hoorcollege 4
koolhydraat (hydrate de carbone):
bestaan uit C, H, en O
brutoformule (CH2O)n (dus n = 5: C5H10O5)
Uitzonderingen: deoxysuikers en aminosuikers
meest voorkomende stoffen in de natuur
glucose wordt gemaakt tijdens fotosynthese:
(elk C in je lichaam is ooit glucose geweest,
dus ook ooit CO2 geweest waar het
vandaan komt)
alle andere suikers hebben de uitgang ose
D-glyceraldehyde is het meest eenvoudige aldose
Monosachariden: enkelvoudige vorm (ring): hexose (6 x C)
● 6-ring/pyranose (liefst), 5-ring/furanose en lineaire vorm, geen 4-ring, want
sp3 omringt een bindingshoek van 109 graden prettig en bij 4 ring is het 90
graden. Wat wel bij 5 en 6 ring is (bij 6 109 omdat in stoelring conformatie)
Disacchariden: (meest !) , 2 gekoppelde ketens
Oligosacchariden: 2-10 gekoppelde ketens
● toevoegen enzym (invertase) + water
Polysacchariden: 10+ ketens
● slecht oplosbaar verschil tussen ze is stereochemie, (o wijst naar beneden of O wijst naar
boven, zo’n klein verschil zorgt voor een hele andere werking)
● Wit en amorf, geen kristalstructuur (moleculen zijn te groot en onregelmatig om netjes te
rangschikken)
● niet zoet
polysacchariden bijv glycogeen is verzameling van enkele (glucose) als je dat afbreekt krijg
je energie
suikers aan elkaar plakken= condensatie
reactie
, Cellulose= functie celwand (polysacharide van alleen glucose)
● peptidoglycaan: Polysachariden en Peptiden (aminozuren)
● celwand = bacteriën
● + = 5x een Ala tussen de ketens
● - = ketens dicht op elkaar
(niet vragen op de toets heel celwand is het + of -)
eiwitten worden vaak extra suiker aan voor herkenning
● suiker reactie; acetaal vorming
D-glucose is in oplossing meestal niet lineair.
De aldehydegroep (C1) reageert intramoleculair met een alcoholgroep (–OH) verderop in de
keten.
🔹 De O van de –OH wordt onderdeel van de
🔹 C1 wordt het anomeer koolstofatoom
ring
6-ring
● De OH op C5 valt het aldehyde op C1 aan
● Ring bevat: 5 C-atomen + 1 O = 6-ring
● Dit heet D-glucopyranose
5-ring = furanose
● De OH op C4 valt C1 aan
● Ring bevat: 4 C-atomen + 1 O = 5-ring
● Dit heet D-glucofuranose
● ons bloed: PH 7
● azijnzuur dressing= PH 4, dus het zal - geladen zijn
In DNA zit 2-deoxyribose, fosfaatgroep, en de vier aromatische basen A, T, C
en G
(RNA)Normale ribose heeft op C2 een –OH, 2-deoxyribose heeft daar –H
één zuurstof minder, de-oxy = zuurstof verwijderd
Chemisch stabieler dan ribose, –OH op C2 is reactief, zonder –OH:
minder kans op interne reacties minder gevoelig voor hydrolyse
door de stereochemie (dat ene COOH boven andere beneden), dat bij het opstapelen van
Sachariden een spiraalvorm krijgt. Als je de groepen omdraait is het helix met draaiing
andere kant op
koolhydraat (hydrate de carbone):
bestaan uit C, H, en O
brutoformule (CH2O)n (dus n = 5: C5H10O5)
Uitzonderingen: deoxysuikers en aminosuikers
meest voorkomende stoffen in de natuur
glucose wordt gemaakt tijdens fotosynthese:
(elk C in je lichaam is ooit glucose geweest,
dus ook ooit CO2 geweest waar het
vandaan komt)
alle andere suikers hebben de uitgang ose
D-glyceraldehyde is het meest eenvoudige aldose
Monosachariden: enkelvoudige vorm (ring): hexose (6 x C)
● 6-ring/pyranose (liefst), 5-ring/furanose en lineaire vorm, geen 4-ring, want
sp3 omringt een bindingshoek van 109 graden prettig en bij 4 ring is het 90
graden. Wat wel bij 5 en 6 ring is (bij 6 109 omdat in stoelring conformatie)
Disacchariden: (meest !) , 2 gekoppelde ketens
Oligosacchariden: 2-10 gekoppelde ketens
● toevoegen enzym (invertase) + water
Polysacchariden: 10+ ketens
● slecht oplosbaar verschil tussen ze is stereochemie, (o wijst naar beneden of O wijst naar
boven, zo’n klein verschil zorgt voor een hele andere werking)
● Wit en amorf, geen kristalstructuur (moleculen zijn te groot en onregelmatig om netjes te
rangschikken)
● niet zoet
polysacchariden bijv glycogeen is verzameling van enkele (glucose) als je dat afbreekt krijg
je energie
suikers aan elkaar plakken= condensatie
reactie
, Cellulose= functie celwand (polysacharide van alleen glucose)
● peptidoglycaan: Polysachariden en Peptiden (aminozuren)
● celwand = bacteriën
● + = 5x een Ala tussen de ketens
● - = ketens dicht op elkaar
(niet vragen op de toets heel celwand is het + of -)
eiwitten worden vaak extra suiker aan voor herkenning
● suiker reactie; acetaal vorming
D-glucose is in oplossing meestal niet lineair.
De aldehydegroep (C1) reageert intramoleculair met een alcoholgroep (–OH) verderop in de
keten.
🔹 De O van de –OH wordt onderdeel van de
🔹 C1 wordt het anomeer koolstofatoom
ring
6-ring
● De OH op C5 valt het aldehyde op C1 aan
● Ring bevat: 5 C-atomen + 1 O = 6-ring
● Dit heet D-glucopyranose
5-ring = furanose
● De OH op C4 valt C1 aan
● Ring bevat: 4 C-atomen + 1 O = 5-ring
● Dit heet D-glucofuranose
● ons bloed: PH 7
● azijnzuur dressing= PH 4, dus het zal - geladen zijn
In DNA zit 2-deoxyribose, fosfaatgroep, en de vier aromatische basen A, T, C
en G
(RNA)Normale ribose heeft op C2 een –OH, 2-deoxyribose heeft daar –H
één zuurstof minder, de-oxy = zuurstof verwijderd
Chemisch stabieler dan ribose, –OH op C2 is reactief, zonder –OH:
minder kans op interne reacties minder gevoelig voor hydrolyse
door de stereochemie (dat ene COOH boven andere beneden), dat bij het opstapelen van
Sachariden een spiraalvorm krijgt. Als je de groepen omdraait is het helix met draaiing
andere kant op