Oefentoets Circulatie (Deel 2) (30 vragen)
Deel 1: Hemodynamiek & Microcirculatie
1. Wat is het fysiologische verschil tussen bloedplasma en bloedserum?
A. Plasma bevat geen eiwitten, serum wel.
B. Serum is plasma waaruit de stollingsfactoren zijn verwijderd.
C. Plasma is interstitieel vocht met toegevoegde erytrocyten.
D. Serum bevat alleen witte bloedcellen en geen albumine.
2. Welke bewering over de hydrostatische druk (Pc) in de capillairen is
juist?
A. Deze druk is aan het begin van het capillair gelijk aan de osmotische druk.
B. Deze druk zorgt voor de reabsorptie van vocht in de venulen.
C. Aan het begin van de capillairen is deze druk groter dan de colloïd-
osmotische druk, wat leidt tot filtratie.
D. De hydrostatische druk stijgt naarmate het bloed verder in het capillair
stroomt.
3. Via welke specifieke structuren vindt het watertransport over de
capillaire wand voornamelijk plaats?
A. Natrium-kaliumpompen
B. Aquaporines
C. Desmosomen
D. Myofibrillen
4. Welk type capillair tref je aan in de lever (sinusoïden) voor een
gemakkelijke uitwisseling van stoffen?
A. Gesloten of continue capillairen
B. Gefenestreerde capillairen
C. Discontinue capillairen
D. Lymfecapillairen
5. Gefenestreerde capillairen zijn essentieel voor de absorptie van
nutriënten. Waar komen deze vooral voor?
A. De bloed-hersenbarrière
B. De dunne darm en speekselklieren
C. De skeletspieren
D. De lederhuid
6. Wat wordt verstaan onder de "myogene regulatie" van de
microcirculatie?
A. Activatie van de parasympaticus bij een bloeddrukstijging.
B. Intrinsieke vasoconstrictie van gladde spiercellen als reactie op uitrekking
door bloeddrukstijging.
C. De afgifte van stikstofmonoxide (NO) door het endotheel.
D. Het sluiten van de precapillaire sfincters door pH-veranderingen.
, 7. Welke moleculen hebben de grootste permeabiliteit door de capillaire
wand?
A. Grote, hydrofiele eiwitten zoals albumine.
B. Kleine, lipofiele en ongeladen moleculen.
C. Geladen ionen zoals Na+ en K+.
D. Macromoleculen die via transcytose gaan.
8. Hoe reageren "speciale vaatbedden" met autoregulatie op een
stijging van de arteriële druk?
A. De weerstand neemt toe om de bloedstroom constant te houden.
B. De vaten dilateren maximaal om de flow te verhogen.
C. De bloedstroom neemt lineair toe met de druk.
D. Er treedt onmiddellijk oedeemvorming op door lekkage.
Deel 2: Lymfesysteem & Oedeem
9. Hoe wordt de lymfestroom primair op gang gehouden in het lichaam?
A. Door de pompkracht van het linkerventrikel.
B. Door contracties van naburige spieren en de aanwezigheid van
eenrichtingskleppen.
C. Door de colloïd-osmotische druk in de lymfeknopen.
D. Door actieve uitscheiding vanuit de vena subclavia.
10. Wat gebeurt er tijdens de "uitzettingsfase" van initiële lymfevaten
(plaatje A in bron)?
A. Secundaire kleppen openen en vloeistof verlaat het vat.
B. De microkleppen openen door een drukgradiënt, waardoor vloeistof het
lumen binnendringt.
C. Externe druk sluit de interendotheliale verbindingen.
D. Lymfe stroomt terug naar het interstitium.
11. Waarom kan eiwitverlies (bijv. bij brandwonden) leiden tot
gegeneraliseerd oedeem?
A. De hydrostatische druk in de venen daalt.
B. De colloïd-osmotische druk van het bloed daalt, wat leidt tot meer filtratie
en minder absorptie.
C. De lymfevaten raken verstopt door stollingseiwitten.
D. De arteriolen gaan in reflexmatige vasoconstrictie.
12. Wat is de oorzaak van oedeem bij het "post-trombotisch syndroom"?
A. Verlaagde osmotische waarde van het bloed.
B. Obstructie van de lymfevaten door een tumor.
C. Verhoogde hydrostatische druk door beschadigde veneuze kleppen.
D. Tekort aan vitamine K voor de stolling.
Deel 3: Farmacologie & Farmacokinetiek
13. Welke formule wordt gebruikt om het verdelingsvolume (Vd) van
een geneesmiddel te berekenen?
A. Vd = Cp/A_b
Deel 1: Hemodynamiek & Microcirculatie
1. Wat is het fysiologische verschil tussen bloedplasma en bloedserum?
A. Plasma bevat geen eiwitten, serum wel.
B. Serum is plasma waaruit de stollingsfactoren zijn verwijderd.
C. Plasma is interstitieel vocht met toegevoegde erytrocyten.
D. Serum bevat alleen witte bloedcellen en geen albumine.
2. Welke bewering over de hydrostatische druk (Pc) in de capillairen is
juist?
A. Deze druk is aan het begin van het capillair gelijk aan de osmotische druk.
B. Deze druk zorgt voor de reabsorptie van vocht in de venulen.
C. Aan het begin van de capillairen is deze druk groter dan de colloïd-
osmotische druk, wat leidt tot filtratie.
D. De hydrostatische druk stijgt naarmate het bloed verder in het capillair
stroomt.
3. Via welke specifieke structuren vindt het watertransport over de
capillaire wand voornamelijk plaats?
A. Natrium-kaliumpompen
B. Aquaporines
C. Desmosomen
D. Myofibrillen
4. Welk type capillair tref je aan in de lever (sinusoïden) voor een
gemakkelijke uitwisseling van stoffen?
A. Gesloten of continue capillairen
B. Gefenestreerde capillairen
C. Discontinue capillairen
D. Lymfecapillairen
5. Gefenestreerde capillairen zijn essentieel voor de absorptie van
nutriënten. Waar komen deze vooral voor?
A. De bloed-hersenbarrière
B. De dunne darm en speekselklieren
C. De skeletspieren
D. De lederhuid
6. Wat wordt verstaan onder de "myogene regulatie" van de
microcirculatie?
A. Activatie van de parasympaticus bij een bloeddrukstijging.
B. Intrinsieke vasoconstrictie van gladde spiercellen als reactie op uitrekking
door bloeddrukstijging.
C. De afgifte van stikstofmonoxide (NO) door het endotheel.
D. Het sluiten van de precapillaire sfincters door pH-veranderingen.
, 7. Welke moleculen hebben de grootste permeabiliteit door de capillaire
wand?
A. Grote, hydrofiele eiwitten zoals albumine.
B. Kleine, lipofiele en ongeladen moleculen.
C. Geladen ionen zoals Na+ en K+.
D. Macromoleculen die via transcytose gaan.
8. Hoe reageren "speciale vaatbedden" met autoregulatie op een
stijging van de arteriële druk?
A. De weerstand neemt toe om de bloedstroom constant te houden.
B. De vaten dilateren maximaal om de flow te verhogen.
C. De bloedstroom neemt lineair toe met de druk.
D. Er treedt onmiddellijk oedeemvorming op door lekkage.
Deel 2: Lymfesysteem & Oedeem
9. Hoe wordt de lymfestroom primair op gang gehouden in het lichaam?
A. Door de pompkracht van het linkerventrikel.
B. Door contracties van naburige spieren en de aanwezigheid van
eenrichtingskleppen.
C. Door de colloïd-osmotische druk in de lymfeknopen.
D. Door actieve uitscheiding vanuit de vena subclavia.
10. Wat gebeurt er tijdens de "uitzettingsfase" van initiële lymfevaten
(plaatje A in bron)?
A. Secundaire kleppen openen en vloeistof verlaat het vat.
B. De microkleppen openen door een drukgradiënt, waardoor vloeistof het
lumen binnendringt.
C. Externe druk sluit de interendotheliale verbindingen.
D. Lymfe stroomt terug naar het interstitium.
11. Waarom kan eiwitverlies (bijv. bij brandwonden) leiden tot
gegeneraliseerd oedeem?
A. De hydrostatische druk in de venen daalt.
B. De colloïd-osmotische druk van het bloed daalt, wat leidt tot meer filtratie
en minder absorptie.
C. De lymfevaten raken verstopt door stollingseiwitten.
D. De arteriolen gaan in reflexmatige vasoconstrictie.
12. Wat is de oorzaak van oedeem bij het "post-trombotisch syndroom"?
A. Verlaagde osmotische waarde van het bloed.
B. Obstructie van de lymfevaten door een tumor.
C. Verhoogde hydrostatische druk door beschadigde veneuze kleppen.
D. Tekort aan vitamine K voor de stolling.
Deel 3: Farmacologie & Farmacokinetiek
13. Welke formule wordt gebruikt om het verdelingsvolume (Vd) van
een geneesmiddel te berekenen?
A. Vd = Cp/A_b