1 INTRODUCTIE, 2 VISIE OP AFWIJKEND GEDRAG EN
BEHANDELMETHODEN
Psychopathologie: Deelgebied van de psychiatrie en de psychologie dat zich bezighoudt met het
beschrijven van psychische stoornissen, oorzaken daarvan en behandeling daarvoor.
Psychiatrie: Medisch specialisme dat zich richt op de diagnostiek en behandeling van psychische
stoornissen.
Klinische psychologie: Tak van psychologie die zich bezighoudt met de beschrijving, de
oorzaken en de behandeling van psychische stoornissen om het geestelijk welzijn te bevorderen.
Psycholoog: Iemand die de universitaire studie psychologie heeft voltooid.
GZ-psycholoog: psycholoog die na zijn studie aanvullende opleiding heeft gevolgd. Een gz-
psycholoog is bevoegd tot het diagnosticeren en behandelen van psychische stoornissen. GZ is
een afkorting van gezindheidszorg.
Psychotherapeut: Iemand die na de studie psychologie of geneeskunde een vervolgopleiding
heeft gedaan, waardoor hij bevoegd is tot he geven van psychotherapeutische behandelingen. Hij
moet overigens in het BIG-register (beroepen in de individuele gezondheidszorg) staan
ingeschreven.
Psychiater: Iemand die na de studie geneeskunde een vervolgopleiding heeft gedaan waarin hij
of zij zich heeft gespecialiseerd in het diagnosticeren en behandelen van patiënten met
psychische stoornissen. Een psychiater mag, in tegenstelling tot een psycholoog, medicatie
voorschrijven.
Psychische stoornis: Het geheel van afwijkende emoties, gedachten of gedragspatronen dat
wordt gekenmerkt door onder andere storingen in het functioneren, en (persoonlijk) lijden.
Symptoom: Specifieke kenmerken of eigenschappen die passen bij een bepaalde psychische
stoornis.
Belangrijkste aspecten van het beschrijven van afwijkende emoties, gedachten en gedragingen
geïntroduceerd: wat ‘normaal’ en wat ‘abnormaal’, ‘afwijkend’ of ‘gestoord’ mag heten hangt voor
een groot deel af van de tijd, de plaats en de persoon, ofwel van de sociaal-culturele omgeving.
- Uitzonderlijk; gedrag krijgt vaak het etiket ‘afwijkend’ of ‘abnormaal’. Slechts weinig
mensen beweren dat ze dingen zien of horen die er in werkelijkheid niet zijn, dit wordt als
afwijkend beschouwd. Gevoelens hebben van intense paniek bij het betreden van een
supermarkt of een drukke lift, geldt als afwijkend. Let wel: op zichzelf is uitzonderlijk gedrag
niet afwijkend of abnormaal.
- Sociaal afwijkend; alle samenlevingen hebben normen (maatstaven) die bepalen welke
vormen van gedrag acceptabel zijn in een bepaalde context. Normen ontwikkelen zich,
kortom, uit de gewoonten en opvattingen van een bepaald groep mensen. Het zijn dus
relatieve maatstaven en geen universele waarden.
- Foute perceptie of interpretatie van de realiteit; normaal gesproken vormen onze zintuigen
en cognitieve processen een accurate mentale representatie van onze omgeving. Als
iemand dingen ziet of stemmen hoort die er in werkelijkheid niet zijn, zeggen we dat hij
hallucineert. Dat wordt in onze cultuur opgevat als teken van een onderliggende
psychische stoornis.
- Aanzienlijk emotioneel lijden van de persoon; als gevolg van problematische emoties zoals
angst en depressie, kan afwijkend zijn. Soms zijn angst en depressie echter normale reactie
op een situatie., bijvoorbeeld wanneer je werkelijk wordt bedreigd of als je mensen of
dingen kwijtraakt die je dierbaar zijn. In dat geval zou d afwezigheid van een emotionele
reactie juist abnormaal of afwijkend zijn.
- Ongepast of contraproductief gedrag; dat geen bevrediging maar onprettige gevoelens
oproept, vinden we over het algemeen afwijkend. Gedrag dat ons beperkt in ons vermogen
, om bepaalde rollen te vervullen, of ons ervan weerhoudt om ons aan onze omgeving aan te
passen kan ook als afwijkend worden opgevat.
- Gevaar; gedrag wat gevaar oplevert voor de betrokkene zelf of voor anderen, noemen we
gewoonlijk afwijkend. Ook hier is de sociale context van groot belang. In oorlogstijd
noemen we mensen die zichzelf opofferen; moedig. Maar mensen die zichzelf willen doden
omdat ze de druk van het dagelijks leven niet aankunnen, beschouwen we gewoonlijk als
afwijkend.
Realiseer je vooral dat als iemand in een bepaald opzicht afwijkend is, dat niet hoeft te
betekenen dat de persoon in zijn geheel afwijkend is. Anders gesteld; een normaal
persoon kan bijzonder gek doen en een persoon die we gek noemen kan heel normaal
doen.
Concepten van gezondheid en ziekte kunnen in verschillende culturen een andere
inhoud en betekenis hebben. Zelfs de woorden waarmee we psychische stoornissen
beschrijven (bijv. depressie). hebben in verschillende culturen een andere betekenis,
of er bestaan geen equivalent voor.
Humores; Term van Hippocrates voor de essentiële lichaamssappen. (Slijm/ flegmatiek, traag)
(zwart gal/ melancholie, depressie). (bloed/ Sanguinische dispositie, vrolijk & zelfverzekerd). (Gele
gal/ cholerisch, korzelig).
Evindence-based medicine (EBM): Het streven om gebruik te maken van het beste
beschikbare bewijs bij eht maken van een keuze voor de behandeling van een patiënt
In het begin van de 21ste eeuw wordt dan ook in verpleegkunde, in het maatschappelijk werk en in
de psychotherapie evidence-based gewerkt. Binnen de ze vakgebieden spreken mensen over
evidence-based practice (EBP) in plaats van EBM, vanwege de praktischere aard van de
opleidingen en beroepen.
De verzameling trekken die is vastgelegd in onze genetische code wordt ons genotype
genoemd. Ons fenotype is een weerslag van de interactie tussen genetische factoren en
omgevingsinvloeden.
Hersenen
Medula; Gebied in de achterhersenen dat de hartslag en ademhaling reguleert
Pons: Gebied in de achterhersenen dat en rol speelt bij de ademhaling
Cerebellum: Gebied in de achterhersenen dat te maken heeft met coördinatie en balans
Reticulaire activeringssysteem: Gebied in de hersenen dat te maken heeft met aandacht, slaap
en arousal.
Thalamus: Gebied in de voorhersenen dat sensorische informatie doorgeeft aan de cortex en
een rol speelt in processen rond slaap en aandacht.
Hypothalamus: Gebied in de voorhersenen dat betrokken is bij het reguleren van
lichaamstemperatuur, emoties en motivatie.
Limbisch systeem: Aantal gebieden in de voorhersenen die betrokken zijn bij leren, herinnering en
basale driften.
Basale ganglia: Cluster van neuronen tussen de thalamus en cerebrum, dat betrokken is bij de
coördinatie van motorische (bewegings-) processen.
Cerebrum: De grote massa in de voorhersenen die wordt gevormd door de twee hersenhelften.
,Hersenschors (cerebrale cortex): Het geplooide oppervlakte van het cerebrum,
verantwoordelijk voor de verwerking van sensorische stimuli en de aansturing van hogere
mentale functies als denken en taalgebruik.
Zenuwstelsel
Neuron; Zenuwcel
Dendriet: Wortelachtige uitloper van en neuron die zenuwimpulsen ontvangt van andere
neuronen.
Axon; Het lange, dunne gedeelte van een neuron waarlangs de zenuwimpulsen zich voortplanten.
Eindknopjes;Kleine verdikking aan het einde van een axon.
Neurotransmitter; Chemische stof die neurale boodschappen van het ene neuron naar het
andere vervoert.
Synaps; Spleetje tussen een eindknopje van het ene neuron en de dendriet of het soma
(cellichaam) van een ander neuron waarlangs de neurale impulsen worden doorgegeven.
Receptorplaats; Deel van de dendriet van het ontvangende neuron dat gevoel is voor bepaalde
neurotransmitters.
Neurontransmit Functie Verband met afwijkend gedrag
ter
Acetylcholine Controleert spiercontracties en Alzheimerpatiënten hebben vaak een
de vorming van herinneringen lagere waarde.
Dopamine Reguleert spiercontracties en Wellicht speelt een overvloed aan
mentale processen die te maken dopamine in de hersenen een rol bij het
hebben met leren, herinneringen ontstaan van schizofrenie
en emoties.
Norepinefrine Reguleert mentale processen die Verband tussen onbals in
te maken hebben met leren en norepinefrinegehalte en
herinneren stemmingsstoornissen als depressie
Serotonine Reguleert stemmingen, Wellicht verband tussen
verzadiging en slaap onregelmatigheden in serotinegehalte en
depressie en eetstoornissen.
Ruggenmerg
Het centrale
zenuwstelsel
Hersenen
het Het
zenuwstelsel sympathisch
e
Het
zenuwstelsel
autonome
Het
zenuwstelsel
Het perifere parasypatisc
zenuwstelsel he
Het
zenuwstelsel
somatische
zenuwstelsel
Centrale zenuwstelsel; de hersenen en het ruggenmerg
Perifere zenuwstelsel: Het somatische en het autonome zenuwstelsel
, Somatische zenuwstelsel: Deel van het perifere zenuwstelsel dat verantwoordelijk is
voor het transport van informatie van de zintuigen naar de hersenen, en van de hersenen
naar de skeletspieren.
Autonome zenuwstelsel: Deel van het perifere zenuwstelsel dat de klieren en de
onbewuste lichaamsprocessen aanstuurt. Betrokken bij emotionele reacties hartslag,
ademhaling, spijsvertering en verwijding van de pupillen zelfs als we slapen.
Sympathische zenuwstelsel; Deel van het autonome zenuwstelsels dat een
verhoogd arousal teweeg kan brengen Vooral betrokken bij processen die de
hulpbronnen van het lichaam mobiliseren in tijden van fysieke uitputting
en stress.
Parasympatische zenuwstelsel: Deel van het autonome zenuwstelsel dat
arousal kan verlagen en ervoor zorgt dat de energiereserves weer worden
aangevuld. Als we ontspannen zorgt het parasympatische systeem hier voor.
Deze beide delen van het autonome zenuwstelsel brengen voornamelijk
tegengestelde effecten teweeg.
Psychoanalytische modellen
Psychoanalytische theorie: Freuds theoretische model van onze persoonlijkheid, ook wel
psychoanalyse.
Bewuste: Volgens Freud het deel van de geest dat overeenkomt met wat op dit moment onder
onze aandacht is.
Voorbewuste: Volgens Freud het deel van de geest waarvan de inhoud buiten het huidige
bewustzijn ligt, maar waarvan we ons bewust kunnen worden als we onze aandacht erop richten.
Onbewuste: Volgens Freud het deel van de geest dat buiten het bereik van het normale
bewustzijn ligt en dat onze instinctieve drijfveren bevat.
ID; Volgens Freud de onbewuste psychische structuur die onze primitieve instincten bevat en
die wordt aangestuurd door het lustprincipe. Is vanaf de geboorte aanwezig.
Lustprincipe: Volgens Freud het principe dat het ID aanstuurt en dat directe
behoeftebevrediging wenst.
Ego: Volgens Freud de psychische structuur die overeenkomt met het concept van het zelf.
Werkt volgens het realiteitsprincipe en is in staat om frustratie te tolereren. Dit onderdeel van de
psychische structuur ontwikkelt zich tijdens het eerst levensjaar.
Realiteitsprincipe: Volgens Freud het principe dat het ego aanstuurt, maar ook rekening houdt
met sociale acceptatie en praktische overwegingen.
Superego: Volgens Freud de psychische structuur die de normen van ouders en belangrijke
anderen internaliseert, en die functioneert als moreel geweten. Zo rond de leeftijd van vier
ontwikkelt dit derde onderdeel van de psychische structuur zich.
Afweermechanisme: Volgen Freud strategieën om de realiteit te vervormen, door het ego
gebruikt om het zelf t beschermen tegen het bewustzijn van angstaanjagende zaken. Enkele
afweermechanisme van het ego volgens Freud: Verdringing, Regressie, Rationalisatie,
verplaatsing, Projectie, Reactieformatie, Ontkenning, Sublimatie.
Vijf Psychoseksuele stadia van ontwikkeling: Orale, (1ste jaar), Anale (2de jaar), Fallische (3de
levensjaar), Latente stadium (6 tot 12 jaar) genitale (begin pubertijd).
BEHANDELMETHODEN
Psychopathologie: Deelgebied van de psychiatrie en de psychologie dat zich bezighoudt met het
beschrijven van psychische stoornissen, oorzaken daarvan en behandeling daarvoor.
Psychiatrie: Medisch specialisme dat zich richt op de diagnostiek en behandeling van psychische
stoornissen.
Klinische psychologie: Tak van psychologie die zich bezighoudt met de beschrijving, de
oorzaken en de behandeling van psychische stoornissen om het geestelijk welzijn te bevorderen.
Psycholoog: Iemand die de universitaire studie psychologie heeft voltooid.
GZ-psycholoog: psycholoog die na zijn studie aanvullende opleiding heeft gevolgd. Een gz-
psycholoog is bevoegd tot het diagnosticeren en behandelen van psychische stoornissen. GZ is
een afkorting van gezindheidszorg.
Psychotherapeut: Iemand die na de studie psychologie of geneeskunde een vervolgopleiding
heeft gedaan, waardoor hij bevoegd is tot he geven van psychotherapeutische behandelingen. Hij
moet overigens in het BIG-register (beroepen in de individuele gezondheidszorg) staan
ingeschreven.
Psychiater: Iemand die na de studie geneeskunde een vervolgopleiding heeft gedaan waarin hij
of zij zich heeft gespecialiseerd in het diagnosticeren en behandelen van patiënten met
psychische stoornissen. Een psychiater mag, in tegenstelling tot een psycholoog, medicatie
voorschrijven.
Psychische stoornis: Het geheel van afwijkende emoties, gedachten of gedragspatronen dat
wordt gekenmerkt door onder andere storingen in het functioneren, en (persoonlijk) lijden.
Symptoom: Specifieke kenmerken of eigenschappen die passen bij een bepaalde psychische
stoornis.
Belangrijkste aspecten van het beschrijven van afwijkende emoties, gedachten en gedragingen
geïntroduceerd: wat ‘normaal’ en wat ‘abnormaal’, ‘afwijkend’ of ‘gestoord’ mag heten hangt voor
een groot deel af van de tijd, de plaats en de persoon, ofwel van de sociaal-culturele omgeving.
- Uitzonderlijk; gedrag krijgt vaak het etiket ‘afwijkend’ of ‘abnormaal’. Slechts weinig
mensen beweren dat ze dingen zien of horen die er in werkelijkheid niet zijn, dit wordt als
afwijkend beschouwd. Gevoelens hebben van intense paniek bij het betreden van een
supermarkt of een drukke lift, geldt als afwijkend. Let wel: op zichzelf is uitzonderlijk gedrag
niet afwijkend of abnormaal.
- Sociaal afwijkend; alle samenlevingen hebben normen (maatstaven) die bepalen welke
vormen van gedrag acceptabel zijn in een bepaalde context. Normen ontwikkelen zich,
kortom, uit de gewoonten en opvattingen van een bepaald groep mensen. Het zijn dus
relatieve maatstaven en geen universele waarden.
- Foute perceptie of interpretatie van de realiteit; normaal gesproken vormen onze zintuigen
en cognitieve processen een accurate mentale representatie van onze omgeving. Als
iemand dingen ziet of stemmen hoort die er in werkelijkheid niet zijn, zeggen we dat hij
hallucineert. Dat wordt in onze cultuur opgevat als teken van een onderliggende
psychische stoornis.
- Aanzienlijk emotioneel lijden van de persoon; als gevolg van problematische emoties zoals
angst en depressie, kan afwijkend zijn. Soms zijn angst en depressie echter normale reactie
op een situatie., bijvoorbeeld wanneer je werkelijk wordt bedreigd of als je mensen of
dingen kwijtraakt die je dierbaar zijn. In dat geval zou d afwezigheid van een emotionele
reactie juist abnormaal of afwijkend zijn.
- Ongepast of contraproductief gedrag; dat geen bevrediging maar onprettige gevoelens
oproept, vinden we over het algemeen afwijkend. Gedrag dat ons beperkt in ons vermogen
, om bepaalde rollen te vervullen, of ons ervan weerhoudt om ons aan onze omgeving aan te
passen kan ook als afwijkend worden opgevat.
- Gevaar; gedrag wat gevaar oplevert voor de betrokkene zelf of voor anderen, noemen we
gewoonlijk afwijkend. Ook hier is de sociale context van groot belang. In oorlogstijd
noemen we mensen die zichzelf opofferen; moedig. Maar mensen die zichzelf willen doden
omdat ze de druk van het dagelijks leven niet aankunnen, beschouwen we gewoonlijk als
afwijkend.
Realiseer je vooral dat als iemand in een bepaald opzicht afwijkend is, dat niet hoeft te
betekenen dat de persoon in zijn geheel afwijkend is. Anders gesteld; een normaal
persoon kan bijzonder gek doen en een persoon die we gek noemen kan heel normaal
doen.
Concepten van gezondheid en ziekte kunnen in verschillende culturen een andere
inhoud en betekenis hebben. Zelfs de woorden waarmee we psychische stoornissen
beschrijven (bijv. depressie). hebben in verschillende culturen een andere betekenis,
of er bestaan geen equivalent voor.
Humores; Term van Hippocrates voor de essentiële lichaamssappen. (Slijm/ flegmatiek, traag)
(zwart gal/ melancholie, depressie). (bloed/ Sanguinische dispositie, vrolijk & zelfverzekerd). (Gele
gal/ cholerisch, korzelig).
Evindence-based medicine (EBM): Het streven om gebruik te maken van het beste
beschikbare bewijs bij eht maken van een keuze voor de behandeling van een patiënt
In het begin van de 21ste eeuw wordt dan ook in verpleegkunde, in het maatschappelijk werk en in
de psychotherapie evidence-based gewerkt. Binnen de ze vakgebieden spreken mensen over
evidence-based practice (EBP) in plaats van EBM, vanwege de praktischere aard van de
opleidingen en beroepen.
De verzameling trekken die is vastgelegd in onze genetische code wordt ons genotype
genoemd. Ons fenotype is een weerslag van de interactie tussen genetische factoren en
omgevingsinvloeden.
Hersenen
Medula; Gebied in de achterhersenen dat de hartslag en ademhaling reguleert
Pons: Gebied in de achterhersenen dat en rol speelt bij de ademhaling
Cerebellum: Gebied in de achterhersenen dat te maken heeft met coördinatie en balans
Reticulaire activeringssysteem: Gebied in de hersenen dat te maken heeft met aandacht, slaap
en arousal.
Thalamus: Gebied in de voorhersenen dat sensorische informatie doorgeeft aan de cortex en
een rol speelt in processen rond slaap en aandacht.
Hypothalamus: Gebied in de voorhersenen dat betrokken is bij het reguleren van
lichaamstemperatuur, emoties en motivatie.
Limbisch systeem: Aantal gebieden in de voorhersenen die betrokken zijn bij leren, herinnering en
basale driften.
Basale ganglia: Cluster van neuronen tussen de thalamus en cerebrum, dat betrokken is bij de
coördinatie van motorische (bewegings-) processen.
Cerebrum: De grote massa in de voorhersenen die wordt gevormd door de twee hersenhelften.
,Hersenschors (cerebrale cortex): Het geplooide oppervlakte van het cerebrum,
verantwoordelijk voor de verwerking van sensorische stimuli en de aansturing van hogere
mentale functies als denken en taalgebruik.
Zenuwstelsel
Neuron; Zenuwcel
Dendriet: Wortelachtige uitloper van en neuron die zenuwimpulsen ontvangt van andere
neuronen.
Axon; Het lange, dunne gedeelte van een neuron waarlangs de zenuwimpulsen zich voortplanten.
Eindknopjes;Kleine verdikking aan het einde van een axon.
Neurotransmitter; Chemische stof die neurale boodschappen van het ene neuron naar het
andere vervoert.
Synaps; Spleetje tussen een eindknopje van het ene neuron en de dendriet of het soma
(cellichaam) van een ander neuron waarlangs de neurale impulsen worden doorgegeven.
Receptorplaats; Deel van de dendriet van het ontvangende neuron dat gevoel is voor bepaalde
neurotransmitters.
Neurontransmit Functie Verband met afwijkend gedrag
ter
Acetylcholine Controleert spiercontracties en Alzheimerpatiënten hebben vaak een
de vorming van herinneringen lagere waarde.
Dopamine Reguleert spiercontracties en Wellicht speelt een overvloed aan
mentale processen die te maken dopamine in de hersenen een rol bij het
hebben met leren, herinneringen ontstaan van schizofrenie
en emoties.
Norepinefrine Reguleert mentale processen die Verband tussen onbals in
te maken hebben met leren en norepinefrinegehalte en
herinneren stemmingsstoornissen als depressie
Serotonine Reguleert stemmingen, Wellicht verband tussen
verzadiging en slaap onregelmatigheden in serotinegehalte en
depressie en eetstoornissen.
Ruggenmerg
Het centrale
zenuwstelsel
Hersenen
het Het
zenuwstelsel sympathisch
e
Het
zenuwstelsel
autonome
Het
zenuwstelsel
Het perifere parasypatisc
zenuwstelsel he
Het
zenuwstelsel
somatische
zenuwstelsel
Centrale zenuwstelsel; de hersenen en het ruggenmerg
Perifere zenuwstelsel: Het somatische en het autonome zenuwstelsel
, Somatische zenuwstelsel: Deel van het perifere zenuwstelsel dat verantwoordelijk is
voor het transport van informatie van de zintuigen naar de hersenen, en van de hersenen
naar de skeletspieren.
Autonome zenuwstelsel: Deel van het perifere zenuwstelsel dat de klieren en de
onbewuste lichaamsprocessen aanstuurt. Betrokken bij emotionele reacties hartslag,
ademhaling, spijsvertering en verwijding van de pupillen zelfs als we slapen.
Sympathische zenuwstelsel; Deel van het autonome zenuwstelsels dat een
verhoogd arousal teweeg kan brengen Vooral betrokken bij processen die de
hulpbronnen van het lichaam mobiliseren in tijden van fysieke uitputting
en stress.
Parasympatische zenuwstelsel: Deel van het autonome zenuwstelsel dat
arousal kan verlagen en ervoor zorgt dat de energiereserves weer worden
aangevuld. Als we ontspannen zorgt het parasympatische systeem hier voor.
Deze beide delen van het autonome zenuwstelsel brengen voornamelijk
tegengestelde effecten teweeg.
Psychoanalytische modellen
Psychoanalytische theorie: Freuds theoretische model van onze persoonlijkheid, ook wel
psychoanalyse.
Bewuste: Volgens Freud het deel van de geest dat overeenkomt met wat op dit moment onder
onze aandacht is.
Voorbewuste: Volgens Freud het deel van de geest waarvan de inhoud buiten het huidige
bewustzijn ligt, maar waarvan we ons bewust kunnen worden als we onze aandacht erop richten.
Onbewuste: Volgens Freud het deel van de geest dat buiten het bereik van het normale
bewustzijn ligt en dat onze instinctieve drijfveren bevat.
ID; Volgens Freud de onbewuste psychische structuur die onze primitieve instincten bevat en
die wordt aangestuurd door het lustprincipe. Is vanaf de geboorte aanwezig.
Lustprincipe: Volgens Freud het principe dat het ID aanstuurt en dat directe
behoeftebevrediging wenst.
Ego: Volgens Freud de psychische structuur die overeenkomt met het concept van het zelf.
Werkt volgens het realiteitsprincipe en is in staat om frustratie te tolereren. Dit onderdeel van de
psychische structuur ontwikkelt zich tijdens het eerst levensjaar.
Realiteitsprincipe: Volgens Freud het principe dat het ego aanstuurt, maar ook rekening houdt
met sociale acceptatie en praktische overwegingen.
Superego: Volgens Freud de psychische structuur die de normen van ouders en belangrijke
anderen internaliseert, en die functioneert als moreel geweten. Zo rond de leeftijd van vier
ontwikkelt dit derde onderdeel van de psychische structuur zich.
Afweermechanisme: Volgen Freud strategieën om de realiteit te vervormen, door het ego
gebruikt om het zelf t beschermen tegen het bewustzijn van angstaanjagende zaken. Enkele
afweermechanisme van het ego volgens Freud: Verdringing, Regressie, Rationalisatie,
verplaatsing, Projectie, Reactieformatie, Ontkenning, Sublimatie.
Vijf Psychoseksuele stadia van ontwikkeling: Orale, (1ste jaar), Anale (2de jaar), Fallische (3de
levensjaar), Latente stadium (6 tot 12 jaar) genitale (begin pubertijd).