H1 de sociaal werker als antropoloog
1.1 casus: een antropoloog op veldwerk
in beeld verschijnt de Amerikaanse antropoloog Napoleon Chagnon. Over zijn jarenlange verblijf bij
de Yanomamo schrijft Chagnon een boek en maakt hij een antropologische film: A mann called bee.
- Observeren van primitieve genezingsrituelen (hij deed veldwerk) en proberen patronen te
ontdekken over ruilhandel/gegevens verzamelen en vertrouwen winnen v/d Yanomamo >
taal leren/wonen.
1.2 Culturele antropologie
- Culturele antropologie als wetenschap is ontstaan ten tijde van de industriële revolutie en de
daarmee gepaard gaande koloniale expansiedrift van westerse landen in Azië, Afrika, de
Pacifische eilanden, Zuid- en Midden Amerika en de Noordpool. In de 19 e eeuw werd G-B een
van de machtigste landen ter wereld. Er was fikse concurrentie.
- De meest zekere manier om gebieden als grondstoffenleverancier en afzetgebied te
gebruiken, is zo veel mogelijk gebieden te veroveren. We spreken dan van kolonialisme.
- Eerst werden de kolonies alleen aangewend als handelspost. Na 1850 kwam een tweede
periode van kolonisatie en wordt het modern imperialisme genoemd (politieke invloed).
- De drie motieven voor het modern imperialisme waren dus:
1. De behoefte aan grondstoffen
2. De afzetmarkt
3. Het opbouwen van een groot koloniaal rijk
- Mede door de industriële revolutie kreeg West-Europa in de loop van de 18 e/19e eeuw een
grote voorsprong op andere werelddelen betreft wetenschap, techniek en industrie.
Antropologen wilde deze vooruitgang ook in de rest van de wereld krijgen.
- Blanke koloniale superioriteitsgevoel > zwarte piet.
1.3 Cultuur
- Culturele antropologie bestaat uit drie Latijnse woorden: kolere= cultuur, antropos= mens en
logos= wetenschap. Een cultureel antropoloog bekijkt de mens als een cultureel wezen.
- Cultuur verwijst naar het algemene patroon van menselijke activiteit en de symbolische
structuren die deze activiteit een zekere betekenis geven.
- Cultuur= alles wat door de samenleving wordt voortgebracht, zowel materieel als
immaterieel.
- Cultuur is ambacht, kunst, religie en wetenschap, zoals literatuur en architectuur.
Cultuur definities
- Er bestaan uiteenlopende definities van ‘cultuur’, die duiden op verschillende theoretische
benaderingen:
1. Cultuur is aangeleerd.
Cultuur wordt niet overgeërfd via de genen. Cultuur wordt aangeleerd door de sociale
omgeving. Cultuur is dan ook een uiting van hoe wij betekenis geven aan de wereld om
ons heen > nodig om wereld te begrijpen. Dat is een universele behoefte van de mens.
2. Cultuur is aan verandering onderhevig.
1
, De leefomstandigheden kunnen veranderen, waardoor de leefregels, normen en
waarden mee veranderen. Jagers-verzamelaars > stedelijke samenlevingen.
Er is creolisering van culturen, waarmee bedoeld wordt dat er door de wederzijdse
beïnvloeding van culturen, een nieuwe samengesmolten cultuur ontstaat.
Transnationale identiteit: migranten met verschillende landen zijn betrokken en loyaal.
3. Cultuur is situationeel bepaald.
In complexe industriële samenlevingen bestaan er veel subculturen en behoor je als
mens tot meerdere groepen. In elke subcultuur wordt er verwacht dat je je aanpast aan
de ‘codes’ van de verschillende subculturen. Cultuur= situationeel bepaald.
Je bent cultureel gezien iemand anders in verschillende situaties.
1.4 Veldwerk en participerende observatie
- Bij veldwerk hou je een lange traditie in stand. Antropologen wilde graag de levenswijzen
vastleggen die met de komst van het kolonialisme snel aan het veranderen waren.
Antropologen wilden doordringen tot de ‘wezenlijke’ of ‘elementaire’ vormen van de
instituties van de primitieve mens. Dit was revolutionair, omdat culturen tot dan toe werden
bestudeerd als ‘menselijke dierentuinen zonder geschiedenis’.
- De Poolse antropoloog Bronislaw Malinowski nam begin van de 20 e eeuw de eerste stap om
een vreemd volk van binnenuit te bestuderen en deed dit door zich langdurig onder te
dompelen in hun leven. in de antropologie spreken we dan van een emic- perspectief, de
emic-benadering gaat uit van het bestudeerde binnen het systeem als zodanig. Hierbij
kunnen we ook spreken van het ‘insiderperspectief’ dat uitgaat van onderzoek vanuit de
persoonlijke ervaring of cultuur waarvan de onderzoekers deel uitmaakt.
Participerende observatie
Participerende observatie: participeren= meedoen en observatie= waarnemen. Ook Napoleon
Chagnon en Malinowsk, maakte gebruik van participerende observatie. Doel: het leven zo
‘authentiek’ mogelijk waarnemen: doordringen tot diepere lagen van identiteit.
- Antropologen maken in dit verband onderscheid tussen de ‘frontstage’ en ‘backstage’
identiteiten van mensen.
Frontstage identiteit: de publieke identiteit die mensen graag laten zien, een identiteit
die er mogelijkerwijs positiever uitziet dan het geval is.
Backstage identiteit: de prive-identiteit, die mensen liever voor zichzelf houden en niet
zo snel laten zien > antropoloog 1 jaar blijven.
Als antropoloog goed kunnen observeren: bewust kijken hoe iets gebeurd of hoe iemand
zich gedraagt.
Observeren is opzettelijk, doelgericht en systematisch waarnemen.
Participerende observatie: wordt gebruikt door antropologen dat hij vaststelt van te voren welke
levensterreinen hij gaat observeren, onbekende populaties.
- Het doel van participerende observatie is te onderzoeken of mensen hetzelfde doen als dat
ze zeggen.
- Waarom doen mensen wat ze zeggen?
- Deze methode biedt mogelijkheid om ook wat deze lieden doen en denken bij de analyse te
betrekken.
2
,1.5 Thick description en het wezen van de Ander.
- De Amerikaanse antropoloog Clifford Geertz spreekt in dit verband over thick description,
oftewel het geven van een uitgebreid beeld van omstandigheden, situaties, mechanismen
etc. door middel van gedetailleerde beschrijvingen.
- Thick description houdt in dat observaties in veldwerk in wisselwerking met de omgeving
worden beschreven in een dagboek.
- Manier om een bepaalde externe validiteit te bereiken.
Het wezen van de Ander
- Een belangrijke taak van een antropoloog is om tot het wezen van de mens en zijn
omringende samenleving door te dringen en zijn gevoeligheden boven tafel te krijgen.
- De Britse antropoloog Alfred Radcliffe Brown stelde in dit verband dat antropologie niets te
zoeken heeft bij waarheidsvinding, juist of onjuist, goed of slecht, beschaafd of onbeschaafd.
- Doen alsof je de ‘ander’ bent. > empathie hebben. daarom gingen antropologen ook
uitzoeken wat magie, hekserij, waarzeggerij en genezingsrituelen waren en welke betekenis
die rituelen hadden en ook waarom dezelfde rituelen in meerdere samenlevingen
voorkwamen.
Empathie: is een ander woord voor inlevingsvermogen, de kunde of vaardigheid om je in te
leven in de gevoelens van een ander.
1.6 veldwerk en outreachend werken
Met de kanteling van de zorg naar de gemeenten, de opkomt van de doe-economie en de
participatiesamenleving moeten mensen steeds meer hun eigen problemen oplossen en kunnen ze
niet zo gemakkelijk meer aankloppen bij een professionele organisatie.
- Om preventief problemen te voorkomen, moeten sociaal werkers daarom steeds meer
zichtbaarder worden in de wijk en net als de antropoloog het veld ingaan.
- Een sociaal werker moet outreachend werken: het opbouwen van vertrouwen en het
empathisch inleven in de leefwereld van de wijkbewoners.
Outreachend werken
Een belangrijke grondlegger van het outreachend werken was de Schot Thomas Chalmers (1780-
1847). Hij raadde de armen af om een beroep te doen op de institutionele armenzorg (poor relief),
omdat hij ervan overtuigd was dat onderlinge buurtsolidariteit en opvoedondersteuning door sociaal
werkers veel effectiever zouden zijn dan de ‘aalmoezen’ die de overheid gaf. Overheid zorgde dat de
persoon weinig inzet toonde.
- Vanuit deze visie ontwikkelde hij een van de eerste basisconcepten van het sociaal werk:
‘help to help themselves’ gedragen door ‘friendly visitors’. We spreken in dit verband ook
wel van normatief sociaal werk, waarbij de sociaal werker vanuit een superieure positie de
cliënten ‘beschaafder’ probeerde te maken.
- Dit superioriteitsgevoel en de behoefte mensen beschaving bij te brengen is afkomstig van
het evolutionisme van de bekende bioloog Charles Darwin. Zijn boek werd door de eerste
antropologen als het wetenschappelijk bewijs beschouwd voor de gedachte dat de westerse
beschaving verreweg het meest superieur was.
3
, - Tegenwoordig wordt outreachend werken ‘eropaf’ genoemd en heeft het een andere
betekenis gekregen. Bij de eropaf-methode horen de begrippen: outreachend werken, achter
de voordeur en bemoeizorg. Eropaf staat voor een opvatting over de verantwoordelijkheid
van publieke organisaties voor het wel en wee van burgers.
Evolutionisme en culuur
De eerste antropologen zijn dus beïnvloed door filosofische stromingen die tot darwinistische
revolutie hebben geleid. Cultuur werd toen gelijkgesteld aan beschaving en werd geordend van
‘minst’ naar ‘meest’ beschaafd.
- De Engelse antropoloog Edward Burnett Tylor had een sterke evolutionistische kijk op
culturen, en religie in het bijzonder en introduceerde de term animisme, voor wat hij zag als
de eerste stap in de ontwikkeling van religies. Een animist gelooft in het bestaan van goede
en kwade geesten.
- Tylor beschreef een trend waarin de mens een ontwikkeling doormaakt van wild, naar
archaïsch, naar de complexe, beschaafde Europese mens. Primitieve samenlevingen konden
opklimmen op de evolutionistische ladder.
1.7 Het structureel functionalisme
Binnen de antropologie bestaat een aantal theoretische stromingen. In dit boek behandelen we het
structureel functionalisme, de conflictsociologie en het symbolisch interactionisme, omdat deze
stromingen de drie belangrijkste sociaalwerkstromingen sterk beïnvloed hebben: het normatieve
social casework, het politiserend werken en het positieve Eigen Kracht-werken.
Vanuit het evolutionisme ontstond het structureel functionalisme. Belangrijke grondleggers zijn
Bronislaw Malinowski (1922), Emile Durkheim (1912), Marcel Mauss (1924) en Herbert Gans (1974).
- Structureel functionalisten zien cultuur in de meest brede zin van het woord als elke vorm
van aangeleerd gedrag. Gedrag dat niet vast ligt in de genen, maar geleerd wordt door
nadoen of door onderwijs. Cultuur wordt daarmee als een product van menselijke afspraken,
waarden en gedragingen beschouwd.
- Alles wat mensen sociaal doen, heeft volgens structureel functionalisten een bedoeling en is
gericht op sociale cohesie, harmonie en consensus binnen de gemeenschap.
- Talent is een schaars, dus waardevol artikel. Dat vraagt offers van de samenleving: deze
mensen krijgen dus de posities met de hoogste status. >> sociale ongelijkheid wordt door
structureel- functionalisten dan ook gezien als een onvermijdelijk gegeven. Structureel
functionalisten vinden een zekere mate van ongelijkheid dan ook vanzelfsprekend.
- Het zijn de instituten van de samenleving die goed moeten functioneren. En individuen zijn
daar ondergeschikt aan.
- De samenleving kun je namelijk beschouwen als een organisch systeem, zoals het menselijk
lichaam. Net als vitale functies in een lichaam kan een organisme pas functioneren wanneer
alle organen en andere onderdelen op elkaar zijn afgestemd en zij hun functie goed vervullen
in het geheel.
- Zo bestaat een samenleving dan ook uit vele subsystemen, zoals de markt, de politiek, religie,
onderwijs, gezondheidszorg en recht, die belangrijke functies hebben voor het geheel.
- Structureel functionalisten zoals Emile Durkheim gaan ervan uit dat alleen een sociale
structuur positief bijdraagt aan de opvoeding, het onderwijs of de hulpverlening van mensen.
Individuen kunnen dat niet.
- Het gezin heeft een belangrijke maatschappelijke functie. Zo zorgt het voor productie en
reproductie van de arbeid als economische taak, regulering van de seksualiteit als biologische
taak en verschaft liefde en intimiteit als koesterende taak. Dit zijn allemaal voorbeelden van
manifeste functies.
4
1.1 casus: een antropoloog op veldwerk
in beeld verschijnt de Amerikaanse antropoloog Napoleon Chagnon. Over zijn jarenlange verblijf bij
de Yanomamo schrijft Chagnon een boek en maakt hij een antropologische film: A mann called bee.
- Observeren van primitieve genezingsrituelen (hij deed veldwerk) en proberen patronen te
ontdekken over ruilhandel/gegevens verzamelen en vertrouwen winnen v/d Yanomamo >
taal leren/wonen.
1.2 Culturele antropologie
- Culturele antropologie als wetenschap is ontstaan ten tijde van de industriële revolutie en de
daarmee gepaard gaande koloniale expansiedrift van westerse landen in Azië, Afrika, de
Pacifische eilanden, Zuid- en Midden Amerika en de Noordpool. In de 19 e eeuw werd G-B een
van de machtigste landen ter wereld. Er was fikse concurrentie.
- De meest zekere manier om gebieden als grondstoffenleverancier en afzetgebied te
gebruiken, is zo veel mogelijk gebieden te veroveren. We spreken dan van kolonialisme.
- Eerst werden de kolonies alleen aangewend als handelspost. Na 1850 kwam een tweede
periode van kolonisatie en wordt het modern imperialisme genoemd (politieke invloed).
- De drie motieven voor het modern imperialisme waren dus:
1. De behoefte aan grondstoffen
2. De afzetmarkt
3. Het opbouwen van een groot koloniaal rijk
- Mede door de industriële revolutie kreeg West-Europa in de loop van de 18 e/19e eeuw een
grote voorsprong op andere werelddelen betreft wetenschap, techniek en industrie.
Antropologen wilde deze vooruitgang ook in de rest van de wereld krijgen.
- Blanke koloniale superioriteitsgevoel > zwarte piet.
1.3 Cultuur
- Culturele antropologie bestaat uit drie Latijnse woorden: kolere= cultuur, antropos= mens en
logos= wetenschap. Een cultureel antropoloog bekijkt de mens als een cultureel wezen.
- Cultuur verwijst naar het algemene patroon van menselijke activiteit en de symbolische
structuren die deze activiteit een zekere betekenis geven.
- Cultuur= alles wat door de samenleving wordt voortgebracht, zowel materieel als
immaterieel.
- Cultuur is ambacht, kunst, religie en wetenschap, zoals literatuur en architectuur.
Cultuur definities
- Er bestaan uiteenlopende definities van ‘cultuur’, die duiden op verschillende theoretische
benaderingen:
1. Cultuur is aangeleerd.
Cultuur wordt niet overgeërfd via de genen. Cultuur wordt aangeleerd door de sociale
omgeving. Cultuur is dan ook een uiting van hoe wij betekenis geven aan de wereld om
ons heen > nodig om wereld te begrijpen. Dat is een universele behoefte van de mens.
2. Cultuur is aan verandering onderhevig.
1
, De leefomstandigheden kunnen veranderen, waardoor de leefregels, normen en
waarden mee veranderen. Jagers-verzamelaars > stedelijke samenlevingen.
Er is creolisering van culturen, waarmee bedoeld wordt dat er door de wederzijdse
beïnvloeding van culturen, een nieuwe samengesmolten cultuur ontstaat.
Transnationale identiteit: migranten met verschillende landen zijn betrokken en loyaal.
3. Cultuur is situationeel bepaald.
In complexe industriële samenlevingen bestaan er veel subculturen en behoor je als
mens tot meerdere groepen. In elke subcultuur wordt er verwacht dat je je aanpast aan
de ‘codes’ van de verschillende subculturen. Cultuur= situationeel bepaald.
Je bent cultureel gezien iemand anders in verschillende situaties.
1.4 Veldwerk en participerende observatie
- Bij veldwerk hou je een lange traditie in stand. Antropologen wilde graag de levenswijzen
vastleggen die met de komst van het kolonialisme snel aan het veranderen waren.
Antropologen wilden doordringen tot de ‘wezenlijke’ of ‘elementaire’ vormen van de
instituties van de primitieve mens. Dit was revolutionair, omdat culturen tot dan toe werden
bestudeerd als ‘menselijke dierentuinen zonder geschiedenis’.
- De Poolse antropoloog Bronislaw Malinowski nam begin van de 20 e eeuw de eerste stap om
een vreemd volk van binnenuit te bestuderen en deed dit door zich langdurig onder te
dompelen in hun leven. in de antropologie spreken we dan van een emic- perspectief, de
emic-benadering gaat uit van het bestudeerde binnen het systeem als zodanig. Hierbij
kunnen we ook spreken van het ‘insiderperspectief’ dat uitgaat van onderzoek vanuit de
persoonlijke ervaring of cultuur waarvan de onderzoekers deel uitmaakt.
Participerende observatie
Participerende observatie: participeren= meedoen en observatie= waarnemen. Ook Napoleon
Chagnon en Malinowsk, maakte gebruik van participerende observatie. Doel: het leven zo
‘authentiek’ mogelijk waarnemen: doordringen tot diepere lagen van identiteit.
- Antropologen maken in dit verband onderscheid tussen de ‘frontstage’ en ‘backstage’
identiteiten van mensen.
Frontstage identiteit: de publieke identiteit die mensen graag laten zien, een identiteit
die er mogelijkerwijs positiever uitziet dan het geval is.
Backstage identiteit: de prive-identiteit, die mensen liever voor zichzelf houden en niet
zo snel laten zien > antropoloog 1 jaar blijven.
Als antropoloog goed kunnen observeren: bewust kijken hoe iets gebeurd of hoe iemand
zich gedraagt.
Observeren is opzettelijk, doelgericht en systematisch waarnemen.
Participerende observatie: wordt gebruikt door antropologen dat hij vaststelt van te voren welke
levensterreinen hij gaat observeren, onbekende populaties.
- Het doel van participerende observatie is te onderzoeken of mensen hetzelfde doen als dat
ze zeggen.
- Waarom doen mensen wat ze zeggen?
- Deze methode biedt mogelijkheid om ook wat deze lieden doen en denken bij de analyse te
betrekken.
2
,1.5 Thick description en het wezen van de Ander.
- De Amerikaanse antropoloog Clifford Geertz spreekt in dit verband over thick description,
oftewel het geven van een uitgebreid beeld van omstandigheden, situaties, mechanismen
etc. door middel van gedetailleerde beschrijvingen.
- Thick description houdt in dat observaties in veldwerk in wisselwerking met de omgeving
worden beschreven in een dagboek.
- Manier om een bepaalde externe validiteit te bereiken.
Het wezen van de Ander
- Een belangrijke taak van een antropoloog is om tot het wezen van de mens en zijn
omringende samenleving door te dringen en zijn gevoeligheden boven tafel te krijgen.
- De Britse antropoloog Alfred Radcliffe Brown stelde in dit verband dat antropologie niets te
zoeken heeft bij waarheidsvinding, juist of onjuist, goed of slecht, beschaafd of onbeschaafd.
- Doen alsof je de ‘ander’ bent. > empathie hebben. daarom gingen antropologen ook
uitzoeken wat magie, hekserij, waarzeggerij en genezingsrituelen waren en welke betekenis
die rituelen hadden en ook waarom dezelfde rituelen in meerdere samenlevingen
voorkwamen.
Empathie: is een ander woord voor inlevingsvermogen, de kunde of vaardigheid om je in te
leven in de gevoelens van een ander.
1.6 veldwerk en outreachend werken
Met de kanteling van de zorg naar de gemeenten, de opkomt van de doe-economie en de
participatiesamenleving moeten mensen steeds meer hun eigen problemen oplossen en kunnen ze
niet zo gemakkelijk meer aankloppen bij een professionele organisatie.
- Om preventief problemen te voorkomen, moeten sociaal werkers daarom steeds meer
zichtbaarder worden in de wijk en net als de antropoloog het veld ingaan.
- Een sociaal werker moet outreachend werken: het opbouwen van vertrouwen en het
empathisch inleven in de leefwereld van de wijkbewoners.
Outreachend werken
Een belangrijke grondlegger van het outreachend werken was de Schot Thomas Chalmers (1780-
1847). Hij raadde de armen af om een beroep te doen op de institutionele armenzorg (poor relief),
omdat hij ervan overtuigd was dat onderlinge buurtsolidariteit en opvoedondersteuning door sociaal
werkers veel effectiever zouden zijn dan de ‘aalmoezen’ die de overheid gaf. Overheid zorgde dat de
persoon weinig inzet toonde.
- Vanuit deze visie ontwikkelde hij een van de eerste basisconcepten van het sociaal werk:
‘help to help themselves’ gedragen door ‘friendly visitors’. We spreken in dit verband ook
wel van normatief sociaal werk, waarbij de sociaal werker vanuit een superieure positie de
cliënten ‘beschaafder’ probeerde te maken.
- Dit superioriteitsgevoel en de behoefte mensen beschaving bij te brengen is afkomstig van
het evolutionisme van de bekende bioloog Charles Darwin. Zijn boek werd door de eerste
antropologen als het wetenschappelijk bewijs beschouwd voor de gedachte dat de westerse
beschaving verreweg het meest superieur was.
3
, - Tegenwoordig wordt outreachend werken ‘eropaf’ genoemd en heeft het een andere
betekenis gekregen. Bij de eropaf-methode horen de begrippen: outreachend werken, achter
de voordeur en bemoeizorg. Eropaf staat voor een opvatting over de verantwoordelijkheid
van publieke organisaties voor het wel en wee van burgers.
Evolutionisme en culuur
De eerste antropologen zijn dus beïnvloed door filosofische stromingen die tot darwinistische
revolutie hebben geleid. Cultuur werd toen gelijkgesteld aan beschaving en werd geordend van
‘minst’ naar ‘meest’ beschaafd.
- De Engelse antropoloog Edward Burnett Tylor had een sterke evolutionistische kijk op
culturen, en religie in het bijzonder en introduceerde de term animisme, voor wat hij zag als
de eerste stap in de ontwikkeling van religies. Een animist gelooft in het bestaan van goede
en kwade geesten.
- Tylor beschreef een trend waarin de mens een ontwikkeling doormaakt van wild, naar
archaïsch, naar de complexe, beschaafde Europese mens. Primitieve samenlevingen konden
opklimmen op de evolutionistische ladder.
1.7 Het structureel functionalisme
Binnen de antropologie bestaat een aantal theoretische stromingen. In dit boek behandelen we het
structureel functionalisme, de conflictsociologie en het symbolisch interactionisme, omdat deze
stromingen de drie belangrijkste sociaalwerkstromingen sterk beïnvloed hebben: het normatieve
social casework, het politiserend werken en het positieve Eigen Kracht-werken.
Vanuit het evolutionisme ontstond het structureel functionalisme. Belangrijke grondleggers zijn
Bronislaw Malinowski (1922), Emile Durkheim (1912), Marcel Mauss (1924) en Herbert Gans (1974).
- Structureel functionalisten zien cultuur in de meest brede zin van het woord als elke vorm
van aangeleerd gedrag. Gedrag dat niet vast ligt in de genen, maar geleerd wordt door
nadoen of door onderwijs. Cultuur wordt daarmee als een product van menselijke afspraken,
waarden en gedragingen beschouwd.
- Alles wat mensen sociaal doen, heeft volgens structureel functionalisten een bedoeling en is
gericht op sociale cohesie, harmonie en consensus binnen de gemeenschap.
- Talent is een schaars, dus waardevol artikel. Dat vraagt offers van de samenleving: deze
mensen krijgen dus de posities met de hoogste status. >> sociale ongelijkheid wordt door
structureel- functionalisten dan ook gezien als een onvermijdelijk gegeven. Structureel
functionalisten vinden een zekere mate van ongelijkheid dan ook vanzelfsprekend.
- Het zijn de instituten van de samenleving die goed moeten functioneren. En individuen zijn
daar ondergeschikt aan.
- De samenleving kun je namelijk beschouwen als een organisch systeem, zoals het menselijk
lichaam. Net als vitale functies in een lichaam kan een organisme pas functioneren wanneer
alle organen en andere onderdelen op elkaar zijn afgestemd en zij hun functie goed vervullen
in het geheel.
- Zo bestaat een samenleving dan ook uit vele subsystemen, zoals de markt, de politiek, religie,
onderwijs, gezondheidszorg en recht, die belangrijke functies hebben voor het geheel.
- Structureel functionalisten zoals Emile Durkheim gaan ervan uit dat alleen een sociale
structuur positief bijdraagt aan de opvoeding, het onderwijs of de hulpverlening van mensen.
Individuen kunnen dat niet.
- Het gezin heeft een belangrijke maatschappelijke functie. Zo zorgt het voor productie en
reproductie van de arbeid als economische taak, regulering van de seksualiteit als biologische
taak en verschaft liefde en intimiteit als koesterende taak. Dit zijn allemaal voorbeelden van
manifeste functies.
4