Sterke werkwoorden, keuzevoorzetsels en de vertaling van ‘naar’
Sterke Werkwoorden
Bij sterke werkwoorden in T.T. wordt bij du/er/sie/es a → ä en e → i/ie. Korte ‘è’ →
i, lange ‘é’ → ie.
Zwak werkwoord Sterk werkwoord met Sterk werkwoord met
a e
Ich schreibe schlafe spreche
Du schreibst schläfst sprichst
Er/sie/ schreibt schläft spricht
es
Wir schreiben schlafen sprechen
Ihr schreibt schlaft sprecht
Sie/sie schreiben schlafen sprechen
Keuzevoorzetsels
De keuzevoorzetsels zijn: ‘an’, ‘auf’, ‘hinter’, ‘neben’, ‘in’, ‘über’, ‘unter’, ‘vor’,
‘zwischen’.
Drukt het hele werkwoord + keuzevoorzetsel en rust/zich bevinden of
tijdsbepaling uit, dan volgt de 3e naamval. Je kunt vragen: ‘wo?’ of ‘wann?’.
Drukt het hele werkwoord + keuzevoorzetsel een beweging in een richting uit,
dan volgt de 4e naamval. Je kunt vragen: ‘wohin?’.
Geeft het werkwoord + keuzevoorzetsel geen rust of beweging of tijdsbepaling
aan?
Dan gebruik je na ‘an’, ‘hinter’, ‘neben’, ‘in’, ‘unter’, ‘vor’, ‘zwischen’ de 3 e
naamval.
En na ‘auf’ en ‘über’ de 4e naamval.
De vertaling van ‘naar’ (‘zu’, ‘nach’ of ‘in’)
‘Zu’ gebruik je:
Bij personen. Ich gehe zum Direktor.
Voor zaaknamen voorafgegaan door een bepalend woord. Gehst du zum
Bahnhof?
‘Nach’ gebruik je:
In de combinaties. Nach Hause/links/rechts/oben/unten/vorne/hinten/Norde.
Bij geografische namen zonder bepalend woord. Nach Berlin.
Indien naar geen richting uitdrukt. Es riecht hier nach Kamille.
‘In’ gebruik je:
In vaste uitdrukkingen. Ins Theater/Konzert/Kino/Schwimmbad/Bett
gehen/Ausland.