HC2A ERGONOMIE, BEHANDELUNIT, THK-INSTRUMENTARIUM
Ergonomie
▪ Rechtshandig: hoekstuk en meerfunctiespuit rechts
▪ Licht: evenwijdig met je kijkrichting
▪ Gemodificeerde pengreep:
o 3-puntscontact (wijsvinger tegenover duim)
o gebogen vingerkootjes; vingers niet overstrekken!
Reinigingsinstrumentarium
▪ Plaque retentieplaats: een plek in de mond waar plaque zich gemakkelijk kan ophopen
▪ Gebitsreinigingsinstrumenten
o Handinstrumentarium:
• Scalers
- supragingivaal tandsteen
- tandsteen in sulcus
- tandsteen in ondiepe pockets
• Curettes
- subgingivaal tandsteen
- reiniging in diepere pockets
- verschillen curettes voor
verschillende elementen en
verschillende locaties
o Mechanisch reinigen:
• Ultrasoon
- minder kracht zetten (ergonomisch gunstiger)
- niet sneller dan handinstrumenten
- altijd nalopen met handinstrumenten of het glad is
Boortjes
▪ Hoekstukken
o Blauw hoekstuk 1:1 40.000 tpm
o Rood hoekstuk 5:1 200.000 tpm
o Dubbelgroen hoekstuk 7,4:1 vertragen
▪ Kopjes
o Blauw kopje 1:1
o Groen kopje 2:1
o Polijst kopje 2:1
▪ COP Composiet Prepareren
o Schacht:
• FG = Friction Grip
- in rood hoekstuk
• RA = Right Angle
- in blauw of groen kopje/hoekstuk
o Kop:
DIAMANT FG 001-012 900802
• Diamantboren
- glazuur is het hardste lichaamsmateriaal;
diamant is het hardste boormateriaal
• Hardstalen boren HARDSTAAL RA 001-018 900985
,Slijpeffect
▪ Het slijpeffect van een roterend instrument is afhankelijk van:
o het materiaal (diamant/hardmetaal)
o de diameter
o grootte diamantpartikels/aantal hardstalen bladen
• grote diamantpartikels (1) & minder schepbladen (3)
→ meer slijpeffect
• kleine diamantpartikels (2) & meer schepbladen (4)
→ minder slijpeffect
→ boor 2 en 4 in de afbeelding zijn fineerboortjes
o de scherpte van het boortje
o het toerental
o de waterkoeling
o de druk
o de tijd
HC2B DETERMINATIE EN TERMINOLOGIE
Haderup
Palmer
FDI (Federation Dentaire International)
▪ In Nederland gebruikt
▪ Kwadranten 1-4
o Voor melkgebit kwadranten 5-8
▪ Volgnummer vanaf mediaanlijn
Letteraanduiding
▪ Groepskenmerken:
o I = incisief
o C = cuspidaat
o P = premolaar
o M = molaar
▪ Setkenmerken: kleine letters voor melkgebit
▪ Typekenmerk: 1/2/3 vanaf mediaanlijn
▪ Tandboogkenmerk: superior/inferior
▪ Rechts/links: dexter/sinister
Universal numbering system
▪ Amerikaans
▪ Tellen vanaf verstandskies rechtsboven naar
verstandskies rechtsonder
, Vlakaanduiding
▪ linguaal: aan de lipzijde
▪ buccaal: aan de wangzijde
▪ vestibulair → buccaal
▪ bovenkaak
o palatinaal = linguaal
▪ onderkaak
o linguaal ≠ palatinaal
▪ cervicaal: aan de tandhals
▪ approximaal: daar waar vlakken samenkomen → mesiaal/distaal
▪ occlusaal: kauwvlak
verwisselbaar in het front
▪ Incisaal: snijvlak
Overige aanduidingen
▪ aangehechte gingiva
▪ vrije gingiva
▪ gekeratiniseerde gingiva: aangehechte + vrije gingiva;
beschermt tegen bacteriën
▪ gingival groove: de grens tussen aangehechte en vrije gingiva
▪ muco-gingivale grens: de grens tussen mucosa en gingiva
▪ craniaal
▪ coronair
▪ dorsaal
▪ caudaal
▪ transversaal
▪ frontaal
▪ sagittaal
Classificatie volgens Black
▪ Predilectieplaatsen: vatbaarder voor cariës
▪ Klasse I: occlusaal, fissuren
▪ Klasse II: approximaal zijdelingse delen
▪ Klasse III: approximaal front
▪ Klasse V: cervicaal buccaal en linguaal
Morfologie
▪ Setkenmerken: melk – blijvend
o Melkdentitie
• 8 incisieven
• 4 cuspidaten
• 8 molaren
• aanleg: 0,5-2,5 jaar
• tot ± 12 jaar
o Blijvende dentitie
• 8 incisieven
• 4 cuspidaten
• 8 premolaren
• 12 molaren
• aanleg: 1-6 jaar
• levenslang