Week 1 De bestuursrechter en bestuursrechtspraak; kenmerken
Tijdens deze eerste bijeenkomst staan we stil bij de vraag waarom er eigenlijk
bestuursrechtspraak is. Het begrip bestuursrechter wordt verkend. Tevens komen
enkele belangrijke beginselen enkenmerken van het bestuursprocesrecht aan
bod. Verder kijken we naar een aantal Europeesrechtelijke randvoorwaarden
waaraan het bestuursprocesrecht moet voldoen. Het tweede deel van de
bijeenkomst staat in het teken van het verkennen van verschillende
bestuursrechtelijke rechtsgangen. Dit is een tamelijk technisch onderwerp. De
wet zal nauwkeurig moeten worden geraadpleegd! Anders dan in het verleden is
gelukkig veel informatie te vinden in de Awb en in twee belangrijke bijlagen bij
deze wet. Het gaat om de Regeling rechtstreeks beroep (Bijlage 1) en de
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (Bijlage 2).
A. De bestuursrechter en bestuursrechtspraak
De Nederlandse Grondwet heeft aandacht voor het bestuursrecht (zie bijv. art.
107 lid 2 GW). Toch regelt zij maar weinig over bestuursrechtspraak en de
bestuursrechter.
1. Hoe blijkt uit de Grondwet dat de wetgever bestuursrechters kan instellen?
Ga na welke bestuursrechters tot de rechterlijke macht behoren en welke
niet.
Art. 17 lid 2 Gw
Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem
toekomt.
Art. 107 lid 2 Gw
Bepaald dat de wet de inhoud van het bestuursrecht regelt, evenals de
rechtsgang in bestuurszaken. Dit artikel legt de bevoegdheid voor de nadere
uitwerking van het bestuursrecht en de bestuursrechtspraak in handen van de
wetgever.
Art. 112 lid 1 Gw
Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over
burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.
- Burgerlijke rechter: burgerlijke rechten en schadevergoeding
Art. 112 lid 2 Gw
De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke
rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht,
hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de
wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.
Welke gerechten behoren tot de gerechtelijke macht?
Art. 116 lid 1 Gw
De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht
Art. 2 Wet op de rechterlijke organisatie
,De tot de rechterlijke macht behorende gerechten zijn:
a. De rechtbanken
b. De gerechtshoven; en
c. De Hoge Raad
De Raad van State bijvoorbeeld behoort niet tot de rechterlijke macht, in verband
met de Trias Politica.
Beroep -> bestuursrechter rechtbank, art. 8:1 en 8:6 Awb -> rechterlijk macht
art. 2 Wet RO
Hoger beroep -> ABRvS, CRvB, CBB -> bijzondere gerechten
Dit zijn allemaal bestuursrechters, art. 1:4 lid 1 Awb
Hoofdstuk 8 Awb -> procesrecht
Bestuurlijke rechters binnen of buiten de rechterlijke macht
Hoofdsysteem: art. 8:1 en 8:105 Awb
Besluit > bezwaar > beroep > rechtbank (onderdeel rechterlijke macht) art. 2
Wet RO
Niet eens met uitspraak rechtbank > hoger beroep:
- ABvRS (de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State)
- CRvB (de Centrale Raad van Beroep)
- CBB (College van Beroep voor het Bedrijfsleven)
o Dit zijn bijzondere gerechten.
Alle samen = bestuursrechters art. 1:4 lid 1 en 3 Awb
Let op: bijzondere wetten kunnen van dit hoofdsysteem afwijken
De Awb regelt de algemene regels van het bestuursrecht. Daaruit blijkt dat ten
eerste de bestuursrechter met bestuursrechtspraak is belast (art. 1:4 lid 1 Awb).
In eerste aanleg is dat de rechtbank (art. 8:1 jo. 8:6 Awb). In hoger beroep (en
soms ook in eerste aanleg zie hoofdstuk 2 Bevoegdheidsregeling
bestuursrechtspraak) is een van de hogere beroepsinstanties, namelijk de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van
Beroep, het College van Beroep voor het Bedrijfsleven of een gerechtshof
bevoegd (kernbepaling art. 8:105 Awb). Welke bevoegd is, volgt uit hoofdstuk 4
van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, die onderdeel uitmaakt van
de Awb. De Afdeling, Centrale Raad en het College zijn, gelet op art. 2 Wet RO,
evident geen onderdeel van de rechterlijke macht. zij vallen dus, zoals benoemd
in art. 112 lid 1 Gw, onder gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren.
2. Waarom is de kantonrechter van de rechtbank die oordeelt over een
verkeerboete eenbestuursrechter? Betrek in uw antwoord de definitie van
‘bestuursrechter’ van art. 1:4 Awb.
Art. 1:4 Awb
1.Onder bestuursrechter wordt verstaan: een onafhankelijk, bij de wet ingesteld
orgaan dat met bestuursrechtspraak is belast.
,2. Onder hogerberoepsrechter wordt verstaan: een bestuursrechter die in hoger
beroep oordeelt.
3. Een tot de rechterlijke macht behorend gerecht wordt als bestuursrechter
aangemerkt voor zover hoofdstuk 8 of de Wet administratiefrechtelijke
handhaving verkeersvoorschriften - met uitzondering van hoofdstuk VIII - van
toepassing of van overeenkomstige toepassing is.
Uit art. 8:6 Awb volgt dat het beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank
(daarmee wordt gedoeld op de Afdeling bestuursrecht), tenzij een andere
bestuursrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak dan wel ingevolge een ander wettelijk
voorschrift. De laatste zin verwijst, ten aanzien van deze vraag, naar de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Daarin volgt onder
andere uit art. 6 dat eerst administratief beroep kan worden ingesteld bij de
officier van justitie, en vervolgens art. 9 beroep kan worden ingediend bij de
kantonrechter.
Administratiefrechtelijke handhaving behoort tot de bestuursrechter, art. 1:4 lid 3
Awb.
, Beginselen en kenmerken
Het uitgangspunt van een actieve, niet lijdelijke rechter
De bestuursrechter gaat zelf opzoek naar de materiele waarheid, dus naar
de feiten.
Twee redenen:
1. Geen verplichte procesvertegenwoordiging
2. Aard van de zaak (bestuursrechter is opzoek naar de materiele
waarheid, burgerlijke rechter is opzoek naar de formele waarheid)
De bestuursrechter laat zich niet lijden door wat de burger aanbiedt.
Recours subjectif ->
Recours objectif -> zo veel mogelijk en zo diep mogelijk toetsen
Het beginsel van ongelijkheidscompensatie
Als burger sta je eigenlijk al 1-0 achter. Het bestuursorgaan neemt een
besluit waar je dan als burger maar iets van moet vinden. Indien je het er
niet mee eens bent -> bezwaar gaan.
Het bestuursorgaan kan eenzijdig besluiten nemen
Recours subjectif -> ongelijkheidscompensatie: helpen burger het belang
van de burger
Recours objectief -> door de burger te helpen (ongelijkheidscompensatie)
kan hij tot een ruimere rechtmatigheid toets komen -> de burger gebruiken
om over de recours objectif te dienen.
Het verbod van ultra petita gaan en het verbod van reformatio in peius
Het verbod van ultra petita is een juridisch principe dat voorkomt dat
een rechter meer toewijst dan wat door de partijen is gevraagd.
Stel: je vraagt een subsidie aan en krijgt deze niet toegewezen, je
gaat hiertegen in beroep met twee beroepsgronden: de rechter mag
dus alleen die twee gronden toetsen waarop het beroep gebaseerd
is.
Uitzondering: bestuursrechter ambtshalve een beslissing neemt
Recours subjectief: bestuursrechter beperkt zich tot de beroepsgronden
Het verbod van reformatio in peius betreft de situatie dat een burger
er door het instellen van bezwaar en beroep er niet slechter voor mag
komen te staan dan het geval was voor de aangevochten beschikking.
Dit verbod geldt, zolang er geen derden- of algemeen belang van
toepassing is.
Hoe meer beperkingen de rechter heeft -> subjectief
Hoe meer vrijheden de rechter heeft -> objectief
Het beginsel van rechterlijke toetsing ex tunc
De rechter toets het bestreden besluit aan het recht zoals dat goldt op het
moment dat het werd genomen.
Ezelsbruggetje: tunc = toen, nunc = nu
Uitgangspunt is altijd ex tunc, soms ex nunc als het gaat om zelf in de zaak
voorzien.
Niet te koppelen aan recours objectif of subjectif
Tijdens deze eerste bijeenkomst staan we stil bij de vraag waarom er eigenlijk
bestuursrechtspraak is. Het begrip bestuursrechter wordt verkend. Tevens komen
enkele belangrijke beginselen enkenmerken van het bestuursprocesrecht aan
bod. Verder kijken we naar een aantal Europeesrechtelijke randvoorwaarden
waaraan het bestuursprocesrecht moet voldoen. Het tweede deel van de
bijeenkomst staat in het teken van het verkennen van verschillende
bestuursrechtelijke rechtsgangen. Dit is een tamelijk technisch onderwerp. De
wet zal nauwkeurig moeten worden geraadpleegd! Anders dan in het verleden is
gelukkig veel informatie te vinden in de Awb en in twee belangrijke bijlagen bij
deze wet. Het gaat om de Regeling rechtstreeks beroep (Bijlage 1) en de
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (Bijlage 2).
A. De bestuursrechter en bestuursrechtspraak
De Nederlandse Grondwet heeft aandacht voor het bestuursrecht (zie bijv. art.
107 lid 2 GW). Toch regelt zij maar weinig over bestuursrechtspraak en de
bestuursrechter.
1. Hoe blijkt uit de Grondwet dat de wetgever bestuursrechters kan instellen?
Ga na welke bestuursrechters tot de rechterlijke macht behoren en welke
niet.
Art. 17 lid 2 Gw
Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem
toekomt.
Art. 107 lid 2 Gw
Bepaald dat de wet de inhoud van het bestuursrecht regelt, evenals de
rechtsgang in bestuurszaken. Dit artikel legt de bevoegdheid voor de nadere
uitwerking van het bestuursrecht en de bestuursrechtspraak in handen van de
wetgever.
Art. 112 lid 1 Gw
Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over
burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.
- Burgerlijke rechter: burgerlijke rechten en schadevergoeding
Art. 112 lid 2 Gw
De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke
rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht,
hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de
wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.
Welke gerechten behoren tot de gerechtelijke macht?
Art. 116 lid 1 Gw
De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht
Art. 2 Wet op de rechterlijke organisatie
,De tot de rechterlijke macht behorende gerechten zijn:
a. De rechtbanken
b. De gerechtshoven; en
c. De Hoge Raad
De Raad van State bijvoorbeeld behoort niet tot de rechterlijke macht, in verband
met de Trias Politica.
Beroep -> bestuursrechter rechtbank, art. 8:1 en 8:6 Awb -> rechterlijk macht
art. 2 Wet RO
Hoger beroep -> ABRvS, CRvB, CBB -> bijzondere gerechten
Dit zijn allemaal bestuursrechters, art. 1:4 lid 1 Awb
Hoofdstuk 8 Awb -> procesrecht
Bestuurlijke rechters binnen of buiten de rechterlijke macht
Hoofdsysteem: art. 8:1 en 8:105 Awb
Besluit > bezwaar > beroep > rechtbank (onderdeel rechterlijke macht) art. 2
Wet RO
Niet eens met uitspraak rechtbank > hoger beroep:
- ABvRS (de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State)
- CRvB (de Centrale Raad van Beroep)
- CBB (College van Beroep voor het Bedrijfsleven)
o Dit zijn bijzondere gerechten.
Alle samen = bestuursrechters art. 1:4 lid 1 en 3 Awb
Let op: bijzondere wetten kunnen van dit hoofdsysteem afwijken
De Awb regelt de algemene regels van het bestuursrecht. Daaruit blijkt dat ten
eerste de bestuursrechter met bestuursrechtspraak is belast (art. 1:4 lid 1 Awb).
In eerste aanleg is dat de rechtbank (art. 8:1 jo. 8:6 Awb). In hoger beroep (en
soms ook in eerste aanleg zie hoofdstuk 2 Bevoegdheidsregeling
bestuursrechtspraak) is een van de hogere beroepsinstanties, namelijk de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van
Beroep, het College van Beroep voor het Bedrijfsleven of een gerechtshof
bevoegd (kernbepaling art. 8:105 Awb). Welke bevoegd is, volgt uit hoofdstuk 4
van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, die onderdeel uitmaakt van
de Awb. De Afdeling, Centrale Raad en het College zijn, gelet op art. 2 Wet RO,
evident geen onderdeel van de rechterlijke macht. zij vallen dus, zoals benoemd
in art. 112 lid 1 Gw, onder gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren.
2. Waarom is de kantonrechter van de rechtbank die oordeelt over een
verkeerboete eenbestuursrechter? Betrek in uw antwoord de definitie van
‘bestuursrechter’ van art. 1:4 Awb.
Art. 1:4 Awb
1.Onder bestuursrechter wordt verstaan: een onafhankelijk, bij de wet ingesteld
orgaan dat met bestuursrechtspraak is belast.
,2. Onder hogerberoepsrechter wordt verstaan: een bestuursrechter die in hoger
beroep oordeelt.
3. Een tot de rechterlijke macht behorend gerecht wordt als bestuursrechter
aangemerkt voor zover hoofdstuk 8 of de Wet administratiefrechtelijke
handhaving verkeersvoorschriften - met uitzondering van hoofdstuk VIII - van
toepassing of van overeenkomstige toepassing is.
Uit art. 8:6 Awb volgt dat het beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank
(daarmee wordt gedoeld op de Afdeling bestuursrecht), tenzij een andere
bestuursrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak dan wel ingevolge een ander wettelijk
voorschrift. De laatste zin verwijst, ten aanzien van deze vraag, naar de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Daarin volgt onder
andere uit art. 6 dat eerst administratief beroep kan worden ingesteld bij de
officier van justitie, en vervolgens art. 9 beroep kan worden ingediend bij de
kantonrechter.
Administratiefrechtelijke handhaving behoort tot de bestuursrechter, art. 1:4 lid 3
Awb.
, Beginselen en kenmerken
Het uitgangspunt van een actieve, niet lijdelijke rechter
De bestuursrechter gaat zelf opzoek naar de materiele waarheid, dus naar
de feiten.
Twee redenen:
1. Geen verplichte procesvertegenwoordiging
2. Aard van de zaak (bestuursrechter is opzoek naar de materiele
waarheid, burgerlijke rechter is opzoek naar de formele waarheid)
De bestuursrechter laat zich niet lijden door wat de burger aanbiedt.
Recours subjectif ->
Recours objectif -> zo veel mogelijk en zo diep mogelijk toetsen
Het beginsel van ongelijkheidscompensatie
Als burger sta je eigenlijk al 1-0 achter. Het bestuursorgaan neemt een
besluit waar je dan als burger maar iets van moet vinden. Indien je het er
niet mee eens bent -> bezwaar gaan.
Het bestuursorgaan kan eenzijdig besluiten nemen
Recours subjectif -> ongelijkheidscompensatie: helpen burger het belang
van de burger
Recours objectief -> door de burger te helpen (ongelijkheidscompensatie)
kan hij tot een ruimere rechtmatigheid toets komen -> de burger gebruiken
om over de recours objectif te dienen.
Het verbod van ultra petita gaan en het verbod van reformatio in peius
Het verbod van ultra petita is een juridisch principe dat voorkomt dat
een rechter meer toewijst dan wat door de partijen is gevraagd.
Stel: je vraagt een subsidie aan en krijgt deze niet toegewezen, je
gaat hiertegen in beroep met twee beroepsgronden: de rechter mag
dus alleen die twee gronden toetsen waarop het beroep gebaseerd
is.
Uitzondering: bestuursrechter ambtshalve een beslissing neemt
Recours subjectief: bestuursrechter beperkt zich tot de beroepsgronden
Het verbod van reformatio in peius betreft de situatie dat een burger
er door het instellen van bezwaar en beroep er niet slechter voor mag
komen te staan dan het geval was voor de aangevochten beschikking.
Dit verbod geldt, zolang er geen derden- of algemeen belang van
toepassing is.
Hoe meer beperkingen de rechter heeft -> subjectief
Hoe meer vrijheden de rechter heeft -> objectief
Het beginsel van rechterlijke toetsing ex tunc
De rechter toets het bestreden besluit aan het recht zoals dat goldt op het
moment dat het werd genomen.
Ezelsbruggetje: tunc = toen, nunc = nu
Uitgangspunt is altijd ex tunc, soms ex nunc als het gaat om zelf in de zaak
voorzien.
Niet te koppelen aan recours objectif of subjectif