Tijdvak 1
Jagers en boeren
We hebben weinig bronnen uit de tijd van de Jagers en Verzamelaars. We
hebben alleen primaire ongeschreven bronnen. Dit betekend dat de
bronnen uit de tijd zelf stammen. Jagers verzamelaars leefden van het
jagen en verzamelen Als het eten op één plek op was, trokken ze verder.
Jagers Verzamelaars hadden geen georganiseerd bestuur. Dit was niet
nodig, want de groepen waren niet zo groot er waren weinig sociale
verschillen. Er was wel een rolverdeling: de mannen jaagden en de vrouw
verzamelden. Er was geen geloof maar men deed wel aan jacht en
vruchtbaarheids rituelen.
Op sommige plekken was het klimaat zo ideaal dat er genoeg voedsel was
en men niet meer rond hoeft te trekken. Men begon met akkerbouw en
veeteelt en stopten met jagen en verzamelen. Iedereen bleef op dezelfde
plek wonen, waardoor er landbouwsamenlevingen ontstonden. Sociale
verhoudingen veranderden. Iedereen had een vaste woonplaats waardoor
je bezittingen kon opbouwen. Men deed nog steeds aan culturele rituelen
met de hoop dat de oogst hierdoor zou lukken.
Er werden veel uitvindingen gedaan, waaronder het schrift om voorraden
bij te houden. Met het ontstaan van het schrift zitten we in de historie.
Deze archaïsche revolutie had een paar belangrijke gevolgen: de bevolking
groeide. Omdat de manier van leven minder intensief was, konden
vrouwen meer kinderen krijgen. De veeteelt ontstond en er werden dus
nieuwe uitvindingen gedaan. Mensen die in een landbouw samenleving
leefden, waren vaak minder gezond dan de jagers verzamelaars door het
eenzijdige eten en het zware lichamelijke werk. Als een gewas mislukte
was er dan ook een grote kans op een hongersnood.
Steden ontstonden door de vruchtbare grond en de irrigatie. Steeds
grotere groepen konden op dezelfde plaats wonen. Door de groeiende
akkerbouw en veeteelt verhoogde de voedselproductie. Sommige boeren
hadden zelfs een voedsel overschot, waardoor niet iedereen zich meer
met de landbouw hoefde te bemoeien. Men begon producten te maken en
deze producten en gewassen te verhandelen. Men leefde van de
landbouw, handel en ambacht. Kenmerken van zo'n stedelijke samenleving
waren dan ook de landbouw, handel en ambachten. Steden werden
bestuurd door koningen met priesters. Elke stadstaat had zijn eigen
bestuur, rechtspraak en regels. Elke stadstaat had ongeveer 10.000
inwoners. De samenleving kende nu ook een hiërarchische opbouw met
onderaan de slaven en boeren dan ambachtslieden, priesters en de
koning.
Jagers en boeren
We hebben weinig bronnen uit de tijd van de Jagers en Verzamelaars. We
hebben alleen primaire ongeschreven bronnen. Dit betekend dat de
bronnen uit de tijd zelf stammen. Jagers verzamelaars leefden van het
jagen en verzamelen Als het eten op één plek op was, trokken ze verder.
Jagers Verzamelaars hadden geen georganiseerd bestuur. Dit was niet
nodig, want de groepen waren niet zo groot er waren weinig sociale
verschillen. Er was wel een rolverdeling: de mannen jaagden en de vrouw
verzamelden. Er was geen geloof maar men deed wel aan jacht en
vruchtbaarheids rituelen.
Op sommige plekken was het klimaat zo ideaal dat er genoeg voedsel was
en men niet meer rond hoeft te trekken. Men begon met akkerbouw en
veeteelt en stopten met jagen en verzamelen. Iedereen bleef op dezelfde
plek wonen, waardoor er landbouwsamenlevingen ontstonden. Sociale
verhoudingen veranderden. Iedereen had een vaste woonplaats waardoor
je bezittingen kon opbouwen. Men deed nog steeds aan culturele rituelen
met de hoop dat de oogst hierdoor zou lukken.
Er werden veel uitvindingen gedaan, waaronder het schrift om voorraden
bij te houden. Met het ontstaan van het schrift zitten we in de historie.
Deze archaïsche revolutie had een paar belangrijke gevolgen: de bevolking
groeide. Omdat de manier van leven minder intensief was, konden
vrouwen meer kinderen krijgen. De veeteelt ontstond en er werden dus
nieuwe uitvindingen gedaan. Mensen die in een landbouw samenleving
leefden, waren vaak minder gezond dan de jagers verzamelaars door het
eenzijdige eten en het zware lichamelijke werk. Als een gewas mislukte
was er dan ook een grote kans op een hongersnood.
Steden ontstonden door de vruchtbare grond en de irrigatie. Steeds
grotere groepen konden op dezelfde plaats wonen. Door de groeiende
akkerbouw en veeteelt verhoogde de voedselproductie. Sommige boeren
hadden zelfs een voedsel overschot, waardoor niet iedereen zich meer
met de landbouw hoefde te bemoeien. Men begon producten te maken en
deze producten en gewassen te verhandelen. Men leefde van de
landbouw, handel en ambacht. Kenmerken van zo'n stedelijke samenleving
waren dan ook de landbouw, handel en ambachten. Steden werden
bestuurd door koningen met priesters. Elke stadstaat had zijn eigen
bestuur, rechtspraak en regels. Elke stadstaat had ongeveer 10.000
inwoners. De samenleving kende nu ook een hiërarchische opbouw met
onderaan de slaven en boeren dan ambachtslieden, priesters en de
koning.