Bachelor
Jaar 3
10011010001001110010
10010100100011101010
11100101001101000100
11100101001010010001
11010101110010100110
10001001110010100101
00100011101010111001
01001101000100111001
01001010010001110101
01110010100110100010
01110010100101001000
11101010111001010011
Epidemiologie & Economie
WERKCOLLEGES
ARIANNE DE STERKE
, Arianne de Sterke – Epidemiologie & Economie
Werkcollege 1
Associatiematen en onderzoeksopzet
Onderzoeksopzet
Observationeel:
• Cohort studie: 2 verschillende groepen (risicofactor wel of niet aanwezig) gevolgd in de tijd. De groepen
worden gemaakt op basis van de determinant/risico factor. Vervolgens wordt het RR bepaald.
o Voordelen: is de sterkste observationele studie vanwege de causaliteit → de juiste volgorde (eerst
risicofactor, dan ziekte). En je kunt het effect van één risicofactor op meerdere ziekten bestuderen.
o Nadelen: niet handig bij zeldzame aandoeningen of erg langzaam ontwikkelende ziektes (erg duur).
Ook niet mogelijk als men geen idee heeft wat een mogelijke risicofactor zou kunnen zijn.
• Case control studies: worden gedaan bij zeldzame aandoeningen. Er wordt gezocht naar de aandoening
(cases) en een controle groep en vervolgens naar de aanwezigheid van de risicofactor. De groepen
worden dus gemaakt op basis van de outcome/ziektestatus.
o Voordelen: efficiënt bij zeldzame ziektes (→ OR ~ RR) of als je geen idee hebt van de risicofactoren
o Nadelen: je leert niks over de kans op ziek zijn, want je bepaalt zelf het aantal controledieren en
cases en dus bepaal je in dat opzicht zelf de verhouding. Je kunt alleen inzicht krijgen over de
associatie tussen risicofactor en ziekte → niet relatief risico maar odds ratio. Daarnaast is het
moeilijk om goede controles te vinden.
• Cross sectional: dwarsdoorsnede uit de populatie (geen groepen gevormd). Kijkt op hetzelfde moment
naar ziek/niet-ziek en de risicofactor. Voor een zeldzame aandoening niet zo handig. Je kijkt niet naar
risicofactoren in de tijd.
Experimenteel:
• Randomized controlled trial
Begrippen
Relatieve risico: Je berekent eerst het risico op de outcome per groep. Bijvoorbeeld: in groep 1 is de risicofactor
aanwezig en worden 4 uit de 5 dieren in de loop van de tijd ziek → 4/5 = 0.8. In groep 2 is de risicofactor afwezig
en worden 2 uit de 5 dieren in de loop van de tijd ziek → 2/5 = 0.4. Om dan het relatieve risico tussen de groepen
te bereken deel je de individuele risico’s door elkaar: RR = 0.8/0.4 = 2. Het risico op ziekte is dus 2x zo groot als de
risicofactor aanwezig is. Je kunt hierbij gebruik maken van de volgende 2x2 tabel en formules:
Odds ratio: In het geval van een case-control studie, mag je het relatieve risico niet gebruiken want deze studie is
niet representatief voor de werkelijke populatie. Je gebruikt in dat geval dus de OR aangezien deze niet afhankelijk
is van de verhouding case:control. Je kijkt dan naar het voorkomen van de risicofactor in de casesgroep en in de
controle groep, en deelt deze odds vervolgens door elkaar:
a1 a0 a1 b1 a1 b0
OR = = =
b1 b0 a0 b0 a0 b1
Inhoud
Associatie maten: OR en RR
Ziekte maten: incidentie (voorkomen van ziekte in een bepaalde tijdsperiode) en prevalentie (voorkomen van de
ziekte op een tijdstip).
, Arianne de Sterke – Epidemiologie & Economie
R-studio
# c (getallen) → R weet dat ze bij elkaar horen.
# ncol = 2 → matrix moet 2 kolommen hebben
# byrow = true → eerst één rij vullen, dan pas de andere.
# epi 2x2 → betrouwbaarheidsinterval.
De H0 is altijd → er is geen associatie
De alternatieve hypothese → er is wel een associatie
Bij p < 0.05 moet je de H0 verwerpen.
OF als de kantelwaarde van de OR ( = 1) binnen het 95% betrouwbaarheidsinterval van de OR valt, mag je de H0
niet verwerpen. Als namelijk het risico 1x zo groot is vergeleken met de andere groep, is de kans even groot in
beide groepen en is er dus geen verband (H0 klopt).
Om 2 groepen te vergelijken via een 2x2 tabel wordt gebruik gemaakt van de chi-kwadraat test.
, Arianne de Sterke – Epidemiologie & Economie
Opdrachten
Opdracht 1.1
Maagtorsie is een zeldzame maar ernstige afwijking bij honden. De maag van de hond draait in de
buikholte en zorgt voor een afsluiting zowel naar craniaal, als naar caudaal. De honden zijn vaak zeer
acuut ernstig ziek, en kunnen snel overlijden. Er wordt gesuggereerd dat er een relatie is tussen de
frequentie van voeren en het optreden van deze aandoening. Een lagere voerfrequentie geeft mogelijk
meer kans op het ontstaan van maagtorsies.
a. Welke studiemethode is het meest geschikt voor de bestudering van de associatie tussen
voerfrequentie en maagtorsie? Beargumenteer uw antwoord.
Een case control studie aangezien het gaat om een zeldzame aandoening (observationeel:
onderzoeker bepaald niet de voerfrequentie, maar is afhankelijk van de eigenaren;
experimenteel: de onderzoeker interfereert met de deelnemers).
Van de 45 honden die aan de kliniek voor gezelschapsdieren werden aangeboden met een maagtorsie
bleken er 8 te zijn die meer dan drie maal daags gevoerd werden. Bij een groep van 90 patiënten die om
een andere reden bij de kliniek werden aangeboden bleken er 17 te zijn die meer dan drie maal daags
werden gevoerd.
b. Bereken de meest correcte maat voor associatie tussen voerfrequentie en het optreden van
maagtorsies.
Frequent voeren Weinig voeren
Maagtorsie 8 37 45
Geen maagtorsie 17 73 90
Totaal 25 110
a1 a0 a1 b1 a1 b0
OR = = = → (8 x 73) / (17 x 37) = = 0.928
b1 b0 a0 b0 a0 b1
De odds ratio is 0.928 (met 95% betrouwbaarheidsinterval van [0.367, 2.35])
Bij verdere beoordeling van de gegevens bleek dat van de maagtorsie patiënten er 40 tot de grote rassen
gerekend mochten worden, 7 van deze dieren bleek frequent gevoerd te worden. Bij de groep van 90
‘overige’ patiënten waren er 30 honden die tot de grote rassen gerekend mochten worden, van deze 30
werden er 15 frequent gevoerd.
Jaar 3
10011010001001110010
10010100100011101010
11100101001101000100
11100101001010010001
11010101110010100110
10001001110010100101
00100011101010111001
01001101000100111001
01001010010001110101
01110010100110100010
01110010100101001000
11101010111001010011
Epidemiologie & Economie
WERKCOLLEGES
ARIANNE DE STERKE
, Arianne de Sterke – Epidemiologie & Economie
Werkcollege 1
Associatiematen en onderzoeksopzet
Onderzoeksopzet
Observationeel:
• Cohort studie: 2 verschillende groepen (risicofactor wel of niet aanwezig) gevolgd in de tijd. De groepen
worden gemaakt op basis van de determinant/risico factor. Vervolgens wordt het RR bepaald.
o Voordelen: is de sterkste observationele studie vanwege de causaliteit → de juiste volgorde (eerst
risicofactor, dan ziekte). En je kunt het effect van één risicofactor op meerdere ziekten bestuderen.
o Nadelen: niet handig bij zeldzame aandoeningen of erg langzaam ontwikkelende ziektes (erg duur).
Ook niet mogelijk als men geen idee heeft wat een mogelijke risicofactor zou kunnen zijn.
• Case control studies: worden gedaan bij zeldzame aandoeningen. Er wordt gezocht naar de aandoening
(cases) en een controle groep en vervolgens naar de aanwezigheid van de risicofactor. De groepen
worden dus gemaakt op basis van de outcome/ziektestatus.
o Voordelen: efficiënt bij zeldzame ziektes (→ OR ~ RR) of als je geen idee hebt van de risicofactoren
o Nadelen: je leert niks over de kans op ziek zijn, want je bepaalt zelf het aantal controledieren en
cases en dus bepaal je in dat opzicht zelf de verhouding. Je kunt alleen inzicht krijgen over de
associatie tussen risicofactor en ziekte → niet relatief risico maar odds ratio. Daarnaast is het
moeilijk om goede controles te vinden.
• Cross sectional: dwarsdoorsnede uit de populatie (geen groepen gevormd). Kijkt op hetzelfde moment
naar ziek/niet-ziek en de risicofactor. Voor een zeldzame aandoening niet zo handig. Je kijkt niet naar
risicofactoren in de tijd.
Experimenteel:
• Randomized controlled trial
Begrippen
Relatieve risico: Je berekent eerst het risico op de outcome per groep. Bijvoorbeeld: in groep 1 is de risicofactor
aanwezig en worden 4 uit de 5 dieren in de loop van de tijd ziek → 4/5 = 0.8. In groep 2 is de risicofactor afwezig
en worden 2 uit de 5 dieren in de loop van de tijd ziek → 2/5 = 0.4. Om dan het relatieve risico tussen de groepen
te bereken deel je de individuele risico’s door elkaar: RR = 0.8/0.4 = 2. Het risico op ziekte is dus 2x zo groot als de
risicofactor aanwezig is. Je kunt hierbij gebruik maken van de volgende 2x2 tabel en formules:
Odds ratio: In het geval van een case-control studie, mag je het relatieve risico niet gebruiken want deze studie is
niet representatief voor de werkelijke populatie. Je gebruikt in dat geval dus de OR aangezien deze niet afhankelijk
is van de verhouding case:control. Je kijkt dan naar het voorkomen van de risicofactor in de casesgroep en in de
controle groep, en deelt deze odds vervolgens door elkaar:
a1 a0 a1 b1 a1 b0
OR = = =
b1 b0 a0 b0 a0 b1
Inhoud
Associatie maten: OR en RR
Ziekte maten: incidentie (voorkomen van ziekte in een bepaalde tijdsperiode) en prevalentie (voorkomen van de
ziekte op een tijdstip).
, Arianne de Sterke – Epidemiologie & Economie
R-studio
# c (getallen) → R weet dat ze bij elkaar horen.
# ncol = 2 → matrix moet 2 kolommen hebben
# byrow = true → eerst één rij vullen, dan pas de andere.
# epi 2x2 → betrouwbaarheidsinterval.
De H0 is altijd → er is geen associatie
De alternatieve hypothese → er is wel een associatie
Bij p < 0.05 moet je de H0 verwerpen.
OF als de kantelwaarde van de OR ( = 1) binnen het 95% betrouwbaarheidsinterval van de OR valt, mag je de H0
niet verwerpen. Als namelijk het risico 1x zo groot is vergeleken met de andere groep, is de kans even groot in
beide groepen en is er dus geen verband (H0 klopt).
Om 2 groepen te vergelijken via een 2x2 tabel wordt gebruik gemaakt van de chi-kwadraat test.
, Arianne de Sterke – Epidemiologie & Economie
Opdrachten
Opdracht 1.1
Maagtorsie is een zeldzame maar ernstige afwijking bij honden. De maag van de hond draait in de
buikholte en zorgt voor een afsluiting zowel naar craniaal, als naar caudaal. De honden zijn vaak zeer
acuut ernstig ziek, en kunnen snel overlijden. Er wordt gesuggereerd dat er een relatie is tussen de
frequentie van voeren en het optreden van deze aandoening. Een lagere voerfrequentie geeft mogelijk
meer kans op het ontstaan van maagtorsies.
a. Welke studiemethode is het meest geschikt voor de bestudering van de associatie tussen
voerfrequentie en maagtorsie? Beargumenteer uw antwoord.
Een case control studie aangezien het gaat om een zeldzame aandoening (observationeel:
onderzoeker bepaald niet de voerfrequentie, maar is afhankelijk van de eigenaren;
experimenteel: de onderzoeker interfereert met de deelnemers).
Van de 45 honden die aan de kliniek voor gezelschapsdieren werden aangeboden met een maagtorsie
bleken er 8 te zijn die meer dan drie maal daags gevoerd werden. Bij een groep van 90 patiënten die om
een andere reden bij de kliniek werden aangeboden bleken er 17 te zijn die meer dan drie maal daags
werden gevoerd.
b. Bereken de meest correcte maat voor associatie tussen voerfrequentie en het optreden van
maagtorsies.
Frequent voeren Weinig voeren
Maagtorsie 8 37 45
Geen maagtorsie 17 73 90
Totaal 25 110
a1 a0 a1 b1 a1 b0
OR = = = → (8 x 73) / (17 x 37) = = 0.928
b1 b0 a0 b0 a0 b1
De odds ratio is 0.928 (met 95% betrouwbaarheidsinterval van [0.367, 2.35])
Bij verdere beoordeling van de gegevens bleek dat van de maagtorsie patiënten er 40 tot de grote rassen
gerekend mochten worden, 7 van deze dieren bleek frequent gevoerd te worden. Bij de groep van 90
‘overige’ patiënten waren er 30 honden die tot de grote rassen gerekend mochten worden, van deze 30
werden er 15 frequent gevoerd.