KA: het ontstaan en de verspreiding van de islam.
Mohammed uit Mekka was een profeet → hij verspreidde goddelijke openbaringen
die hij ontving. De engel Gabriël gaf hem verzen van Allah (God) die later zijn
opgeschreven in de Koran (heilig boek). Hij heeft de islam gesticht (begin 600). Net
als het christendom is de boodschap van de islam voor de hele mensheid. Moslims
streefden naar uitbreiding van de godsdienst (jihad).
Mohammed was machtig. Hij kreeg in Medina de macht → de eerste islamitische
staat. Godsdienstige en politieke leiding bleef in één hand. Deze leider werd een
kalief genoemd. In de eerste jaren verspreidde de islamitische wereld snel. Rond
650 viel deze verspreiding stil door onderlinge oorlogen tussen de Omayyaden en de
sjiieten (volgelingen van Ali, de laatste vermoorde Kalief die familie was van
Mohammed). De oorlog ontstond doordat de Omayyaden, toen ze aan de macht
kwamen, een dynastie stichtten → de titel van kalief ging over van vader op zoon.
De sjiieten wilden dat de nakomelingen van Ali de macht kregen. De meerderheid
van de moslims (soennieten) steunde de Omayyaden. Onder de Omayyaden
verspreidde de islams in Afrika, Azië en Europa. In Europa werden ze
tegengehouden door christelijke Franken (732), wat een eind maakte aan de
expansie.
Moslims uit Spanje en Portugal (Moren) waren in de minderheid maar hadden de
macht en vormden de culturele en economische bovenlaag. De Turken trokken op
vanuit Azië en veroverden resten van het Oost-Romeinse rijk. In 1453 veroverden ze
Constantinopel en delen van Zuidoost-Europa. Tegelijkertijd werd de islam
teruggedrongen. In 1492 werd de reconquista voltooid → christelijke herovering van
Spanje en Portugal op de islam.
De Arabieren waren rond 630 nomaden. Zij konden wereldrijken veroveren door de
snelheid waarmee ze zich verplaatsten en hun taaiheid tijdens de strijd. Ook was er
geen verdeeldheid doordat ze allemaal verbonden waren aan de islam, ze streden
voor hetzelfde geloof. Als je overleed, ging je naar de hemel. Als je overwon, wachtte
je een buit. Voor joden en christenen waren moslims tolerant, ze mochten hun geloof
uitoefenen zolang ze Mohammed niet beledigden en (veel) belasting betaalden.
Gelovigen van andere godsdiensten moesten zich direct bekeren.
De islamitische wereld had een landbouwstedelijke samenleving met het Arabisch
taal. Later ontstonden er in het rijk kleine steden en staten, bestuurd door sultans en
emirs (vorsten). Arabieren gebruikten de Perzische en Grieks-Romeinse cultuur.
KA: de vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane
samenleving door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via
hofstelsel en horigheid.
Na de ondergang van het West-Romeinse rijk verdwenen veel steden, handelaren en
ambachtslieden. Plattelandsgemeenschappen leefden van de opbrengst van eigen
land (autarkisch). Er was geen geld meer → dus ruilhandel. Er was weinig contact
met de buitenwereld → slechte wegen en geen handel.
De productie daalde sterk → boeren mochten hun land niet meer verlaten. Een tijd
later bood de overheid geen bescherming meer. Boeren gingen daarom
verplichtingen aan voor heren, de heren gaven de boeren dan bescherming