Formuleren en stijlfouten
§10 ‘Stijl’
Woordniveau:
Veel of weinig bijvoeglijke naamwoorden
Ouderwetse of moeilijke woorden
Formele of informele woorden
Eenvoudige of moeilijke woorden
Algemene of specifieke woorden
Statische of dynamische woorden
Veel of weinig variatie in woordgebruik
Gebruik van verkleinwoorden
Zinsniveau:
Veel korte of juist lange zinnen
Veel of weinig bijzinnen en beknopte bijzinnen
Variatie in zinsvolgorde
Gebruik van beeldspraak
Gebruik van stijlfiguren
Passieve of actieve zinnen
Tekstniveau:
Gebruik van dialoog
Gebruik van ruimtelijke beschrijvingen
Grammaticale tijd
Volgorde van tekstelementen
§11 ‘Begrijpelijk formuleren’
Begrijpelijk formuleren doe je door:
Niet te lange zinnen te gebruiken (10 – 15 woorden)
De kern (onderwerp en persoonsvorm) bij elkaar te zetten
Geen tangconstructie te gebruiken (bij elkaar horende zinsdelen dicht bij
elkaar plaatsen en overbodige tussenvoegsels vermijden)
De lijdende vorm niet te gebruiken (haal ‘worden’ uit de zin, neem het
andere werkwoord als pv, formuleer het onderwerp en voeg eventueel
een voegwoord toe)
Geen onnodig lastige woorden te gebruiken
Naamwoordstijl te voorkomen (werkwoorden zoveel mogelijk in actieve
vorm gebruiken in plaats van ze als zelfstandige naamwoorden te
verwoorden)
§12 ‘Nauwkeurig formuleren’
Houd rekening met vragen van de lezer (wie, wat, waarom, waar, wanneer en
hoe), wees concreet (dus niet opzettelijk vaag), vermijd lege woorden
(vaagtaal), dubbelzinnig taalgebruik alleen gebruiken als het een meerwaarde
heeft, leg ‘ingebouwde beperkingen’ uit en verwijs correct.
Wanneer gebruik je hun, hen en zij?