.
Arbeidsverdeling = een gespecialiseerde economische activiteit. Iedere
werknemer heeft 1 taak.
Mechanische solidariteit = traditioneel. Mensen zijn gelijk en verrichten
dezelfde werkzaamheden.
Organische solidariteit = modern. Wederzijdse afhankelijkheid van
mensen die gespecialiseerde arbeid verrichten.
Durkheims beeld is complexer en optimistischer dan die van Tonnies.
Kritiek: het ontstaan van anomie en een toename van zelfdoding.
Anomie = een situatie waarin een samenleving het individu weinig morele
richtlijnen te bieden heeft.
Rationalisering – Max Weber
Traditioneel wordt vervangen door een efficiënte en wetenschappelijke
denkwijze. De moderne samenleving keert zich af van de goden.
Kritiek: Max was erg kritisch en had weinig oog voor het menselijk
potentieel.
Kapitalisme – Karl Marx
Een samenleving waar doelgericht denken over hoe je iets doet
belangrijker wordt dan de onderliggende waarden waarom je iets doet.
Marx geloofde in de potentie die mensen hebben om de werkelijkheid te
kunnen veranderen, mits ze zich bewust worden dat ze zelf de
geschiedenis maken.
Hij hoopte dat de sociale klassen gebroken zouden worden.
Kritiek: hij onderschatte de invloed van de bureaucratie op de
samenleving.
, Drie hoofdvragen van sociologen.
Hoe is sociale (on)gelijkheid mogelijk?
Hoe is sociale (wan)orde mogelijk?
Hoe werkt het proces van rationalisering (modernisering) van de wereld?
Hoofdstuk 2: Sociologische theorie.
Theorie = een stelsel van uitspraken die met elkaar samenhangen. Een
theorie verklaart hoe verschijnselen samenhangen en op basis van deze
samenhang kun je ook toetsbare voorspellingen doen die vervolgens
onderzocht kunnen worden.
Sociologische theorie = sociaal gedrag verklaren.
Theoretische benadering, theoretisch perspectief of paradigma = een
fundamenteel beeld van de samenleving dat als richtlijn dient voor theorie
en onderzoek. Binnen dit bestaan veel theorieën.
Vier sociologische benaderingen:
1. Het structureel functionalisme.
Een theorievormend kader waarin de samenleving als een complex
systeem (veel onderdelen die met elkaar in verband staan) wordt gezien
en waarvan de samenwerking tussen de verschillende delen van het
systeem solidariteit en stabiliteit bevorderd. Dit richt zich op de sociale
structuur en besteed aandacht aan de sociale functies.
Sociale structuur = het geheel van stabiele sociale gedragspatronen.
Sociale functies = de gevolgen van een sociaal patroon voor het
functioneren van de totale samenleving. Alle sociale patronen zorgen
ervoor dat de samenleving kan blijven functioneren. Denk aan rituelen en
tradities.
Sociale controle = het resultaat van zorgen dat mensen zich aan de regels
houden.
Spencer vergeleek de maatschappij met het menselijk lichaam: alles bij
elkaar zorgt ervoor dat het lichaam blijft functioneren.
Manifeste functies = de onderkende en beoogde gevolgen van een sociaal
patroon.
Latente functies = de niet onderkende en niet bedoelde gevolgen van een
sociaal patroon.
Sociale disfuncties = sociale patronen die het functioneren van de
samenleving kunnen verstoren.
Kritiek: geen oog voor bestaande ongelijkheden die spanningen en
conflicten veroorzaakten. Denk aan sociale klasse en gender.
Comte en Durkheim.
2. De conflictsociologie.
Tak van de sociologie waarin de samenleving als een arena van
ongelijkheid wordt gezien. Achtergrond en talent hebben invloed op de