Literatuur samenvatting boek klinische neuropsychologie, hoorcollege en bijbehorend
hoofdstuk uit het boek
Hoorcollege 1 – hoofdstuk 1 & 3
Hoofdstuk 1 – inleiding tot de neuropsychologie
De Grieken kenden 3 zielen
1. Voor het overleven
- Voedselopname
2. Voor activiteiten in relatie tot de omgeving
3. Hogere orde ziel
- Maakt onderscheid tussen wat goed en fout is
- De mens bezit als enige alle 3 de zielen
Fysiognomie: de interpretatie van het gelaat of uiterlijk. Op basis hiervan zou je wat over de
persoonlijkheid van een persoon kunnen zeggen. de fysiognomie zette Gall aan tot het
ontwikkelen van een nieuwe benadering van individuele verschillen.
Descartes: hij besloot alles wat men wist in twijfel te trekken en alleen op te bouwen op de
inzichten die onomstotelijk waren. ‘Ik denk, dus ik ben.’
1. Het lichaam (Res Extensa)
2. De geest (Res Cogitans)
- Niet materiaal, zou zich in de pijnappelklier (epifyse) bevinden
Gall en het lokalisatievraagstuk; frenologie: kern van waarheid in fysiognomie maar hij zag in
dat hersenen belangrijkere rol speelden dan het gezicht of de rest van het lichaam
De clinico-anatomische methode
- Jean-Baptiste Bouillad toetste zijn eigen overtuigingen en lokalisatie-ideeën door
bij patiënten met een focaal hersenletsel in beeld te brengen welke specifieke
uitvalsverschijnselen zij hadden. Hij onderzocht veel patiënten die een taalstoornis
hadden na hersenletsel en concludeerde dat taal in het voorste deel van de hersenen
zat.
Luria: een globaal model
,Luria (1902-1977) probeerde alle bestaande neuro(psycho)logische feiten en theorieën samen
te vatten en te integreren met zijn eigen klinische waarnemingen. Hij had een grote invloed op
het vakgebied, want hij en zijn medewerkers behoorden tot de eersten die zich intensief
bezighielden met de revalidatie van patiënten met functiestoornissen. Bij elke mentale
activiteit zijn de drie functionele eenheden betrokken:
1. Activering
2. Input
3. Output
De functionele verschillen tussen de linker- en rechter hemisfeer aangeduid met de
term ‘lateraliteit’. Luria legde de meeste nadruk op de verreikende betekenis van taal.
Daarmee werd de taaldominante hemisfeer voor hem de dominante hersenhelft.
Testbatterijen:
- Halstead-Reitan-testbatterij: ontstaan uit het samenvoegen van verschillende tests
die waren gericht op onderzoek naar het effect van hersenletsel op intelligentie.
Het lijkt meer op een screeningsinstrument omdat de conceptuele onderbouwing
mist
- Luria-Nebraska neuropsychological battery (LNNB): is ontwikkeld door Charles
Golden en gebaseerd op de ideeën en testprocedures van Luria.
De neuropsychologie als zelfstandige discipline
Ontwikkelingen die zorgde voor neuropsychologie als zelfstandig gebied
1. Geschwind, stimuleerde anderen om het functioneren van de hersenen beter in beeld te
brengen door op zoek te gaan naar specifieke centra en verbindingen. Belangrijk
hierbij was het zoeken naar dubbele dissociatie
2. Roger Sperry onderzocht de effecten van de split-brain operatie. Hij kwam er achter
dat de rechterhersenhelft in bepaalde functies beter was dan de linkerhersenhelft
hemisfeerspecialisatie
Cognitieve neuropsychologie
Module: een proces waar men zich niet van bewust is en waar iemand nauwelijks invloed op
kan uitoefenen (Fodor).
Fodor kende 4 kenmerken waar een module aan moest voldoen:
1) Aangeboren
2) Geïsoleerd
3) Vaste neutrale architectuur
4) Domein specifiek
Neurale netwerken
, Verwijst naar computersimulaties. De computer is ontwikkeld als een systeem dat net zo zou
werken als de hersenen. Ze worden ook wel connectionistische modellen genoemd.
Types:
- Optreden emergente eigenschappen
- Graceful degradation
- Content adressability
H3 – neuropsychologie, de wetenschappelijke benadering
Substractieve methode: de procedure waarbij de op een eenvoudigere conditie verkregen
score wordt afgetrokken van een complexere conditie. Bij het aftrekken worden de
onbetrouwbaarheden van beide scores samengevoegd.
Dissociatie in de klinische neuropsychologie
- Selectieve uitval: in essentie is het cognitief functioneren intact, maar een
specifiek deel binnen het cognitief functioneren is uitgevallen. Het woord specifiek
staat hier tegenover ‘Globale achteruitgang’
- Enkelvoudige dissociatie: treedt op wanneer een patiënt een stoornis vertoont in
taak A, maar normaal presteert in taak B. Dit suggereert dat de twee taken door
verschillende hersengebieden worden uitgevoerd
- Dubbele dissociatie: treedt op wanneer twee patiënten verschillende stoornissen
vertonen. Patiënt 1 heeft een stoornis in taak A, maar presteert normaal in taak B,
terwijl patiënt 2 een stoornis heeft in taak B, maar normaal presteert in taak A. dit
biedt sterker bewijs dat de twee taken door verschillende hersengebieden worden
uitgevoerd.
Hoorcollege 2 – H2, H4, H5
Hoofdstuk 2 – neuropsychologie in de praktijk
Neuropsychologische tests
4 fasen
1) Klachtenanalyse
2) Probleemanalyse
3) Diagnose
4) Indicatie voor behandeling
- Gevoeligheid: de waarschijnlijkheid dat de resultaten van een test van een persoon
met een stoornis als ‘gestoord’ zullen identificeren (true positive)
- Specificiteit: de waarschijnlijkheid dat de resultaten van een test van een persoon
zonder stoornis als ‘niet gestoord’ identificeren (true negative)
Hoofdstuk 4 – beeldvorming van de hersenen
hoofdstuk uit het boek
Hoorcollege 1 – hoofdstuk 1 & 3
Hoofdstuk 1 – inleiding tot de neuropsychologie
De Grieken kenden 3 zielen
1. Voor het overleven
- Voedselopname
2. Voor activiteiten in relatie tot de omgeving
3. Hogere orde ziel
- Maakt onderscheid tussen wat goed en fout is
- De mens bezit als enige alle 3 de zielen
Fysiognomie: de interpretatie van het gelaat of uiterlijk. Op basis hiervan zou je wat over de
persoonlijkheid van een persoon kunnen zeggen. de fysiognomie zette Gall aan tot het
ontwikkelen van een nieuwe benadering van individuele verschillen.
Descartes: hij besloot alles wat men wist in twijfel te trekken en alleen op te bouwen op de
inzichten die onomstotelijk waren. ‘Ik denk, dus ik ben.’
1. Het lichaam (Res Extensa)
2. De geest (Res Cogitans)
- Niet materiaal, zou zich in de pijnappelklier (epifyse) bevinden
Gall en het lokalisatievraagstuk; frenologie: kern van waarheid in fysiognomie maar hij zag in
dat hersenen belangrijkere rol speelden dan het gezicht of de rest van het lichaam
De clinico-anatomische methode
- Jean-Baptiste Bouillad toetste zijn eigen overtuigingen en lokalisatie-ideeën door
bij patiënten met een focaal hersenletsel in beeld te brengen welke specifieke
uitvalsverschijnselen zij hadden. Hij onderzocht veel patiënten die een taalstoornis
hadden na hersenletsel en concludeerde dat taal in het voorste deel van de hersenen
zat.
Luria: een globaal model
,Luria (1902-1977) probeerde alle bestaande neuro(psycho)logische feiten en theorieën samen
te vatten en te integreren met zijn eigen klinische waarnemingen. Hij had een grote invloed op
het vakgebied, want hij en zijn medewerkers behoorden tot de eersten die zich intensief
bezighielden met de revalidatie van patiënten met functiestoornissen. Bij elke mentale
activiteit zijn de drie functionele eenheden betrokken:
1. Activering
2. Input
3. Output
De functionele verschillen tussen de linker- en rechter hemisfeer aangeduid met de
term ‘lateraliteit’. Luria legde de meeste nadruk op de verreikende betekenis van taal.
Daarmee werd de taaldominante hemisfeer voor hem de dominante hersenhelft.
Testbatterijen:
- Halstead-Reitan-testbatterij: ontstaan uit het samenvoegen van verschillende tests
die waren gericht op onderzoek naar het effect van hersenletsel op intelligentie.
Het lijkt meer op een screeningsinstrument omdat de conceptuele onderbouwing
mist
- Luria-Nebraska neuropsychological battery (LNNB): is ontwikkeld door Charles
Golden en gebaseerd op de ideeën en testprocedures van Luria.
De neuropsychologie als zelfstandige discipline
Ontwikkelingen die zorgde voor neuropsychologie als zelfstandig gebied
1. Geschwind, stimuleerde anderen om het functioneren van de hersenen beter in beeld te
brengen door op zoek te gaan naar specifieke centra en verbindingen. Belangrijk
hierbij was het zoeken naar dubbele dissociatie
2. Roger Sperry onderzocht de effecten van de split-brain operatie. Hij kwam er achter
dat de rechterhersenhelft in bepaalde functies beter was dan de linkerhersenhelft
hemisfeerspecialisatie
Cognitieve neuropsychologie
Module: een proces waar men zich niet van bewust is en waar iemand nauwelijks invloed op
kan uitoefenen (Fodor).
Fodor kende 4 kenmerken waar een module aan moest voldoen:
1) Aangeboren
2) Geïsoleerd
3) Vaste neutrale architectuur
4) Domein specifiek
Neurale netwerken
, Verwijst naar computersimulaties. De computer is ontwikkeld als een systeem dat net zo zou
werken als de hersenen. Ze worden ook wel connectionistische modellen genoemd.
Types:
- Optreden emergente eigenschappen
- Graceful degradation
- Content adressability
H3 – neuropsychologie, de wetenschappelijke benadering
Substractieve methode: de procedure waarbij de op een eenvoudigere conditie verkregen
score wordt afgetrokken van een complexere conditie. Bij het aftrekken worden de
onbetrouwbaarheden van beide scores samengevoegd.
Dissociatie in de klinische neuropsychologie
- Selectieve uitval: in essentie is het cognitief functioneren intact, maar een
specifiek deel binnen het cognitief functioneren is uitgevallen. Het woord specifiek
staat hier tegenover ‘Globale achteruitgang’
- Enkelvoudige dissociatie: treedt op wanneer een patiënt een stoornis vertoont in
taak A, maar normaal presteert in taak B. Dit suggereert dat de twee taken door
verschillende hersengebieden worden uitgevoerd
- Dubbele dissociatie: treedt op wanneer twee patiënten verschillende stoornissen
vertonen. Patiënt 1 heeft een stoornis in taak A, maar presteert normaal in taak B,
terwijl patiënt 2 een stoornis heeft in taak B, maar normaal presteert in taak A. dit
biedt sterker bewijs dat de twee taken door verschillende hersengebieden worden
uitgevoerd.
Hoorcollege 2 – H2, H4, H5
Hoofdstuk 2 – neuropsychologie in de praktijk
Neuropsychologische tests
4 fasen
1) Klachtenanalyse
2) Probleemanalyse
3) Diagnose
4) Indicatie voor behandeling
- Gevoeligheid: de waarschijnlijkheid dat de resultaten van een test van een persoon
met een stoornis als ‘gestoord’ zullen identificeren (true positive)
- Specificiteit: de waarschijnlijkheid dat de resultaten van een test van een persoon
zonder stoornis als ‘niet gestoord’ identificeren (true negative)
Hoofdstuk 4 – beeldvorming van de hersenen