VAC 7 – Angst
Waarom angst en hechting in één college? Angst is een basale emotie.
Hechting beschermt tegen angst. Bij een hechtingsstoornis is hechting
afwezig en reageert de angst.
Hechtingsstoornis
- Ontstaat niet op zichzelf, altijd in de relatie
- Pathologische verzorging:
Insensitive care:
Geen aandacht voor de emotionele behoeften van het kind
Geen aandacht voor de fysieke behoeften van het kind
Veelvuldig wisselen van verzorgers
- Komt voor bij
Kinderen die opgroeien in kindertehuizen
Kinderen die geadopteerd zijn uit kindertehuizen
Kinderen die verwaarloosd/ mishandeld zijn
Hechtingsstoornissen
- Reactive attachment disorder (RAD)
Weinig tot geen contact, laat zich niet troosten
Weinig positief affect naar verzorgers
Uitbarstingen (vooral bij toenadering)
- Disinhibited Social Engagement Disorder (DSED)
Ongepaste, ongeremde toenadering t.o.v. vreemden
Weinig tot geen afstemming met verzorgers daarover
Kan klakkeloos meegaan met vreemden
Behandeling bij RAD is nog best wel gunstig, gunstiger dan bij DSED (deze
is niet meer zo goed te behandelen). Uit onderzoek blijkt dat als kinderen
met RAD vroeg worden geadopteerd, met name voor hun tweede
levensjaar, en als ze dus alsnog een veilig thuis krijgen. Dan kunnen RAD
kinderen nog best goed bijtrekken.
,Risico factoren Angststoornis
- Genetische predispositie: algemene gevoeligheid
(Temperament: reactiviteit en regulatie; BIS)
- Neurobiologische reacties op stress
(Verhoogde reactiviteit: limbisch systeem, met name amygdala maar
ook HPA-as; EF)
- Ouders (eigen aanleg, modelling, sensitiviteit/responsiviteit)
- Onveilige hechting (vooral gedesorganiseerd)
- Emotie regulatie problemen
NB hoe meer angst, hoe moeilijker te reguleren (vermijden,
onderdrukken, piekeren vs approaching, accepting/ reappraising
problemsolving style)
- Cognitieve denkfouten: preoccupatie; negatieve attributie,
onrealistische negatieve aannames
- Omgeving: adverse life-events, chronische stress
Emotie regulatie problemen en cognitieve denkfouten zijn meer de
instandhoudende factoren dan risicofactoren.
‘Sudden onset’ non-lineaire ontwikkelingspaden
Een uitlokkende gebeurtenis:
1. Respondent/classic conditioning door een traumatische gebeurtenis
(iets naar overkomen en geschrokken van het effect, bijvoorbeeld
verlatingsangst na overlijden of vechtscheiding ouders)
2. Operant conditionering door nare gevolgen (kind probeerde iets
maar liep niet goed af, bijvoorbeeld zakken voor toetsen, steeds
uitgelachen)
3. Non-contingent exposure – secundaire gevolgen van een
gebeurtenis (bijvoorbeeld achterlopen op school als gevolg van
langdurige ziekte)
, Sudden onset: normatieve groei en ontwikkeling gaan logischerwijs
gepaard met angst
Want: een nieuwe fase begint onbekend. Nieuwe inzichten leiden tot de
onderkenning van nieuwe, ongekende mogelijkheden. Dus: angsten in de
kindertijd zijn veelal te herleiden tot de normatieve ontwikkelingen en
taken op die bepaalde leeftijd.
Angsten komen al voor bij kleuters, pieken tussen de 7 tot 9 jaar en
nemen dan af van 10 tot 12 jaar. Meest voorkomende angststoornis bij
kinderen: separatieangst.
Inzichten tussen 2,5 en 6 jaar: TOM, de ander denkt en voelt anders
(misschien ook over separatie). Inzichten tussen de 6 en 11 jaar: onder
andere voorbij het onmiddellijke; continuïteit, het grotere geheel,
mogelijkheden (ook negatieve mogelijkheden, zoals ongelukken).