Cognitie
Inhoud
Thema 1: Het brein ontleed .................................................................................................................... 2
Thema 2: Het brein in ontwikkeling ...................................................................................................... 11
Thema 3: Het brein in beeld .................................................................................................................. 15
Thema 4: Actie....................................................................................................................................... 21
Thema 5: Auditieve waarneming .......................................................................................................... 27
Thema 6: Aandacht ............................................................................................................................... 32
Thema 7: Geheugen .............................................................................................................................. 36
Thema 8: Executieve functies ................................................................................................................ 40
Thema 9: Emoties .................................................................................................................................. 44
,Thema 1: Het brein ontleed
Hoofdstuk 2: Introducing the brain
+ Activering voorkennis.
1. Waaruit bestaat het autonome zenuwstelstel?
2. Welke hersenvliezen bevinden zich tussen de schedel en het brein?
3. Noem de benaming voor hersengroeven.
4. Welke stof zorgt voor betere geleiding?
5. Welke stof bevat vooral gemyeliniseerde axonen?
6. Wat zijn de functies van de frontaalkwab?
7. Wat bevat de nucleus/kernlichaam?
8. Uit welke 3 componenten bestaat een neuron?
9. Wat doen neuronen?
10. Wat is de functie van dendrieten?
11. Wat is de functie van een axon?
12. In welke onderdelen van het neuron vindt actieve overdracht van een signaal plaats?
13. In welke onderdelen vindt de passieve overdacht plaats?
,14. Sommige neurotransmitters hebben een inhibitoir effect op het postsynaptisch neuron.
Waar leidt dat inhibitoir effect toe?
15. En waar leidt een exciterend effect toe?
16. Wat is het rustpotentiaal?
17. Wat is hyperpolarisatie?
18. Benoem de hersengebieden van 1 tot en met 7.
19. Wat is ‘Corpus callosum’?
20. Als informatie wordt overgedragen in het responspercentage van een neuron, wat bepaalt
dan het type informatie waarop het neuron reageert?
21. Waarmee zijn de ventrikels gevuld? (Hersenen bevatten holle kamers die ventrikels worden
genoemd).
, 22. Benoem het gebied van de puntjes dat in het achterbrein (hindbrain) ligt.
…
23. Benoem van 1 tot en met 4 wat er op de puntjes hoort te staan.
2…
1… 3…
4…
24. Benoem de ‘terms of sections of the brain’.
1…
2…
3…