Inleiding
Historische schets
Klinische neuropsychologie bestudeert de relatie tussen hersenen en gedrag, bij gezonde
mensen of bij patiënten met een hersenaandoening. Klinisch gaat vooral over praktijk en richt zich
op diagnostiek en behandeling. Pas sinds 70’s opkomend. Maar al eerder werd erover gedacht.
Waar zit de ziel?
- Socrates: hersenen spelen belangrijkste rol
- Aristoteles: hart was de zetel van de ziel; hersenen hadden een koelende functie
- Celtheorie: mentale functies in ventrikels (holtes met vocht)
- Descartes: ziel zit in pijnappelklier; 1e specifieke locatie
- Gall met frenologie: vooral aan buitenkant van schedel vind/voel je de functies. Functies
gelokaliseerd in specifieke hersengebieden.
Daarna hielpen casussen met lokaliseren:
- Phineas Gage kreeg staaf door frontaalkwab heen → persoonlijkheid anders.
- Broca met patiënt Tan die alleen Tan kon zeggen. Begreep dingen wel.
- Wernicke vond tegenovergestelde: wel productie, geen begrip.
Tegelijkertijd was er ook holistische visie (dus niet specifiek lokaliseren).
Experimentele psychologie kwam op, vooral gericht op waarneming. 1e meer gestandaardiseerde
methoden naar cognitieve functies, en kijken naar individuele verschillen.
- Binet ontwikkelde intelligentietest om te kijken of kids succesvol waren op school en
mannen geschikt voor het leger. Vormde basis voor latere tests.
KNP kwam pas veel later in gezondheidszorg; eerst lag het bij neurologen en psychiaters. Pas na
WOII gingen psychologen ermee bezig en duurde een tijd voor het hun vakgebied werd.
Luria verbond de holistische en lokalisatievisie: hersenen werken als geheel, maar met
gelokaliseerde deelfuncties.
Terwijl steeds meer plek binnen gezondheidszorg, ook meer tests. Benton en Warrington. Welk
nummer zou op de stip vallen als je de twee vierkanten over elkaar schuift. Veel wordt nog
gebruikt. Ze zagen steeds meer dissociatie en dubbele dissociatie.
1967: oprichting International Neuropsychological Society
1976, eerste editie Neuropsychological Assessment, Lezak
Vanaf 1980: lokalisatie hersenbeschadiging mogelijk met beeldvorming. NP-onderzoek niet voor
plek bepalen, maar voor gevolgen in kaart brengen. Geen 1-op-1 relatie tussen locatie en functie.
Netwerkmodellen: hersenen werken in netwerken, functies niet vast te pinnen op 1 gebied.
,Huidige NP: 1970 oprichting Nederlandse Vereniging voor Neuropsychologie. Patiënt = n=1
studie. Breed werkveld: bij zorg (diagnostiek, indicatiestelling, behandeling) en WO.
Neuropsycholoog is naast praktijk ook een science-practioner. Het is een wisselwerking.
Neuropsychologie in de praktijk
De neuropsycholoog kan in veel verschillende werkvelden werken, met telkens andere vragen:
- Ziekenhuis: na een CVA (bijv. links temporaal) beoordelen of er cognitieve stoornissen zijn
en of iemand veilig naar huis kan.
- GZ: onderscheid maken tussen cognitieve klachten door psychiatrische problematiek
(zoals depressie/persoonlijkheid) of door hersenletsel (bijv. na val).
- Revalidatie: vaak is de diagnose al bekend (bijv. hersentumor links frontaal); vraag is of er
cognitieve stoornissen zijn en of werkhervatting mogelijk is. Vaak multidisciplinair.
- Langdurige zorg: bijv. iemand met FTD in verpleeghuis; gedrag (zoals boosheid) begrijpen
en omgangsadviezen geven aan personeel → mediërende behandeling.
- Forensische zorg: beoordelen van toerekeningsvatbaarheid, intelligentieniveau en
mogelijke cognitieve stoornissen die rol speelden bij strafbaar gedrag.
Diagnose
Verwijzing → N=1 studie. Je doorloopt de hele diagnostische cyclus:
1. Vraagstelling
- Wat is het doel van het onderzoek?
- Welke klachten / problemen staan centraal?
2. Hypotheses formuleren
- Dossieronderzoek (wat is al bekend?)
- Literatuur raadplegen
- Hypotheses formuleren
3. Studiedesign opzetten
- Testbatterij samenstellen
4. Dataverzameling
- Anamnese + heteroanamnese
- Afnemen van tests
- Observaties (niet alleen score, maar ook: hoe komt iemand tot resultaat?)
5. Conclusie en advies
- Alle informatie integreren tot conclusie
- Adviezen voor patiënt en/of naasten
Afwijkende testscore betekent niet automatisch oorzaak: kan door motorische beperkingen,
visusproblemen, lage scholing, executieve stoornissen etc. Meet je echt wat je wilt meten?
Validiteit. Commissie Testaangelegenheid NL. Test hertestbetrouwbaarheid /
interbeoordelaarsbetrouwbaarheid. Stoorfactoren beïnvloeden testprestatie, en vallen niet
binnen meetpretentie van de test. Bijv. vermoeidheid, spanning of gehoorproblemen.
,Onderpresteren kan bewust (bijv. rechtszaak) of onbewust (stoorfactoren) voorkomen.
Anosognosie: dat mensen geen ziekte-inzicht hebben en problematiek ontkennen en dus ook het
nut van NPO niet inzien → altijd kijken naar prestatievalidatietaken (balans
tussen sensitiviteit en specificiteit, onder kansniveau) en vragenlijst. Als mensen onder
kansniveau scoren dan is er sprake van onderpresteren. Dan moet je dus kennis hebben gehad
van antwoorden en kies je bewust voor foute antwoord. KNP’en kunnen moeilijk inschatten, dus
bij iedere patiënt afnemen.
Scores worden genormeerd: meer dan 2 SD onder gemiddelde = uitzonderlijk laag → cognitieve
stoornis. Daar zijn we best streng in (dus dan scoor je wel écht laag).
Cross-culturele aspecten belangrijk: taal- of cultuurafhankelijke tests zoals Stroop of
lijntekeningen kunnen lastig zijn; fotoversies en niet-talige alternatieven helpen hier bij. Er gebeurt
nu veel mee, maar er is nog een flinke slag te slaan.
Behandeling
Altijd rekening houden met kenmerken van de specifieke patiënt. Eerste stap is vaak psycho-
educatie, aan patiënt en aan omgeving. Wat soms goed aansluit: CGT of relatie- en
systeemtherapie. Ook steeds vaker Acceptance and committment therapie (ACT). Als het niet
lukt de patiënt zelf te behandelen: mediërende behandeling. Trial en error leren werkt niet echt
als je geheugenproblemen hebt. Errorless learning past dan beter.
Casus: man, 80 jaar, hoogopgeleid, meldt toenemende geheugen- en woordvindproblemen;
eerder onderzoek normaal, beeldvorming ook. Hij vergeet afspraken ondanks aantekeningen en
trekt zich terug in gezelschappen, omgeving merkt niet veel. Bij NPO is het belangrijk breed te
testen (geheugen, taal, executief, visueel) en ook stemming/angst mee te nemen, omdat dit
prestaties beïnvloedt. Daarnaast is de heteroanamnese cruciaal om het dagelijks functioneren
en compensaties in kaart te brengen, en vergelijkingen met eerdere tests en leeftijdsnormen
helpen bij interpretatie. Uiteindelijk bepaalt combinatie van klinisch beeld, testresultaten en
richtlijnen de diagnose; in dit geval past het bij MCI, waarbij cognitieve uitval bestaat maar het
dagelijks functioneren nog relatief behouden blijft.
HC2
Wetrenschappelijke methoden, beeldvorming en plasticiteit
Structureel: hoe het er in rust uit ziet. Functioneel: hoe de hersenen gekoppeld worden aan
gedrag. Vanuit theorie/hypotheses werken is belangrijk.
Hersenen in beeld
Nodig om plaatjes van anatomie uit boek te kunnen plaatsen.
, Wernicke en Broca sowieso.
- Broca in frontaalkwab
- Wernicke in temporaalkwab
Frontaal is disproportioneel groot t.o.v. andere zoogdieren.
1. Frontaalkwab: Verantwoordelijk voor executieve functies. Bevat gebieden zoals de
prefrontale hersenschors, de orbitofrontale cortex (betrokken bij emotie en
besluitvorming) en het gebied van Broca voor spraakproductie.
2. Pariëtaalkwab: Bevat de somatosensorische hersenschors.
3. Occipitaalkwab: Primair visueel centrum.
4. Temporaalkwab: Bevat het gebied van Wernicke voor taalbegrip.
Mediale aanzicht is vanuit binnenkant er tegenaan kijken.
Primaire motorische hersenschors is landmark.