,Centraal zenuwstelsel
Bestaat uit hersenen en ruggenmerg en coördineert centrale
informatieverwerking en motorische aansturing; beschadiging leidt tot
uitval van sensorische, motorische of cognitieve functies.
Perifeer zenuwstelsel
Verbindt centraal zenuwstelsel met lichaam via afferente en efferente
banen; schade verstoort communicatie tussen brein en periferie.
Somatisch zenuwstelsel
Regelt bewuste motoriek en ontvangt sensorische input uit de
buitenwereld; uitval veroorzaakt verlamming of gevoelsverlies.
Autonoom zenuwstelsel
Reguleert onbewuste lichaamsprocessen via vegetatieve controle;
disbalans ontregelt homeostase.
Sympathisch zenuwstelsel
Activeert fysiologische arousal bij inspanning via verhoogde hartslag en
energieafgifte; chronische activatie leidt tot stressgerelateerde
ontregeling.
Parasympathisch zenuwstelsel
Bevordert herstel en rust via remming van arousal; uitval belemmert
fysiologisch herstel.
Neuron
Gespecialiseerde zenuwcel die informatie ontvangt, integreert en via
elektrische en chemische signalen doorgeeft; uitval verstoort
netwerkcommunicatie.
Cellichaam
Bevat celkern en organellen en integreert synaptische input tot één
output; disfunctie belemmert eiwitsynthese en signaalintegratie.
Dendriet
Vertakte uitloper die synaptische signalen ontvangt en passief geleidt
naar het soma; beschadiging vermindert inputverwerking.
Axon
Enkele lange uitloper die actiepotentialen actief voortgeleidt naar
doelcellen; schade verhindert langeafstandcommunicatie.
2
,Synaps
Functionele spleet waar neurotransmitters postsynaptische receptoren
activeren; verstoring ontregelt transmissie.
Neurotransmitter
Chemische boodschapper die excitatoire of inhibitoire effecten
veroorzaakt via receptorbinding; disbalans leidt tot cognitieve stoornissen.
Rustpotentiaal
Stabiele negatieve membraanpotentiaal door ionengradiënten; verstoring
belemmert neuronale prikkelbaarheid.
Actiepotentiaal
Alles-of-niets elektrische impuls via spanningsafhankelijke Na+ en K+-
kanalen; falen verhindert signaalgeleiding.
Depolarisatie
Instroom van Na+ die membraanpotentiaal positiever maakt en activatie
initieert; uitblijven blokkeert impulsstart.
Repolarisatie
Herstel van negatieve membraanpotentiaal via K+-uitstroom; verstoring
verlengt transmissie.
Hyperpolarisatie
Tijdelijke toename van negatieve membraanpotentiaal die refractaire
periode creëert; afwezigheid vergroot kans op overactivatie.
Myeline
Vettige isolatielaag rond axonen die saltatoire geleiding versnelt;
beschadiging veroorzaakt vertraagde transmissie.
Nodes van Ranvier
Onderbrekingen in myeline waar actiepotentialen regenereren; disfunctie
vermindert geleidingssnelheid.
Grijze stof
Bestaat voornamelijk uit cellichamen en synapsen voor lokale
verwerking; verlies tast integratie aan.
Witte stof
Bestaat uit gemyeliniseerde axonen die hersengebieden verbinden;
schade verstoort netwerkintegratie.
3
, Glia
Ondersteunende cellen betrokken bij voeding, bescherming en
myelinisatie; disfunctie beïnvloedt neuronale stabiliteit.
Associatiebanen
Witte-stofbanen binnen één hemisfeer die corticale gebieden verbinden;
laesies verstoren intrahemisferische integratie.
Commissuren
Witte-stofverbindingen tussen hemisferen; onderbreking belemmert
interhemisferische communicatie.
Corpus callosum
Grootste commissuur die beide hemisferen verbindt; beschadiging
veroorzaakt split-brain verschijnselen.
Projectiebanen
Verbindingen tussen cortex en subcorticale structuren of ruggenmerg;
schade verstoort motorische of sensorische output.
Ventrikel
Met cerebrospinale vloeistof gevulde kamer die bescherming en
afvaltransport faciliteert; obstructie leidt tot hydrocefalus.
Laterale ventrikels
CSF-kamers in beide hemisferen; blokkade verhoogt intracraniële druk.
Derde ventrikel
CSF-kamer rond het diencefalon; obstructie verstoort vloeistofcirculatie.
Vierde ventrikel
CSF-kamer tussen hersenstam en cerebellum; blokkade beïnvloedt
drukregulatie.
Cerebrospinale vloeistof
Beschermt, voedt en verwijdert afvalstoffen uit het brein; verstoring
verhoogt druk en toxische belasting.
Cerebrale cortex
Gevouwen laag grijze stof verantwoordelijk voor hogere cognitieve
functies; laesies veroorzaken specifieke functiestoornissen.
Neocortex
Zeslagige evolutionair jonge cortex voor complexe cognitie; beschadiging
leidt tot hogere cognitieve uitval.
4