§2.1: Inleiding
Poëzie is overal: in de Bijbel op geboorte-, trouw- en rouwkaarten en op nog
veel meer plekken.
Hetzelfde gedicht kan voor iedereen heel anders voelen en overkomen, net
zoals een verhaal.
Gedichten zijn teksten, soms met rijm, ritme en andere stijlmiddelen, die zich
van andere teksten onderscheiden, doordat regels op een door de dichter
gekozen momenten afgebroken worden, waardoor er veel wit op de pagina
ontstaan.
Gedichten geven de werkelijkheid weer zoals de dichter die beleeft.
Vorm: manier waarop het gedicht is gemaakt.
Inhoud: wat erin staat.
Ik-gedichten zijn er in twee vormen: proza (verhaal) en poëzie (gedicht).
De ik-vorm word gebruikt om het gedicht dichter bij de lezer te krijgen.
Ambiguïteit: meerduidigheid van woorden en zinnen (je kan het op meerdere
manieren uitleggen)
, §2.2: Klank en rijm
Met rijm kan een dichter extra nadruk leggen op bepaalde woorden, vroeger
was rijm ook handig om te verhalen te onthouden.
Rijm: de herhaling van een klank in beklemtoonde lettergrepen die vrij dicht bij
elkaar staan.
Halfrijm: het rijmen van alleen de klinkers of alleen de medeklinkers, alliteratie
of assonantie.
Alliteratie of medeklinkerrijm: de beginmedeklinkers in beklemtoonde
lettergrepen zijn gelijk (zeven zwarte zwanen zwommen zwoegend).
Assonantie of klinkerrijm: alleen de klinker of tweeklank rijmt (lamp-brand of
lief-diep).
Een korte klinker rijmt niet op een lange.
Volrijm: klankovereenkomst van zowel klinkers als de daaropvolgende
medeklinkers.
Volrijm moet aan vier dingen voldoen:
Gelijkheid van klinkers in de laatste beklemtoonde lettergreep
Gelijkheid van alle klanken volgend op de laatste beklemtoonde lettergreep
Verschil in de medeklinkers voorafgaand aan de laatste beklemtoonde
lettergreep
Vergelijkbare klemtoonstructuur
Rijk rijm: als het woord of een gedeelte van het wordt letterlijk wordt herhaald
(licht-ligt of bezat-zat).
Oogrijm: de letters zijn hetzelfde, maar de klank is anders.
Voorrijm: het eerste woord rijmt met eerste woord van opeenvolgende
versregels.
Binnenrijm: het rijmen van woorden in een versregel.
Middenrijm: woorden rijmen in opeenvolgende versregels.
Overlooprijm: rijmen in laatste lettergreep en dan met eerste lettergreep van
volgende regel.
Eindrijm: rijmwoorden aan het eind van het versregel.
Mannelijk: geen opvolging, andere lettergreep.
Vrouwelijk: opvolging één onbeklemtoonde lettergreep.
Glijdend: opvolging twee onbeklemtoonde lettergrepen.
Dubbelrijm: aan het einde van twee versregels twee rijmklanken.
Rijmschema: het aanhouden van een bepaalde volgorde van rijmklanken.
Gebroken rijm: een nieuwe rijmklank verbreekt de regelmaat.
Alternerend rijm: schema waarbij om en om mannelijk en vrouwelijke rijm wordt
gebruikt.
Soorten rijmschema’s:
Gepaard rijm (aabb)
Gekruist rijm (abab)
Omarmend rijm (abba)
Slagrijm (aaaa)
Verspringend rijm (abcabcdefdef)