persoonlijkheid
Cursus: Criminaliteit, cognitie en persoonlijkheid 2020/2021
Opleiding: Bachelor Psychologie Tilburg University
Hoorcollege 1: Introductie
Geweld
Er is eigenlijk heel veel heterogeniteit in criminelen: er is een continuüm die loopt van
naief tot zeer professioneel. De misdaden kunnen hierdoor heel triviaal zijn (een
blikje cola stelen) tot heel ernstig (geweldsdelicten). Geweldsdelicten zijn delicten
waarbij de slachtoffers verwond worden, fysiek of psychologisch of een combinatie.
Dit zorgt voor een verspreiding van angst in de gemeenschappen. Ook hier is er veel
heterogeniteit, er kan heel weinig geweld aan te pas komen tot geweld dat met
voorbedachte rade is gepland. Er is één bepaalde groep die (gewelddadige)
misdrijven pleegt, namelijk mensen met psychische stoornissen (met name
persoonlijkheidsstoornissen).
Persoonlijkheidsstoornissen (PSn) en geweld
Interpersoonlijk geweld is een groot maatschappelijk probleem. Het brengt schade
toe aan individuen, families en gemeenschappen. Stel er wordt ergens een meisje
verkracht en vermoord, dan is dat niet alleen verschrikkelijk voor het meisjes, maar
ook voor haar familie en de hele gemeenschap. Er zijn meerdere factoren die geweld
kunnen verklaren volgens de WHO (zie afbeelding). Maar in deze cursus wordt
gefocust op het individu.
Geweld zijn gedragingen die bedoeld zijn om schade toe te brengen aan een levend
wezen dat gemotiveerd is om schade te voorkomen. Hier vallen geen onopzettelijke
handelingen onder, zoals een auto-ongeluk. Als het consensueel is, zoals bij SM of
een bokswedstrijd, valt het niet onder geweld. Als laatste vallen handelingen die
uiteindelijk voordelig zijn ook niet onder geweld, zoals een tandartsbezoek of een
operatie. Het verschil tussen geweld en agressie is dat bij geweld lichamelijke letsel
krachtig wordt toegebracht en dat bij agressie er minder fysieke schade is (maar
eerder psychologisch schade, zoals bedreigingen en negeren). Agressie kan net zo
schadelijk zijn als geweld of zelfs meer. Geweld is dus eigenlijk zowel agressie als
fysiek geweld samen.
Er zijn individuele verschillen in de aanleg tot geweld die gerelateerd zijn aan geweld:
- Er zijn in het algemeen veel individuele verschillen tussen personen
(persoonlijkheidskenmerken)
- Iedereen heeft andere persoonlijkheidsprocessen (morele ontkoppeling: je slechte
,gedrag goedpraten, hostile attribution
bias: anderen als vijandig zien,
emotionele dysregulatie)
- En er zijn verscheidene
persoonlijkheidsstoornissen:
dimensioneel perspectief houdt in dat
iedereen in een bepaalde mate een
stoornis kan hebben (continuüm), en
dus niet gelijk een stoornis hoeft te
hebben, maar een
persoonlijkheidsprobleem is dan ook mogelijk.
We hebben verschillende diagnostische classificatiesystemen voor PSn, zoals de
DSM-5 (karakter) en de ICD-10 (een conditie). In de DSM-5 worden PSn beschreven
als een langdurig patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen die afwijken van
iemands cultuur. PSn zijn pervasief, inflexibel, en beginnen in de vroege
adolescentie/volwassenheid. Ze zijn stabiel over de tijd heen, en leiden tot distress of
problemen.
De persoonlijkheidsstoornissen in de DSM-4 en ICD-10:
In 2013 kwam de DSM-5 uit die de DSM-4 verbeterde. De DSM-4 bestond uit een
multi-axiaal systeem:
- As I: Klinische stoornissen
,- As II: 10 Persoonlijkheidsstoornissen
Kenmerken persoonlijkheidsstoornis:
– ernstige, aanhoudende en starre patronen
– van gedrag en innerlijke beleving
– die starten in de adolescentie of vroege volwassenheid
– die ernstig afwijken van culturele verwachtingen
– en uitmonden in blijvende stress en beperkingen
– in interpersoonlijke relaties en in het professioneel leven
– en door de patiënt als egosyntoon ervaren worden, het past bij mij/het hoort bij mij
Zoals op de afbeelding te zien is, bestaan de PSn in DSM-4 uit drie clusters. De
DSM-5 bestaat uit alles wat er in de DSM-4 staat (categoriaal perspectief, ook wel
bekend als sectie II) en heeft daar een dimensioneel perspectief aan toegevoegd
(sectie III). Het multi-axiaal systeem is verdwenen in sectie III, omdat het lastig was
om een goed onderscheid te maken tussen klinische en persoonlijkheidsstoornissen
(bipolair en borderline bv). Persoonlijkheidsstoornissen worden in deze versie gezien
als een extreme variant van de algemene persoonlijkheidstrekken. Er is nu dus een
kwantitatief verschil tussen normaal en disfunctioneren (een continuüm dat loopt van:
maladaptief laag – normaal laag – neutraal – normaal hoog – maladaptief hoog).
Algemene criteria dimensionele diagnostiek PS (Sectie III):
A. Matige of ernstige beperkingen in persoonlijkheidsfunctioneren: zelf &
interpersoonlijk
B. Eén of meerdere pathologische persoonlijkheidstrekken
C. Relatief inflexibel en pervasief, en tot uiting komend in een brede range van
persoonlijke en sociale situaties
D. Relatief stabiel over de tijd, startend in de adolescentie of vroege volwassenheid
E. A&B worden niet beter verklaard door een andere mentale stoornis
F. A&B worden niet toegeschreven aan fysiologische effecten van middelenmisbruik
of andere medische condities
G. A&B worden niet beter begrepen als normaal passend binnen iemands
ontwikkelingsfase of socioculturele omgeving
Criterium A
kun je meten
met de Level
of Personality
Functioning
Scale en
Criterium B
kun je meten met de Personality Inventory for DSM 5, waarin 12 maladaptieve
persoonlijkheidstrekken verdeeld in 5 domeinen zijn opgenomen. Deze trekken
bestaan uit de negatieve varianten van de Big Five:
Neuroticisme
Door combinaties te maken van deze trekken, zijn er i.p.v. 10, maar 6 PSn
opgenomen in de DSM-5:
, - Antisociaal
- Vermijdend
- Borderline
- Narcistisch
- Obsessief-compulsief
- Schizotypisch
In de DSM-4 (sectie II van DSM-5) zijn psychopathie en de antisociale PS gelijk aan
elkaar en wordt psychopathie gediagnosticeerd a.d.h.v. de criteria van de antisociale
PS. Maar ASP psychopathie verschillen wel degelijk van elkaar waardoor in sectie III
van de DSM-5 ASP en psychopathie niet meer gelijk zijn aan elkaar. In die sectie is
er een psychopathie specifier opgenomen waardoor er psychopathie kan worden
gediagnosticeerd bovenop een diagnose van ASP. Antisociale
persoonlijkheidsstoornis is dus een soort voorwaarde geworden voor het hebben van
psychopathie.
De prevalentie van PSn is zo’n 4.4 procent. De meesten mensen met PS zijn niet
gewelddadig, zelfs bij antisociale is zo’n 50 procent niet gewelddadig. Maar als
mensen lijden aan een PSn van cluster B dan is er een stijging in het criminele risico
vergeleken met de andere clusters:
- 10 keer meer kans op strafrechtelijke veroordeling
- 8 keer meer kans op effectieve gevangenisstraf
PS-delinquenten hebben ook meer kans op recidive na ontslag uit het ziekenhuis
(vergeleken met andere geesteszieke delinquenten). Ook hebben ze 7 keer meer
kans op het plegen van een ernstig recidive en meer kans om opnieuw veroordeeld
te worden voor een ernstige overtreding (maar de meerderheid is helemaal niet
opnieuw veroordeeld!). Er zijn vier fundamentele persoonlijkheidsdimensies die als
klinische risicofactoren van geweld gezien worden:
- impulscontrole
- emotie (dys)regulatie
- narcisme
- paranoïde cognitieve persoonlijkheidsstijl
Deze risicofactoren kunnen het onderscheid maken tussen het wel of niet plegen van
geweld. Hierdoor is het van belang dat deze specifieke persoonlijkheidsrisico’s
worden geïdentificeerd om het stigma te elimineren dat alle PSn leiden tot geweld.
De antisociale persoonlijkheidsstoornis is de PS waarbij het verband met geweld het
sterkst is. Dit komt omdat agressief gedrag (geweld) in de criteria van de PS zijn
opgenomen. Als geweld deel uitmaakt van de definitie, dan is de incidentie van
geweld bij mensen met APS hoger dan bij mensen met een diagnose waarin geen
geweld is opgenomen. Hetzelfde probleem komt dan ook voor bij psychopathie.
Deze stoornis is ook een goede voorspeller van toekomstig geweld bij veroordeelde
daders.
Impulsiviteit bij kinderen is een basis persoonlijkheidskenmerk dat het risico op
antisociaal gedrag en agressie verhoogd, maar remming/inhibitie bij kinderen
verlaagd juist het risico. Hierbij moet wel in het achterhoofd gehouden worden dat
persoonlijkheidskenmerken noch noodzakelijk noch voldoende zijn om geweld te
verklaren. Over de gehele levensduur zijn er continue wederzijdse persoon en